Bejaging is funest voor herstel van de natuur

Damherten aan de bosrandWildbeheer.

Niet bijvoeren en ook niet afschieten, adviseert natuurfilosoof Keulartz. De deskundige sprak gisteren in de Tweede Kamer over wildbeheer in de Nederlandse natuur.

Wat roofdieren betekenen voor de `rewilding’ van de Amerikaanse natuur, zijn herten, paarden, runderen en andere grote planteneters voor de ontwikkeling van Nederlandse natuurgebieden. Deze dieren spelen een sleutelrol in het herstel van ecologische en evolutionaire processen. Maar door bejaging wordt dat proces nu volledig om zeep geholpen, zegt Jozef Keulartz, natuurfilosoof aan de Wageningen Universiteit.

Keulartz sprak gisteren tijdens een bijeenkomst in de Tweede Kamer georganiseerd door de Partij voor de Dieren ter voorbereiding op een debat over wildbeheer dat volgende week woensdag plaatsvindt. De aanleiding is een enquête van Natuurmonumenten onder haar leden, waaruit blijkt dat er een meerderheid voor natuurlijke populaties is in plaats van bejaging van dieren.

Om de grote planteneters, waaronder ook reeën, wilde zwijnen, elanden en wisenten, optimaal hun werk te laten doen, heb je grote gebieden nodig die goed met elkaar verbonden zijn. Want hoe kleiner de gebieden, hoe groter het gevaar van lokale uitsterving, aldus Keulartz. Het netwerk van verbindingen tussen de verschillende Nederlandse natuurgebieden is nu nog minimaal.

Bijvoeren vindt hij uit den boze omdat dat de natuurlijke mechanismen buiten spel zet. In het wild gaan dieren op een spaarstand in tijden van voedselschaarste. Herten bijvoorbeeld dalen bij lage temperaturen met hun energieverbuik naar 13 procent van hun jaarlijks gemiddelde. En hoe minder vet, hoe minder vruchtbaarheid. Vrouwtjes slaan dan soms één of twee jaar hun beurt over.

Afschieten zou hetzelfde effect hebben. Grootschalige sterfte is volgens Keulartz de gang van de natuur en niet per se het gevolg van de krappe Nederlandse natuurgebieden. In andere, veel grotere natuurgebieden in Amerika, Australië en Afrika gebeurt namelijk hetzelfde, betuigt hij. In de Afrikaanse Serengeti gaat de sterfte bij een migratie wel tot 30, 40 procent. Dat zijn soms wel 100.000 dieren. Die kun je niet even afknallen omdat ze een beetje honger hebben.

Sommige Nederlandse boeren willen die werkwijze wellicht graag toepassen, omdat het wild in hun omgeving hun landerijen kaal eet. Deze overlast kan volgens Keulartz gemakkelijk worden weggenomen. Daar hebben je allerlei oplossingen voor, zoals wallen, hekken en roosters om de akkers te beschermen.

Een edelhert op de Hoge Veluwe. Volgens natuurfilosoof Keulartz zijn deze en andere grote grazers van groot belang voor de ontwikkeling van Nederlandse natuurgebieden.

Bron: ANP

Zie ook het commentaar van de Stichting Wise Use over de gehouden Enquete van Natuurmonumenten

Print Friendly, PDF & Email

Reageren is niet mogelijk