Damhert

image_pdfimage_print

damherten

Uiterlijk

Het damhert is groter dan een ree en kleiner dan een edelhert. De kop-romplengte is 130 tot 170 centimeter en de schouderhoogte 85 tot 110 centimeter. Het damhert kan 45 tot 100 kilogram zwaar worden, bij hoge uitzondering tot 130 kilogram. De staart is vrij lang, 16 tot 19 centimeter. Het mannetje (hert of hertenbok genaamd) wordt over het algemeen zwaarder dan het vrouwtje (hinde).

Kleur

dama_dama_2885Er zijn veel variaties in kleur, van wit via lichtbruin tot bijna zwart, maar meestal is de rugzijde roodachtig geel tot kastanjebruin van kleur en de buikzijde geelwit. De dominante kleur verschilt echter per gebied. In de winter is de vachtkleur grijzer. Het damhert ruit twee keer per jaar, een keer in mei of juni en een tweede keer in september of oktober. De vacht is meestal bezaaid met witte vlekjes, deze zijn in de winter minder opvallend. Bepaalde kleurpatronen, bijvoorbeeld geheel witte dieren, hebben geen vlekken. Bij zwarte dieren zijn de vlekjes eerder bruinzwart van kleur, lichter dan de rest van de vacht. De romp heeft een patroon van zwart en wit en een zwarte streep, die doorloopt tot de bovenkant van de staart. Deze zwarte streep ontbreekt bij geheel witte en geheel zwarte dieren. De genetische variatie bij het damhert is gering. Naar alle waarschijnlijkheid is het na de laatste ijstijd door een genetische bottleneck gegaan. Sommige auteurs voeren het voorkomen van kleurslagen terug op die geringe genetische variatie. In Mortimer Forest (Shropshire, Engeland) komt een populatie damherten voor waarbij het haar langer is dan bij de andere populaties.

Gewei

Een opvallend kenmerk, waarmee het zich onderscheidt van andere echte herten, is het schoffelgewei. Hierbij zijn de enden van de takken met elkaar verbonden door platen. Enkel het mannetje draagt een gewei. Het wordt in april en mei afgeworpen, waarna het gelijk weer begint aan te groeien. De basthuid wordt in augustus en september afgeschuurd. Het gewei groeit naarmate het dier ouder wordt. Bejaarde mannetjes hebben weer kleinere geweien.

Herkenning

Het damhert is makkelijk te verwarren met het eveneens gevlekte sikahert, maar de laatste heeft een vertakt gewei en is kleiner. Damherten zijn verder te herkennen aan een opvallend bosje haren bij de penisschede (voor mannetjes) of onder de vulva (bij vrouwtjes).

Voedsel en leefwijze

Het damhert is net als het edelhert een zogenoemde variabele vreter. De soort kan de energie- en eiwitrijke plantencellen benutten, maar kan in tegenstelling tot het ree in slechtere tijden ook toe met vezelig plantenmateriaal. Dat maakt dat de soort altijd en overal wel zijn kostje bij elkaar weet te scharrelen. Het voedt zich voornamelijk met grassen, biezen en kruiden, aangevuld met jonge bladeren, bessen (rozenbottel, braam, bosbes), eikels, granen, wortelen en ’s winters schors, hulst en heide. Het zijn dagdieren. Alleen in tijden van diepe sneeuw werden de dieren bijgevoerd. In verstoorde gebieden zijn ze echter meer schemeringsdieren. Dit betekent natuurlijk niet dat het damhert geen voorkeuren heeft. In duingebieden is dat vaak de kardinaalsmuts, maar inmiddels weten we ook dat ze gek zijn op bloembollen. Vanwege het kapitaalsintensieve karakter van die teelt gaat dat gepaard met grote financiële schade. Het damhert is een goede zwemmer.

Sociaal gedrag

Vrouwelijke-damhertenDamherten leven in gescheiden roedels en kent een uitgebreide sociale structuur. Na hun eerste levensjaar leven de herten gescheiden van de hindes. Jonge mannetjes blijven meestal bij zo’n groep tot ze twintig maanden oud zijn, waarna ze trekken naar de vrijgezellengroepjes. Na de paartijd leven de volwassen mannetjes in aparte vrijgezellengroepjes waarbij de jonge herten leven weer gescheiden van de oudere herten die aan de bronst meedoen. Oudere mannetjes hebben de neiging vooral ’s nachts te leven. Binnen de eerste twee groepen heerst overigens een heel open structuur. Zolang je maar van het juiste geslacht bent en/of de juiste leeftijd hebt, dan mag je gewoon deel uitmaken van de groep. De vrouwtjes (hinden) met hun nakomelingen van dit en voorgaande jaar in groepjes van vijf tot zeven dieren leven. Een hindenroedel wordt geleid door een dominant vrouwtje. Een ander en soms nuttig fenomeen van dit sociale gedrag is dat de hindes geen probleem hebben om soms ook kalveren van andere hindes te zogen! Kalveren trekken overigens soms ook groepsgewijs op zonder dat er op het eerste gezicht een hinde bijloopt. In dat geval lopen de hindes er wel bij, maar staan ze even buiten het zicht. Op open voedselrijke gronden kunnen de roedels zich samenvoegen tot groepen van tot wel tachtig dieren. In sommige (meestal meer open) gebieden komen het gehele jaar door gemengde roedels voor. Het damhert is buiten de bronsttijd niet territoriaal, en de woongebieden overlappen vaak. Het woongebied van de mannetjes is vaak groter dan dat van de hinden.

Voorkomen damhert in Nederland

clip_image002Het damhert komt al heel lang voor in Nederland, langer dan menigeen denkt, al is het damhert niet continu aanwezig geweest in onze lage landen. De vroegste geschiedenis van het damhert in Europa gaat zon drie ijstijden terug. Een half miljoen jaar geleden verschijnen, getuige fossiele vondsten uit Italië, Frankrijk en Spanje, de eerste voorouders van het damhert in Europa. Met uitzondering van Scandinavië komt het damhert dan in heel Europa voor. Bij het aanbreken van de laatste ijstijd (de Würmijstijd of Weichselien) verdwijnt het damhert evenals de voorgaande ijstijden weer van het toneel om zich te settelen in het gebied dat het tegenwoordige Turkije, Iran en Irak beslaat. Nadat de laatste ijstijd zo’n 11.000 jaar geleden ophield, bleek het damhert niet meer in staat om Europa te veroveren. Waarschijnlijk moet de oorzaak daarvoor gezocht worden in het feit dat de mens die uitbreiding belette. Deze hypothese zet de discussie of het damhert nu als een exoot moet worden beschouwd overigens in een heel ander daglicht.

Momenteel komt het damhert weer in heel Europa voor, meegesleept door Romeinen, Noormannen en heel veel anderen die na deze illustere lieden kwamen. Dat kon heel goed, want damherten zijn in tegenstelling tot bijvoorbeeld reeën heel makkelijk te houden en nog makkelijker tam te krijgen. Zolang een damhert met meerdere soort¬genoten bij elkaar staat, het enigszins de ruimte krijgt en voldoende van voer wordt voorzien, is het dier al heel snel gelukkig. De enige plek waar ze in Europa ontbreken is IJsland. Het klimaat daar lijkt toch iets te extreem te zijn voor het damhert. Maar verder komen ze overal voor: van de Cota de Donana in Spanje tot Zuid-Zweden en Noorwegen toe. De reden dat ze in het verleden overal naar toe werden gesleept, laat zich overigens raden: in eerste instantie als voedsel en later met name voor de jacht en als ‘stoffering’ van het landschap.

De vroegste melding van damherten in Nederland komt voor in een geschrift uit 1516 waarin wordt gerept over het voorkomen van damherten in het Haagsche Bos. Een aantal decennia later, in 1593, importeert prins Maurits er nog een honderdtal uit Engeland om de populatie van vers bloed te voorzien. De populatie groeit dan naar 475 dieren, waarna om onbekende reden(en) massale sterfte optreedt. Hierop wordt het raster geopend. Iedere beheerder liep bij niet ingrijpen in het damhertenbestand op tegen onaanvaardbare schade. Momenteel komt in bijna alle provincies weer damwild voor of worden ze incidenteel gemeld. Die laatste categorie heeft overigens meestal betrekking op ontsnapte gehouden dieren. In Nederland zijn vrij levende populaties of beginnende populaties in de provincies Noord- en Zuid-Holland, Zeeland, Limburg. Gelderland, Flevoland, Friesland en Groningen.

Voortplanting en levensverwachting

Damhert-kalfDe laatste succesfactor bij het damhert is zijn grote reproductievermogen: ieder jaar krijgt 90% van de vrouwelijke dieren een kalf; meerlingen zijn uiterst zeldzaam (minder dan 1 op de 1000). De meldingen die we in de praktijk krijgen van meerlingen vallen altijd terug te voeren op het feit dat een hinde zo nu en dan ook een vreemd kalf zoogt, of op de groepjes kalveren die ogenschijnlijk alleen met elkaar optrekken. Als we uitgaan van het feit dat 90% van de hindes een kalf krijgt, dan betekent dit dat we in theorie te maken hebben met een aanwas van 45%. Vanwege het feit dat de meeste kalveren in de praktijk ook daadwerkelijk overleven, ligt de netto aanwas ook vaak in die orde van grootte.

De bronsttijd valt in de tweede helft van oktober en duurt tot begin november. In tegenstelling tot het edelhert probeert het damhert tijdens de bronst normaliter geen harems aan zich te binden. Tijdens de aanloop naar de bronsttijd gaan de mannetjes gevechten aan voor een territorium. Tijdens de bronst teren de herten niet voor niets meer dan een kwart van hun lichaamsgewicht in.

Grofweg kun je een drietal signalen onderscheiden waar het hert gebruik van maakt:

  • Visuele signalen op goed zichtbare plekken; het machogedrag dat we ook kennen van sommige collega’ als er een vrouw ten tonele verschijnt.
  • Akoestische signalen; in tegenstelling tot het edelhert is het burlen bij het damhert beperkt tot een boerend knorren
  • Reuksignalen; deze bestaan uit klieraf-scheidingen en het sproeien van urine in de bronstkuilen en op het onderlichaam

Meestal bestaat dit uit schijngevechten, maar echte gevechten komen voor. Er vallen echter zelden doden. Het veroverde territorium dient als strijdperk, “lek” genaamd, en ligt in ongeveer hetzelfde gebied als de voorgaande jaren. De leks kunnen groot zijn (alsof er een circustent heeft gestaan) of klein (soms niet groter dan een bronstkuil). Met de hoeven krabt hij een ondiepe kuil in de grond, die hij besproeit met urine. Het territorium wordt gemarkeerd door langs de bomen te schuren. damhert kalfMet luide brullen lokt de hertenbok hindes.

De vrouwelijke kalveren zijn na zestien maanden geslachtsrijp, mannetjes na zeven tot veertien maanden. Jonge mannetjes zullen echter weinig kans hebben om zich voort te planten, aangezien ze nog niet sterk genoeg zijn om een territorium te veroveren.

In juni en juli, na een draagtijd van 230 dagen, wordt één kalf (zelden twee) geboren. Het kalfje weegt ongeveer 4,5 kilogram en heeft eenzelfde kleurenpatroon als volwassen dieren. Damherten die op volwassen leeftijd wit zijn, worden echter met een zandkleurige vacht geboren. Het kalf zal zich meestal de eerste weken verscholen houden in de vegetatie, maar het kan zijn moeder al volgen. De zoogtijd duurt gemiddeld zo’n twaalf weken.

Uiteraard kan een populatie niet tot in de hemel doorgroeien. Er komt altijd een moment dat de groei stopt. Sterfte en emigratie brengen de groei dan weer terug naar nul. Het gekke fenomeen doet zich echter voor dat we in heel Europa geen enkele populatie hebben kunnen vinden waar we dit konden meten. Iedere beheerder die dit heeft geprobeerd, liep op een gegeven moment op tegen de enorme hoge dichtheden en de schade die daardoor wordt aangericht.

Het damhert kan twintig jaar oud worden in gevangenschap en meer dan zestien jaar oud in het wild.

Populatiebeheer van damherten vraagt om maatwerk

Nog geen vijftien jaar geleden beperkte het beheer van damwild in Nederland zich tot het Deelerwoud en het Kroondomein, diep in de Veluwse bossen. In de Amsterdamse Waterleidingduinen ontwikkelde zich een populatie op basis van de daar aanwezige voedselsituatie zonder ingrijpen door de mens. Verder leefden er zo her en der wat kleine groepen waar niet veel aandacht voor was.

Het gaat het damhert in Nederland voor de wind: de soort kent een hoge netto reproductie, past zich gemakkelijk aan aan zijn omgeving en de mens, heeft in het Nederlandse landschap als intermediate feeder een groot scala aan voedsel tot zijn beschikking, is charismatisch, leert snel en van elkaar, en kan in hoge dichtheden voorkomen.

Al die eigenschappen maken dat het damhert snel toeneemt in het Nederlandse landschap; een landschap dat qua beschikbaar voedsel een veel grotere veelvoud aan damherten kan herbergen dan nu het geval is.

Het is daarom niet de vraag óf het damhert zal toenemen, maar veeleer hoe snel de ontwikkeling zal gaan en welke dichtheden uiteindelijk zullen worden bereikt. Alles wijst er op dat de groei en verspreiding van deze soort veel sneller gaat dan we ooit hadden gedacht. Een ding is duidelijk: het damhert neemt toe en het einde van de groei is nog lang niet in zicht.

Het damhert is vanwege het uiterlijk en gedrag een zeer charismatische soort die door heel veel mensen wordt gewaardeerd. Daar waar het nu al in grotere hoeveelheden voorkomt, is het een publiekstrekker van jewelste, en draagt deze soort bij aan de “verinnerlijking” van de natuur bij de (verstedelijkte) Nederlander. Keerzijde van de medaille is echter dat daar waar damherten in grotere aantallen voorkomen er ook sprake is van overlast en schade. Overlast bij particulieren, schade aan landbouwbelangen, schade aan flora en fauna en aantasting van de verkeersveiligheid.

Het damhert zal binnen Nederland in rap tempo toenemen en is in principe in staat om overal in Nederland voor te komen. Zelfs in stedelijke omgeving. Centrale vraag in deze is daarom of we dat ook wel willen. Willen we wel damherten in gebieden met kapitaalsintensieve landbouw? Willen we wel damherten in de buurt van infrastructurele knooppunten? Is de aanwezigheid van damherten niet strijdig met sommige doelstellingen in het natuurbeheer?

Allemaal vragen die beantwoord zouden moeten kunnen worden vanuit het beleid dat geldt voor het damhert. Probleem is echter dat er geen beleid is; niet op landelijk niveau en niet op provinciaal niveau. Het gevolg daarvan is dat zelfs te voorziene problemen ad hoc worden opgelost zonder dat over de verdere consequenties daarvan wordt nagedacht. Zo zien we nu al, ondanks het rijksbeleid ten aanzien van ontsnippering, het aandeel rasters rond natuurgebieden toenemen, en dreigt lokaal en/of regionaal het draagvlak ten aanzien van het gevoerde natuurbeheer af te kalven.

Juist en effectief beheer van de grofwildsoorten moet volledig gebaseerd zijn op kenmerken, gedrag en leefwijze van de soorten. Hierbij zijn het de dammen die het verschil maken. Damherten zijn niet vergelijkbaar met edelherten of reeën, maar vertonen wel overeenkomsten met beide soorten. De beheerder van damherten zal zelfs overeenkomsten ontdekken met het gedrag van bijvoorbeeld gemzen, maar ook hier geldt weer dat een vergelijk niet aan de orde is.

Leefwijze en gedrag

Damherten zijn gewoonweg damherten en inzicht in hun gedrag en leefwijze is bepalend voor de juiste uitvoering van het beheer van de populaties. De basis van leefwijze en gedrag van damherten kunnen aan de hand van een aantal typeringen worden omschreven

Damherten zijn:

  • Plaatsgebonden, maar niet plaatsgetrouw (zwervend)
  • Op hoofdlijnen berekenbaar maar wispelturig (onberekenbaar)
  • Nieuwsgierig maar niet onnozel (verrassend)
  • Sociaal maar niet sociaal gebonden (gezellig zelfstandig)

Daar komt nog bij dat damherten klein van stuk zijn en daardoor in terreinen met ondergroei slecht zichtbaar. Het kan voorkomen dat u al tijden naar een veld pijpenstrootje of andere hoge vegetatie aan het kijken bent, terwijl daar een heel roedel damherthindes met kalveren doorgetrokken is zonder dat u ze ooit gezien hebt. Ook kan het zijn dat de dieren doodstil tussen de stammen en takken van bomen staan en u wel een paar dieren ziet, maar, als het roedel in beweging komt, uit elke boomstam een damhert lijkt te komen en de kalveren zelfs uit de grond lijken op te stijgen.

En wie denkt dat lichtbruin met witte stippen makkelijk te onderscheiden is in een natuurlijke omgeving van licht en schaduw, heeft het goed mis. ‘Opgaan in het landschap’ hebben de dieren tot een ware kunst weten te verheffen.

Leefgebieddekkend tellen

Het beheer van damwild is misschien wel de meest moeilijke, in ieder geval meest onbekende vorm van grofwildbeheer. De dieren zijn alleen dan te beheren als er in het totale leefgebied goed samengewerkt wordt tussen de verschillende jachthouders. Dat begint al bij het tellen van de dieren. Het is van groot belang dat er leefgebieddekkend meerdere keren geteld wordt. De aandacht moet daarbij uitgaan naar de verspreiding van de aantallen dieren over het leefgebied en niet zozeer naar de roedelsamenstelling (sociaal, maar niet sociaal gebonden)

Inzicht in gedrag en leefwijze van damwild is bepalend voor de juiste uitvoering van het beheer.

Bij voorkeur moet er jaarrond (plaatsgebonden, maar niet plaatsgetrouw) worden geteld, waarbij men onderscheid maakt in:

  • Kalf
  • Smaldier en spitser
  • Hindes (2e t/m 12e kop)
  • Jonge herten (2e t/m 4e kop)
  • Volwassen herten ( 5e t/m 12e kop)
  • Oude hindes en herten (13e kop en ouder)

De jonge herten onderscheiden zich ten opzichte van de volwassen dieren vooral door hun beweeglijkheid in het leefgebied (onberekenbaar en verrassend), zodat met name daar de foutfactor met tellen het snelst zal optreden. Het vaststellen van het bestand aan spitsers en smaldieren geeft een goed inzicht in de dieren die de basis vormen van de populatieontwikkeling. Met name het jaarrond tellen geeft goed inzicht in de (bij benadering) juiste aantallen van de hindes die in begroeide terreinen niet altijd even goed zichtbaar zijn.

Beheer van populatie

Als er op basis van een faunabeheerplan besloten wordt om in te grijpen in een populatie damherten door middel van afschot, dan is er op grond van het gedrag en leefwijze van de dieren het volgende van belang. Het afschot van de dieren moet plaatsvinden op leefgebied-niveau. Gebeurt dit niet, dan gaat dit ten koste van de populatiestructuur (leeftijdsopbouw en geslachtsverhouding). Vindt er namelijk geen evenwichtige verdeling plaats van het afschot over de jachthouders, dan kan dit leiden tot afschot van te veel mannelijke jonge dieren in de randgebieden.

Bij een grote jachtdruk zullen de dammen zich gaan concentreren in die delen van het gebied waar ze zich veilig voelen, meestal de plaatsen van waaruit de populatie zich heeft ontwikkeld. Kort gezegd als een populatie damherten beheerd wordt op basis van aantalsregulatie, dient elke jachthouder in het gebied mee te doen, anders heeft ingrijpen geen zin. Het resultaat zal zijn dat het aandeel vrouwelijke dieren (reproductieve deel van de populatie) hoog blijft en daardoor de aanwas maximaal. In gebieden waar ruimte is rond de leefgebiedkernen (zoals bijvoorbeeld Deelerwoud) geldt hetzelfde principe, maar daar hebben de damherten de ruimte om te kunnen migreren bij toenemende dichtheden. De damherten hebben zich inmiddels over een groot deel van de Zuidoost Veluwe verspreid.

Toekomst damherten in Nederland

De toekomst voor damherten in Nederland ziet er rooskleurig uit. Mijn verwachting is dat damwild grote delen van geschikt leefgebied gaat bevolken in snel groeiende dichtheden. Niet zozeer omdat de dieren een hogere reproductie kennen dan de edelherten, maar veel meer omdat ze zo stiekempjes weg, gebruik makend van hun soortspecifieke eigenschappen, in staat zijn te groeien naar succes. Voor de grofwildbeheerders in Nederland is het zaak het damwild, zowel tijdens de planvorming als bij de uitvoering, serieus te nemen door op leefgebiedniveau goede afspraken te maken over populatiebeheer. Gezien de toenemende samenwerking van de organisaties, die betrokken zijn bij het beheer in de leefgebieden van de damherten, moet professioneel beheer van damherten mogelijk zijn.

Wettelijke  Status & Provinciaal Beleid provincie Limburg

Het damhert is een beschermde soort (art. 4 Flora- en Faunawet) Het damhert behoort evenals alle andere inheemse zoogdieren tot de beschermde diersoorten in Nederland. Uitzonderingen op die bescherming zijn echter mogelijk. Van die beschermde status kan in een beperkt aantal gevallen onder strikte voorwaarden worden afgeweken. Dit is in de Flora- en Faunawet geregeld in de artikelen 67 en 68. De aanwijzing (art. 67 van de Flora- en Faunawet) Gedeputeerde Staten kan personen of categorieën van personen aanwijzen om de stand van het damhert te beperken. Dit kan alleen indien dit nodig wordt geacht:

  1. in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid
  2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer
  3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren, of
  4. ter voorkoming van schade aan flora en fauna De ontheffing (art. 68 van de Flora- en Faunawet)

Daarnaast bestaat voor Gedeputeerde Staten de mogelijkheid om voor het damhert, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding, ontheffing te verlenen van onder andere het verbod tot doden en verontrusten:

  1. in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid
  2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer
  3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren
  4. ter voorkoming van schade aan flora en fauna, of
  5. met het oog op andere, bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) aan te wijzen, belangen Populatiebeheer (art. 4 van het Besluit Beheer en schadebestrijding dieren).

Die andere bij AMvB aangewezen belangen zijn verwoord in artikel 4 van het Besluit Beheer en schadebestrijding dieren en behelst voor het damhert “het reguleren van de populatieomvang van dieren, behorende tot de diersoorten edelhert, ree, damhert of wild zwijn, met dien verstande dat vanwege dit belang slechts ontheffing kan worden verleend indien de aanleiding is gelegen in de schadehistorie ter plaatse en van het omringende gebied of de maximale populatieomvang in relatie tot de draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden”.

In zoverre gelden voor het damhert dezelfde regels als voor de overige inheemse grote hoefdieren in Nederland.In het geval van gevaar voor de openbare orde of veiligheid is het een zaak van de politie om op te treden. In die gevallen is de korpschef van de Regiopolitie verantwoordelijk om in te grijpen door het dier te vangen of te doden.

Beleid provincie Limburg

In het geval er geen sprake is van onmiddellijk gevaar voor de openbare orde of veiligheid, dient er eerst te worden nagegaan of er sprake is van een eigenaar, die dan verantwoordelijk is  voor het vangen, respectievelijk doden van het dier. Daar waar de eigenaar niet is te achterhalen, kan het Damhert als een in het wild levend dier worden aangemerkt. Aangezien het Damhert een beschermde inheemse diersoort is, mogen deze dieren niet zonder ontheffing ex Artikel 68 of aanwijzing ex Artikel 67 van de FF-wet worden gedood.

Indien   de   dieren   duidelijk   tam   zijn   (dus   bijvoorbeeld   nog   benaderbaar   met   een verdovingsgeweer tot op 50 meter), kunnen de dieren niet als wilde beschermde inheemse diersoort beschouwd worden, maar als gehouden dieren die ontsnapt zijn. Indien de eigenaar onbekend   is   en   blijft,   is   formeel   de   burgemeester   van   de   betreffende   gemeente verantwoordelijk voor het “verloren goed”, en kan een speciaal daartoe gemachtigde persoon opdracht geven afschot te plegen bij verkeersonveilige situaties. De ontheffing ex Artikel 68 FF-wet mag hiervoor dus niet ingezet worden!

In de beleidsnota uitvoering Flora- en Faunawet geeft de provincie aan de FBE de ruimte om onder voorwaarden Damherten in hun werkgebied te tolereren.

Potentiële schade aan belangen in Limburg

Vanwege hun omvang kan een aanrijding met een Damhert grote gevolgen hebben. Beheer in   het   kader   van   gevaar   voor   de   verkeersveiligheid   is   nodig   in   de   komende faunabeheerplanperiode. Dit geldt ook voor de mogelijkheid tot beheer bij belangrijke schade aan overige erkende belangen (zoals Landbouwschade)  door individuele dieren op een specifieke locatie.

Wenselijkheid beheer in Limburg

De   Faunabeheereenheidc   Limburg   stelt   zich   op   het   standpunt   dat   de   komende Faunabeheerplanperiode geen gebruik zal worden gemaakt van de door de Provinciale beleidsnota geboden ruimte om onder voorwaarden de Damherten te tolereren in Limburg. Dieren  die  schade  (dreigen  te)  veroorzaken  aan  erkende  belangen  dienen  te  worden gevangen of als dat niet mogelijk is, geschoten te kunnen worden.

Gegevens verkregen uit de Monitoring en de Valwildregistratie zullen inzichtelijk wordengemaakt en ter beschikking gesteld worden aan de WBE’s (bepaling zwaartepunt afschot) én de verantwoordelijke wegbeheerders (gemeenten, provincie en Rijkswaterstaat) om zo het risico op aanrijdingen te kunnen verminderen

Verwachting indien  beheer uitblijft

Als Damherten zich vestigen in Limburg en er zou geen beheer mogelijk zijn dan is dit ongewenst  vanwege  het  risico  van  onacceptabele  afbreuk  aan  de  verkeersveiligheid  of onacceptabele schade in de landbouw.

Een ontheffing ex Artikel 68 zal worden aangevraagd, opdat zodra er schade optreedt aan erkende belangen een afweging plaats kan vinden of afschot of vangen nodig is.

Beslisboom Toekenning Machtiging Afschot Damhert

-1- Veroorzaakt het Damhert schade of bevind het zich regelmatig in de buurt van openbare wegen?

•    Ja > Ga verder naar -2-

•    Nee > Geen machtiging toekennen: er worden geen wettelijke belangen geschaad

-2- Is er een eigenaar bekend van het Damhert?

•    Ja > Geen machtiging toekennen, de eigenaar moet dit zelf oplossen

•    Nee > Ga verder naar -3-

-3- Is het Damhert benaderbaar tot op 40 meter?

•    Ja > Geen machtiging toekennen,  het Damhert kan dan met een verdovingsgeweer geschoten worden en herplaatst via de Dierenbescherming (beschikbaar alternatief voor het doden)

•    Nee > ga verder naar -4-

-4- Is er sprake van een acuut gevaar voor de verkeerveiligheid?

•    Ja > De politie moet een WM4 verlofhouder inschakelen om het dier te schieten

•     Nee > De machtiging wordt toegekend

Reageren is niet mogelijk