Grauwe gans

image_pdfimage_print

Grauwe-gans

De grauwe gans is een grote grijze watervogel met roze poten. Hij heeft zwarte vlekjes op de buik. De kop is lichtgrijs, de voorvleugel is grijswit. De snavel kan roze (oostelijke ondersoort, Anser anser rubirostris) of oranje (westelijke ondersoort, Anser anser anser) zijn.

Het is een herbivoor. Het is een zogenaamde deeltrekker. Sommige vogels trekken weg, sommige blijven in het broedgebied en in Nederland komen ’s winters grauwe ganzen uit Noord-Europa.

Ecologische waarde

Tijdens de rui waarin de gans niet vliegen kan, zoekt de gans een goed heenkomen in rietlanden. Ze kunnen dan zo veel riet (vooral de wortelstokken van het riet) consumeren dat de verlanding door riet wordt tegengegaan. De Oostvaardersplassen waren in eerste instantie vooral gedacht als ganzenreservaat.

Boerengans

grauwe-gansDe gedomesticeerde variant van de gans is eveneens de Anser anser, maar dan met de toevoeging domesticus. Deze boerengans is normaal gesproken geheel wit. Ganzen worden gehouden voor de gezelligheid, voor bewaking, voor de sier, om hun eieren en om hun vlees. Het vlees is rood en lijkt op biefstuk. De afgelopen decennia hebben veel boeren hun ganzen laten verwilderen, met als gevolg dat men nu in het wild witte en grijsbruine varianten door elkaar aantreft. De aantallen van deze gekleurde varianten, die door kenners ‘soepganzen’ worden genoemd, vormen gemiddeld 3,3% (0,9 tot 5,6%) van de totale aantallen waargenomen grauwe ganzen.

Voorkomen en trend landelijk:

Sterk toegenomen broedvogel van moeras- en watergebieden in geheel Nederland.

Trekvogels komen voor vanaf augustus tot en met maart; wintergast in grote aantallen. Trek naar ruigebieden (Flevoland, Friese IJsselmeerkust) gedurende de zomer (mei, juni, juli) van dieren o.a. uit Scandinavië Duitsland, Polen.

Het aantal broedende Grauwe Ganzen is in de afgelopen 20 jaar sterk toegenomen in Nederland en heeft onder andere geleid tot schade aan landbouwgewassen. De toenemende landbouwschade is aanleiding geweest voor de drie Limburgse Faunabeheereenheden om te starten met het beheren van de broedpopulatie in de provincie Limburg. Over de te verwachte effecten van beheerscenario’s op de populatie- en landbouwschadeontwikkeling was echter weinig bekend door het ontbreken van kennis over de populatiebiologie en de aantalontwikkeling in Limburg. Hierdoor was het moeilijk om een passend beheer uit te voeren waarbij de duurzame instandhouding van de populatie niet in gevaar komt en belangrijke landbouwschade zoveel mogelijk wordt voorkomen.

Overzomerende ganzen in Nederland

Het aantal in Nederland broedende en daarmee overzomerende ganzen is de laatste jaren snel toegenomen.

Soort

2013

2018–

NL/Eu plicht

extra (!)

Grauwe gans

611.675

1.062.533

86.000

976.533

gegevens van rapport Alterra 2012

De meeste broedende ganzen worden gevonden in de provincies Gelderland, Noord – en Zuid-Holland en Zeeland. Dit leidt tot conflicten met de landbouw en met natuurdoelstellingen binnen het natuurbeheer. De schade aan de landbouw wordt niet alleen veroorzaakt doordat deze dieren gras eten. Ook worden graslanden ongeschikt voor vee door de grote hoeveelheden ontlasting van ganzen. Onder natte omstandigheden verslempen graslanden en akkerpercelen waardoor gewassen minder snel groeien.

ganzen-aan-de-beekOok de natuur leidt onder de toegenomen druk van zowel grazende als zich ontlastende ganzen. Plaatselijk worden rietzones en bloemrijke graslanden opgegeten en verstoren de rustende ganzen bijvoorbeeld de kwetsbare broedvogels en worden voedselarme vennen verrijkt.

Vooral wanneer landbouwgronden gelegen zijn rond de broedgebieden is er een potentieel risico voor schade aan de landbouw. Als de eieren zijn uitgebroed, zoeken de paren met hun jongen vooral graslandpercelen op die grenzen aan open water. Het korte eiwitrijke gras is van cruciaal belang bij de groei van de jongen. Paren die hun jongen groot willen brengen in gebieden met ruige grasvegetaties hebben over het algemeen niet meer dan twee tot drie vliegvlugge jongen. Paren die in gunstige omstandigheden leven met veel kort, liefst goed bemest gras, brengen meer dan vijf vliegvlugge jongen groot.

Buiten de broedvogels zijn er ook vogels die (nog) niet broeden die schade aanrichten. Het gaat om jonge nog niet broedrijpe vogels en oudere (alleenstaande) vogels en tevens vogels waarvan het broedsel in een vroeg stadium mislukt is. Deze groep zogenaamde “zwervers” veroorzaakt de meeste overlast en schade omdat ze gedurende het gehele groeiseizoen van de gewassen op de landerijen komen.

Voorkomen en trend Limburg:

De grauwe gans heeft zich sinds 1995 gevestigd als standwild in het beheergebied van onze wildbeheereenheid, eerst waren dat maar 2 koppels, die inmiddels zijn uitgegroeid tot zo’n 30 koppels welk hun broedplaatsen hebben op de noordelijke grens van het beheergebied van de Wildbeheereenheid “Susteren/Graetheide” namelijk in het Natuurgebied “de Doordt”, zij foerageren dan geregeld in het beheergebied.

Soort Gans

2011

2012

2013

Tel data Ganzen

2-apr.

16-jul.

31-mrt

21-jul

06-apr

20-jul

Grauwe gans

7.315

7.792

7.421

13.655

13.914

15.880

In de winter neemt de stand van de ganzen ( grauwe gans, kleine- en grote rietgans) enorm toe tot elke duizenden stuks. Tot nu toe hebben zich in ons beheergebied nog geen of nauwelijks noembare schade voorgedaan in het beheergebied van onze WBE. Maar door de grote aantallen die elk jaar toenemen en de toename van graanpercelen, zal ook het risico op schade toenemen.

Kenmerken populatie Grauwe Gans in Limburg

De populatie stamt af van een klein aantal geïntroduceerde vogels in 1977 in Duitsland.

De Limburgse populatie vormt samen met de populatie in Kreis Viersen en Belgisch Limburg één populatie, de ‘Maasdalpopulatie’. Waarschijnlijk is het merendeel van de populatie standvogel. Na het broedseizoen vindt er uitwisseling plaats tussen de deelpopulaties van de Maasdalpopulaties om te ruien of te foerageren, waarbij het Limburgse Maasdal centraal staat.

Naar schatting 60% van de aantallen in de najaar/ winter zijn afkomstig uit de Limburgse populatie, 30% van de aantallen uit Belgisch-Limburg en Kreis Viersen en 10% zijn Scandinavische Grauwe Ganzen (P.Voskamp 2006). De hoogste concentratie broeders is gevestigd in het Maasplassengebied, waar in hoge aantallen hoofdzakelijk koloniegewijs wordt gebroed. De broedparen in het Maasplassengebied concentreren zich sterk op slechts enkele geschikte broedplekken (strekdammen en eilanden).

In het noorden van Limburg nemen de broedparen nog steeds toe. Natuurherstelprojecten in de vennen en heidegebieden hebben voor een toername van voor de Grauwe Gans geschikt leefgebied gezorgd. In het zuiden geldt dit ook voor de nieuwe ontgrindingsplassen, hoewel hier minder broedparen zitten

De kuikens groeien op in de directe omgeving van de broedlocatie, bij voorkeur in de directe omgeving van water en kort grasland. á Langs de Maas bevinden zich op Limburgs grondgebied drie belangrijke ruiplaatsen (Molengriend, Asseltse plas, Osen) en een aantal in België en Duitsland.

Het totale aantal ganzen in het stroomgebied van de Maas en omliggende gebieden (ook in België en Duitsland) is naar schatting 20.000, waarvan naar schatting 7.500 ganzen actief deelnemen aan de reproductie.

De tendens lijkt te zijn dat de broedgroepen zich verkleinen en verplaatsen naar plekken waar zij minder verstoord worden door mensen en dierlijke predatoren. Op de grote strekdammen waar eerst gebroed werd, is een teruggang van aantallen nesten en eieren geconstateerd.

Het broedsucces werd door de Provincie Limburg gemonitoord, en is de afgelopen jaren gelijk gebleven (Witteveen & Bos, 2007). Wel is er een verschuiving zichtbaar van de grote groepen naar meer verspreide groepen broedende dieren.

Voedsel:

Een Grauwe Gans is een echte vegetariër. Een gans eet gemiddeld 500 gram vers gras per dag (Teixeira 1979). In de winter vormen opgegraven knollen en zetmeelrijke ondergrondse wortel- en stengeldelen van diverse plantensoorten, zoals zeebies, zeeaster, riet en lisdodde, een belangrijke voedselbron. Daarnaast worden grassen, wintergraan en blad van kwelderplanten gegeten (Schekkerman et al., 2000).

grauwe-ganzen-op-het-landIn het voorjaar en in de zomer vormen groene delen van planten zoals grassen, riet en granen een belangrijke voedselbron. Wat later in het seizoen worden ook graszaden uit de aren geconsumeerd. In de ruiperiode hebben ganzen veel eiwit nodig. In deze periode eten ze daarom ook voedsel met een hoog eiwitgehalte, met name korte grasvegetaties. Ook kuikens foerageren samen met de ouders op korte grasvegetaties. Vegetaties in de groeifase bevatten namelijk een hoog percentage eiwit. De oudere jongen zijn in staat ruigere grassen te verwerken (Schekkerman et al., 2000). In het najaar vormen oogstresten, zoals aardappelen, granen en bieten een belangrijke voedselbron. Uit een analyse van schadegegevens (Van der Jeugd et al., 2005) is op te maken dat het overgrote deel van de ganzen foerageert op gras. In de natuurgebieden eten ganzen voornamelijk gras, riet en waterplanten. Omdat ze ook op plekken komen, waar paarden en runderen niet kunnen komen, groeien moerassen hierdoor minder snel dicht. Grauwe Ganzen vormen daarmee een belangrijke schakel in het moerasecosysteem.

Broedbiologie:

De broedtijd van de Grauwe Gans in Nederland vindt plaats van eind februari tot begin mei. Grauwe Ganzen broeden in gebieden met een dichte vegetatie en waar mogelijk op een eiland of op locaties die moeilijk bereikbaar zijn voor predatoren. Waar zulke veilige plekken schaars zijn wordt vaak in kolonievorm gebroed (Teixeira, 1979). Het nest wordt gemaakt van plantenmateriaal of afval dat in de omgeving aanwezig is. De kom van het nest wordt bedekt met donsveren. Bij het verlaten van het nest wordt het nest toegedekt met donsveren. In een gebied waar nestmateriaal nagenoeg ontbreekt wordt in een kuiltje op de grond gebroed (Hustings et al., 1985). Dagelijks wordt er één ei gelegd. In West-Europa bevat een nest meestal 5-7 eieren, de in Nederland gevonden waarden zijn

broedende-grauwe-gans

gemiddeld 5,9. Naar het noorden toe neemt de legselgrootte iets af (Schekkerman et al., 2000). De broedduur bedraagt 27-28 dagen (Cramp & Simmons, 1977).

Grauwe Ganzen leggen eerst bijna al hun eieren (vaak op 1 of 2 na) en gaan dan pas broeden, zodat vrijwel alle eieren gelijktijdig uitkomen (Voslamber, 2005, persoonlijke communicatie). Uitgaande van gemiddeld 6 eieren per nest, het leggen van één ei per dag en een broedtijd van 28 dagen is de totale ligduur van het eerste ei 34 dagen. Als het wijfje op de eieren zit, blijft het mannetje, gent of ganzerik genaamd, altijd in de buurt, om bij het alarm van het wijfje toe te snellen (Vera, 1998). Wanneer het nest wordt verstoord voordat ze gaan broeden of als ze nog maar net broeden, is de kans op een tweede poging aanwezig (Voslamber, 2005, persoonlijke communicatie). Kuikens worden geboren tussen eind maart en begin juni (Schekkerman et al., 2000). Ganzen blijven trouw aan hun partner en broedgebied. Vrouwelijke ganzen trekken veelal terug naar het gebied waar ze geboren zijn, terwijl mannelijke exemplaren iets vaker naar een ander gebied trekken. Volgens Schekkerman et al. (2000) kan dit gebeuren doordat zij in de winter paren met een uit een ander gebied afkomstige gans.

Kuikens:

grauwe-gans-met-pullen-1Na het uitkomen van de eieren gaan de ouders met de jongen naar een plek met korte grasvegetatie, grenzend aan open water om voedsel te zoeken. De ouders brengen samen de kuikens groot. In het water en op het land zwemmen of lopen de kuikens, meestal met vier tot vijf stuks, altijd tussen de ouders in. In gebieden met meerdere stellen vindt vaak samenscholing plaatst. Ouders staan dan gezamenlijk op de uitkijk voor gevaar. Het water doet dienst als vluchtplek bij gevaar. Het opgroeigebied van de kuikens hoeft niet in de directe omgeving van de broedplaats te liggen. Er worden soms grote afstanden afgelegd, tot 10 kilometer of meer (Schekkerman et al., 2000). Dit gebeurt veelal zwemmend, maar ook kunnen stukken worden gelopen.Tijdens deze reis zijn de kuikens extra kwetsbaar voor predatoren, weersomstandigheden en antropogene invloeden. Wanneer in het opgroeigebied weinig grasland grenzend aan water aanwezig is, lijkt de kans op predatie groot. In Nederland is volgens Schekkerman et al. (2000) het aantal uitgevlogen jongen per broedpaar tussen 2.0 en 4.2 (gemiddeld 2.7). Terwijl de jongen opgroeien om “vliegvlug” te worden, ruien de ouders. De kuikens zijn met 50-60 dagen vliegvlug en blijven vaak tot het einde van hun eerste winter bij de ouders (Cramp & Simmons, 1977).

Predatoren:

vos met gevangen nog levende grauwe gansDe Grauwe Gans heeft wat gevaren betreft nog heel wat van zijn omgeving te duchten. In Nederland is de Vos (Vulpes vulpes) de belangrijkste predator (Schekkerman et al., 2000). Andere predatoren zijn Zwarte Kraai (Corvus corone), grote meeuwen, Bunzing (Mustela putorius) en Steenmarter (Martes foina), maar het is twijfelachtig of zij op meer dan zeer lokale schaal een grote invloed kunnen hebben op het broedsucces.

Trekgedrag:

Seizoenstrek In Europa worden verschillende populaties Grauwe Ganzen onderscheiden, die elk een eigen broed- en overwinteringgebied kennen, en waartussen weinig uitwisseling van vogels plaatsvindt. De Nederlandse populatie bestaat zowel uit stand- als trekvogels en vormt samen met de Duitse, Poolse en Scandinavische Grauwe Ganzen één populatie. Ze overwinteren in meerderheid in Nederland en Zuidwest-Europa.

Ruitrek (zomer)

Evenals vele andere watervogels verzamelen Grauwe Ganzen zich in de zomer op speciale ruiplaatsen om de slagpenrui door te maken. Ganzen ruien al hun slagpennen tegelijk waardoor ze erg kwetsbaar zijn voor predatoren. Rond half mei verschijnen de eerste trekkende Grauwe Ganzen. Deze ruiers in spé zijn in het noordoosten van het land, op weg naar o.a. de Oostvaardersplassen een opvallend verschijnsel. Kleinere aantallen worden gezien in minder belangrijke ruigebieden. Gebieden die de combinatie van rust, veiligheid (water) en voldoende voedsel kunnen bieden worden in deze ruiperiode gebruikt. In de jaren tachtig groeide de Oostvaardersplassen uit tot de grootste ruiconcentratie in West-Europa, met een maximum van 62.000 Grauwe Ganzen in 1992 (Dubbeldam & Zijlstra, 1996). Volgens aflezingen van gemerkte vogels gaat het vooral om ganzen van oostelijke origine, zoals het oostelijk deel van Duitsland, Polen, Tsjechië en Oostenrijk (Zijlstra et al., 1991). Recent nemen de aantallen ruiers in de Oostvaardersplassen af. Daarbij speelt de ontwikkeling van het eiland Saltholm, in de Øresund tussen Denemarken en Zweden als nieuwe ruiplaats mogelijk een belangrijke rol (Koffijberg et al., 1997). In 1994 ruiden hier 9.100 vogels, voornamelijk afkomstig van Zweedse en Deense broedgebieden (Fox et al., 1995). De rui vindt plaats van mei tot en met juli.

Najaar (winter) trek:

Half augustus begint de najaarstrek met de binnenkomst van ganzen in Noord-Nederland. Uit onderzoek met halsbanden is gebleken dat het hier vrijwel uitsluitend om Noorse vogels gaat. In de eerste helft van oktober nemen de aantallen in Nederland snel toe.

trekkende-winterganzenEr verschijnen dan ook Grauwe Ganzen uit Zweden, Duitsland en Oost-Europa (Voslamber et al., 1993). Het hoogtepunt valt in de meeste jaren in de laatste week van oktober en de eerste week van november. Belangrijkste concentraties zijn in die periode te vinden in de Dollard, omgeving van het Lauwersmeer, in Zuidwest Friesland, de IJsseldelta, Zuidelijk Flevoland en het noordelijk Deltagebied. Vooral in de eerste helft van november vindt vaak massale doortrek plaats. Het Verdronken land van Saeftinge aan de Westerschelde heeft zich gedurende de jaren tachtig ontwikkeld tot een belangrijke overwinteringsplaats.

Vanaf 1990 zit daar ongeveer 50% van de januari-aantallen. Volgens Koffijberg (2003) domineren de eigen broedvogels in september steeds meer, en daalt het aantal noordelijke vogels, met name die uit Noorwegen. Een uitwerking van ringgegevens van Leif Nilsson, Hakon Persson en Arne Follestad bevestigt deze trend. Niet alleen de Noorse vogels, ook die uit Zweden arriveren steeds later in het najaar in Nederland. De Noren blijven steeds langer in Noorwegen/Denemarken pleisteren, terwijl de Zweedse vogels de bietenresten als voedselbron in Zweden hebben ontdekt, en daar nu tot laat in het najaar van de bietenoogst profiteren. Een belangrijk deel van deze vogels overwintert ook niet meer in Zuid-Spanje, maar blijft de winter over in het Deltagebied (Koffijberg, 2003).

Voorjaarstrek:

Rond half februari begint de voorjaarstrek. De sterkste passage vindt eind februari en begin maart plaats, vooral over de regio’s westelijk Noord-Brabant, Utrecht, Flevoland, Friesland en Groningen. De trek houdt hieraan tot eind maart (Witkamp, 2002). De terugkeer naar de broedgebieden wordt als eerste ingezet door de vogels uit het oostelijk deel van Duitsland en Zweden (en waarschijnlijk ook Denemarken), vervolgens die uit Noorwegen. De laatste groepen vertrekken pas in de tweede helft van april (Koffijberg et al.,1997).

Oorzaken toename schade en overlast ganzen.

toenemende overlast en schade van ganzen loopt parallel aan de explosieve groei van de ganzenpopulaties. Het toenemende eiwitrijke voedselaanbod in de landbouw en de talrijke waterrijke rust- en broedgebieden in ons land gecombineerd met de beschermingsmaatregelen voor ganzen zijn belangrijke oorzaken voor de toename van het aantal ganzen in ons land.

De volgende maatregelen (niet uitputtend) beperken momenteel het effectief bestrijden van ganzenschade:

  • Beperkte ontheffingen voor het beheer van de ganzen. (Het opnemen van niet noodzakelijke beperkingen in provinciale ontheffingen en vrijstellingen, zoals onnodige tijdsbeperkingen, het verbod van lokfluit en lokkers, eisen gebruik wildwerende middelen, onnodige beperkingen in ganzensoorten die mogen worden verjaagd met ondersteunend afschot, onnodig arbeidsintensieve administratieve eisen etc).
  • Het niet (laten) beheren van standganzen door terreinbeherende organisaties (TBO’s) in gebieden vallende onder de vogel- en habitatrichtlijnen. In het overgrote deel van de natuurgebieden, die niet onder dit regime vallen, maken de terreinbeherende organisaties ons inziens onvoldoende gebruik van ontheffingen, waardoor in de natuurgebieden levende populaties aanzienlijk groeien.
  • Het verder ontwikkelen van nieuwe ‘natte natuur’ in kwetsbare agrarische gebieden, waardoor nieuwe broed- en rustgelegenheid voor ganzen worden gecreëerd.
  • Het beschermen van ganzenpopulaties in natte natuurgebieden zonder voldoende foerageermogelijkheid in het gebied zelf aan te leggen, waardoor ganzen noodgedwongen ‘de boer op gaan’.
  • De indruk bestaat dat soms provincies maar zeker de TBO’s terughoudend zijn met het verlenen van ontheffingen of toestemmingen grondgebruiker voor schadebestrijding, omdat het vergoeden van de ganzenschade niet ten laste komt van de provinciale middelen of dat de TBO’s zich niet verantwoordelijk voelen.
  • Het handhaven van bepaalde voor ganzen onaantrekkelijke maar kostbare foerageergebieden, waardoor fondsen voor nieuwe aaneengesloten (zonder witte vlekken) opvanggebieden elders verloren gaan.
  • Het ontbreken van een gecoördineerde aanpak van alle betrokken partijen.

Persoonlijkheid van ganzen bepaalt foerageergedrag

Grauwe-gans-wikimedia

Trage, verlegen brandganzen laten zich bij het voedsel zoeken leiden door informatie van soortgenoten. Vlotte, dappere ganzen negeren daarentegen zulke informatie en gaan zelfstandig op verkenning om voedselbronnen op te sporen. Het gebruik van sociale informatie – van soortgenoten – is bij brandganzen afhankelijk van hun persoonlijkheid, concluderen Wageningse ecologen met collega’s van het NIOO in het tijdschrift Ecology Letters.

De onderzoekers van Wageningen Universiteit en het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW) bepaalden de persoonlijkheid van de brandganzen door te kijken hoe ze reageren op een voor hen onbekend voorwerp, zoals een stuk tapijt. Sommige ganzen blijken direct en zonder angst (‘dapper’) toe te stappen op het voorwerp, terwijl andere ganzen juist langzaam en omzichtig (‘verlegen’) het onbekende voorwerp bejegenen.

Experiment

Om te achterhalen of en hoe brandganzen sociale informatie gebruiken zette het onderzoeksteam een experiment op. Zowel ‘dappere’ als ‘verlegen’ ganzen kregen ieder afzonderlijk de gelegenheid om gedurende anderhalve minuut te kijken naar twee groepjes brandganzen. De ene groep ganzen kreeg geen voedsel aangeboden, de andere groep wel. Door het verschil in voedselaanbod was het gedrag van deze groepjes ganzen verschillend. Dit gedragsverschil, zichtbaar voor de toekijkende gans, is een bron van sociale informatie over het voedselaanbod. De gans mocht na een periode van toekijken beslissen naar welke groep het dier toe ging. Daarbij kon de gans alleen voedsel vinden aan die zijde waar de geobserveerde ganzen voedsel hadden gekregen.

Persoonlijkheid

Het blijkt dat alleen de verlegen dieren zich voegen bij de groep die aan het eten is, terwijl de dappere dieren de sociale informatie negeren en zelf op onderzoek uitgaan. De persoonlijkheid van de ganzen is doorslaggevend of ganzen wel of niet gebruikmaken van sociale informatie. In een vervolgexperiment testten de onderzoekers of de verlegen ganzen gebruik blijven maken van de informatie als die niet meer klopt. Wederom waren er twee groepjes, met en zonder voedsel. Deze keer echter was het voedsel voor de toekijkende gans te vinden aan de kant waar de ganzen geen eten hadden gekregen.

Informatie genegeerd

De onderzoekers zagen hoe de ganzen zich de eerste paar keren bij de groep voegden die ze zagen eten. Na een aantal keren besloten de ganzen om dit niet meer te doen omdat de sociale informatie die de geobserveerde ganzen leverden niet meer klopte met de locatie van het voedsel. De verlegen ganzen leerden dus dat de sociale informatie niet meer klopte en besloten om deze informatie niet meer te volgen bij het kiezen van een groep. De dappere ganzen gebruikten de informatie sowieso niet en lieten zich dan ook niet foppen door verkeerde informatie.

Rol bij verspreiding van populaties

De gedragsstudie toont aan dat persoonlijkheid een belangrijke rol speelt in het gebruik van sociale informatie. Dit heeft gevolgen voor de ruimtelijke verspreiding van populaties in soorten waarbij het gebruik van sociale informatie een rol speelt, zoals bij het kiezen van een landingsplek. Tot nu toe wordt er namelijk van uit gegaan dat elk individu een gelijke kans heeft om gebruik te maken van informatie van soortgenoten. De Wageningse studie toont aan dat persoonlijkheid een rol speelt bij het gebruik van deze informatie en dus voor de ruimtelijke verspreiding van verschillende persoonlijkheden in een populatie.

(bron: Wageningen UR, 19/05/2010)

Instandhouding/ontwikkeling:

De Grauwe Gans neemt vermoedelijk in de nabije toekomst verder toe. De Grauwe Gans wordt gerekend de ‘weinig kwetsbare soorten. Het broeden in natuurgebieden vervult een belangrijke rol in die levensgemeenschappen doordat de ganzen het gebied open houden.

Status in Nederland:

  • Beschermde inheemse diersoort.
  • Geplaatst op de provinciale vrijstellingslijst in bepaalde provincies voor grondgebruikers voor opzettelijk verontrusten in de gehele provincie op schadegevoelige percelen, met uitzondering van gebieden waarvoor een gedoogovereenkomst is afgesloten.

Schadebeeld:

Teelt Schade Periode Opmerkingen

Schade gevoelige Landbouwgewassen

Granen Vraat Vertrapping Bevuiling Gehele jaar
Aardappelen Vraat Gehele jaar
Suiker- & Voederbieten Vraat Gehele jaar
Maïs Vraat Kiemperiode Incidenteel vertrapping
Peulvruchten Vraat Incidenteel
Winterwortelen Vraat Incidenteel
Grasland (Overjarig) Vraat Vertrapping Bevuiling Gehele jaar
Graszaad / Inzaai / Zoden Vraat Vertrapping Bevuiling Gehele jaar
Riet & Biezen Vraat Lokaal soms grote schade

Schadepreventie : Alle mogelijke middelen volgens Handreiking Faunaschade van Faunafonds.

Schadebeperkende maatregelen

De mate waarin verschillende maatregelen effectief zijn, hangt sterk af van de situatie waarin ze worden toegepast. Daarnaast zijn niet alle maatregelen overal even goed toepasbaar en mogen de bijeffecten van de maatregelen niet te grote gevolgen hebben voor andere natuurdoelstellingen in een gebied. Bijvoorbeeld het ongeschikt maken van opgroeigebieden door het laten fluctueren van de waterstand of het maaien van riet moet wel gebeuren zonder nadelige gevolgen voor andere broedvogels. Het is dus aan de provincies en faunabeheereenheden om per gebied de optimale combinatie van maatregelen te treffen. De hier gepresenteerde beschrijving van de maatregelen en de daarbij gepresenteerde algemeenheden dienen als hulpmiddel tijdens de discussie over de te hanteren aanpak in een gebied. De uiteindelijke keuze voor maatregelen ligt echter bij de provincies en faunabeheereenheden.

Afschot kan op twee manieren plaats vinden.

Op de schadepercelen dient altijd afschot mogelijk te zijn als ondersteuning van verjaging en weren. Zoals hierboven aangegeven is het daarbij wel van belang dat de ganzen ergens anders heen kunnen om te foerageren.

Afschot op gevoelige percelen, bijvoorbeeld in combinatie met opvanggebieden voor niet-broedende vogels kan het lerend vermogen van de ganzen aanspreken. Daarnaast kan afschot als middel worden ingezet om de populatie te verkleinen.

Afschot van ganzen als populatiebeperkende maatregel is alleen effectief indien een groot aandeel van de populatie jaarlijks wordt geschoten. In grote populaties blijkt afschot tot op heden nauwelijks enig resultaat op te leveren. In kleinere populaties en bij nieuwe vestigingen is het effect van afschot groter, mits dit op een intensieve en consequente manier uitgevoerd wordt.

Vangen-brandganzenHet vangen en afmaken van ruiende ganzen is voor sommige soorten een doelgerichte methode om populaties te verkleinen, deze methode kan met name uitkomst bieden in situaties waarin met alleen afschot niet de benodigde aantallen ganzen geschoten kunnen worden. Soepganzen, Canadese ganzen en brandganzen (buiten de kerngebieden) kunnen gemakkelijk worden gevangen. Grauwe ganzen echter laten zich veel moeilijker bijeen drijven. Het verplaatsen van ganzen wordt met klem afgeraden omdat dit het probleem letterlijk verplaatst en tot uitbreiding van de populatie kan leiden. Bovendien is het weinig effectief omdat veel volwassen vogels het volgende broedseizoen zullen terugkeren naar de oorspronkelijke plaats.

Het rapen, schudden, prikken of anderszins onklaar maken van eieren is zelden effectief in grote populaties vanwege dichtheidsafhankelijke regulatie. Omdat nooit alle nesten worden gevonden komt een deel van de eieren toch uit en bereikt het overgrote deel van deze kuikens de vliegvlugge leeftijd. Deze vorm van populatiebeperking wordt daarom sterk afgeraden in grote populaties. De maatregel is wel toepasbaar in kleine, geïsoleerde populaties en bij nieuwe vestigingen. In kleine populaties dient dit echter altijd te geschieden in combinatie met duurzame methoden zoals bijvoorbeeld beheer van opgroeigebieden, afrastering en opvanggebieden voor niet-broedvogels. Op zichzelf biedt de maatregel op de lange termijn geen soelaas omdat ze altijd dient te worden volgehouden. Als “duwtje in de rug” kan het wel lonend zijn in populaties waar ook andere maatregelen worden toegepast. Waar nieuwe vestigingen van ganzen worden geconstateerd in gebieden waar dit ongewenst is, kunnen de eieren van alle gevonden nesten worden geraapt om zo vestiging tegen te gaan. Bij de grauwe gans echter is de Nederlandse populatie dermate groot dat op de lange duur nieuwe vestigingen in potentieel geschikte gebieden moeilijk kunnen worden voorkomen. In deze gebieden dient daarom al vroeg rekening te worden gehouden met broedende ganzen.

grauwe-gans-met-pullen-1Opgroeigebieden spelen een belangrijke rol binnen ganzenpopulaties. Het zijn de gebieden waar de ganzen met hun kleine jongen grazen. Geschikt opgroeigebied bestaat uit kortbegraasd, eiwitrijk grasland en ligt vrijwel altijd dichtbij water zodat de ganzen bij gevaar snel een goed heenkomen kunnen vinden. Soms worden percelen bemest grasland of zelfs percelen met graan gebruikt als opgroeigebied.

De hoeveelheid en de kwaliteit van het voedsel bepaalt hoeveel jongen uiteindelijk groot zullen worden. Dat bepaalt op zijn beurt de groeisnelheid en de uiteindelijke omvang van de populatie. Ingrijpen in het opgroeigebied betekent daarom ingrijpen in de populatieomvang.

cf2d459240381aa08a8413f9f89c8805-635x358Opgroeigebied kan minder geschikt worden gemaakt door het te verschralen of het te laten verruigen, waardoor de voedselrijkdom afneemt. Om ervoor te zorgen dat de ganzen niet uitwijken naar andere gebieden kan opgroeigebied afgeschermd worden door middel van rasters. Daar waar in het geheel niet gewenst is dat de ganzen een opgroeigebied gebruiken (grasland of graan) kan dit middels rasters worden afgeschermd.

Er bestaan veel methoden om groepen foeragerende ganzen van de schadegevoelige percelen te verjagen of te weren. Nieuwe methoden worden continu verzonnen, omdat de bekende verjaagmethoden snel tot gewenning leiden, hetgeen met name geldt voor vlaggen en linten. Een uitgebreide lijst met mogelijke verjaagmethoden wordt beschreven in het handreiking faunaschade van het Faunafonds 2009. Ganzen wennen echter snel aan werende middelen zodra ze begrijpen dat deze niet bedreigend zijn. Verjagen en weren is daarom vrijwel uitsluitend effectief in combinatie met afschot. Verjagen en weren zonder een goed alternatief waar de ganzen naar kunnen uitwijken is vrijwel zinloos. Verjaging is met name zinvol in combinatie met de beschikbaarheid van voldoende rust en voedsel op plaatsen waar geen schade optreedt.

Preventieve maatregelen t.b.v Ganzen 

  • Vogelverschrikkers
  • Vlaggen
  • Knalapparaten
  • Holografische strips,
  • Opblaasbare vogelverschrikkers (“scaryman”)
  • Het produceren van geluiden als angstkreten
  • Nabootsing roofvogels,
  • Ballonnen
  • Regelmatige verontrusting (verjaging/verstoringen,het actief verjagen van groepen ganzen door het veld in te rennen of te rijden)
  • Vogelafweerpistool
  • Spannen draden
  • Het gebruik van laserlichtstralen
  • Afschot
  • Beheer maatregelen
    • Regulering d.m.v. afschot,
    • Schudden eieren
    • Koppelvormende paren in februari bejagen
    • In de ruiperiode vangen en vergassen, waarna deze voor de consumptie gebruikt worden.

Aanleiding bestrijding:

het voorkomen van landbouwschade en schade aan de fauna in de natuurgebieden en de veiligheid van het vliegverkeer vooral rond de vliegvelden zoals Schiphol.

De grondgebruikers dienen dan ook voor de nieuw ingezaaide percelen tarwe en gras voorzorgmaatregelen te nemen, met het plaatsen van stokken met plastic stroken en vlaggen. zie hiervoor de beschermde maatregelen in “Handreiking Faunaschade”

Ontheffingenbeleid provincie Limburg:

Ontheffing op voorhand voor overwinterende ganzen.

De verlening van de ontheffing op voorhand zal plaatsvinden aan de faunabeheereenheid waar in het recente verleden (2000-2002) belangrijke schade door winterganzen is vastgesteld. Dit blijkt uit de gegevens van het Faunafonds die deze gebieden op basis van driecijferig postcodegebieden in kaart heeft gebracht. De WBE’n die deze postcodegebieden binnen hun werkgebied hebben liggen kunnen op voorhand toestemming van de FBE krijgen om deze ontheffing te gebruiken.

Wanneer geen ontheffing op voorhand?

WBE’n die volgens het Faunafonds uit het recente verleden geen belangrijke schadeverleden kennen, krijgen de ontheffing niet op voorhand doorgeschreven. Indien zij onverhoopt worden geconfronteerd met een belangrijke schade aan de genoemde percelen akkerbouwgewassen, vollegronds groenteteelt en/of nieuw ingezaaid grasland kunnen zij dit (terstond) melden bij de FBE en het gebruik van de ontheffing ook aanvragen. De FBE zal dan aan de provincie toestemming vragen om aan deze WBE de ontheffing door te kunnen geven. De provincie kan dan desgewenst eerst een onderzoek instellen naar de noodzaak van deze ontheffing.

Overeenkomst Ganzen 7 en IPO vervallen

Provincies en de natuur- en landbouworganisaties constateren dat de schade aan landbouw en natuur door standganzen in de zomer te groot wordt. De populatie groeit omdat steeds meer ganzen in de zomer niet meer wegtrekken, maar in Nederland blijven broeden. Als er nu niets aan wordt gedaan, dan blijft de schade toenemen. Dit blijkt uit onderzoek van het CLM, een onafhankelijk kennis- en adviesbureau op het gebied van landbouw, voedsel, natuur en milieu. Voor alle organisaties was het een akkoord van geven en nemen. Daar staat tegenover dat er nu van een brede landelijke aanpak geen sprake meer is. Nu moet weer op provinciaal niveau het ganzenbeleid worden afgesproken. Belangrijk is dat het IPO toch gaat proberen om het beleid te coördineren om zodoende een zoveel mogelijk op de streek aangepast beleid te krijgen.

Belangrijke uitgangspunten dienen daarbij te zijn, dat er een goede verhouding gaat ontstaan tussen de aanwezige overzomerende en overwinterende populaties en de schade die gaat ontstaan aan zowel de landbouw, aanwezige fauna en de veiligheid van het vliegverkeer.

Concreet zou dit kunnen betekenen dat:

  • het terugdringen van schade tot het acceptabel niveau van 2005, het gehele jaar door dus ook de overwinteraars vanaf 1 jan t/m 15 febr met een ontheffing als maatwerk op perceelniveau;
  • Zo ruim mogelijke vrijstelling of ontheffingen en zolang te stand niet op een acceptabel niveau is dienen alle schade aan de landbouw 100% vergoed te worden, indien er sprake is van een provinciale vrijstelling.
  • het planmatig reduceren van de populatie standganzen tot een acceptabel niveau; en
  • het planmatig wegnemen van populaties exoten en gedomesticeerde ganzen.

Hierdoor zal:

  • op termijn de noodzaak tot populatiereductie voor beheer en schadebestrijding sterk verminderen;
  • het schudden van eieren na 5 jaar niet meer worden toegepast;
  • en wordt voldaan aan de door Nederland aangegane internationale verplichtingen voor trekganzen en in Nederland aanwezige trekganzen.

Beleid voor trekganzen (overwinterende)

  • (Winter)rust voor de overwinteraars van 1 januari t/m 15 februari om zich op te vetten voor de terugreis, daar dit essentieel is voor de duurzame instandhouding van de trekganzenpopulatie.Door het bieden van deze rust voldoen provincies aan de Europeesrechtelijke verplichtingen voor bescherming van deze ganzensoorten.
  • In de winterperiode is, behoudens verjaging met ondersteunend afschot ter bescherming van kwetsbare gewassen, op perceelsniveau toegestaan en zijn verjagingsinspanningen niet verplicht voor het in aanmerking komen voor schadevergoeding. Overjarig grasland wordt voor deze regeling dient ook beschouwd te worden als kwetsbaar gewas.
  • Exoten mogen met alle wettelijk toegestane middelen worden bestreden.
  • Jacht, beheer en schadebestrijding (inclusief exotenbestrijding) toe te staan wanneer de trekganzen niet worden verontrust.
  • Beheer van afzonderlijke niet gemengde populaties standganzen, na besluitvorming in de Fbe (bv het Maasplassenbeheer in Limburg),vast te stellen d.m.v. de voorjaar en zommertellingen, aan de hand van maximale draagkracht getallen voor het gebied.
  • Hoe ziet de toekomstige opvang van niet bedreigde ganzensoorten in de winter er uit?

Wat zijn eigenlijk de afgesproken aantallen op EU niveau voor opvang in de winter ?

Soort

2013

2018–

NL/Eu plicht

extra opvang!

Kolgans

825.000

825.000

218.000

607.000

Grauwe gans

611.675

1.062.533

86.000

976.533

Brandgans

694.284

1.108.379

140.000

968.379

(NB: Alle Alle Toendra-, Kleine Riet- & Rotganzen: wegens afname of aantal voor 100% beschermd.) Extra Saldo: Onverplichte opvang 2.551.912 onbedreigde ganzen in Nederland in de winter!!!

Recepten gans

Ganzenborst-filetsVoor heerlijke en eenvoudige recepten gans zie dan het recept van Liet dat heerlijk smaakt,    vooral met wortelen stamppot, smakelijk eten.

Recept-ganzenhaché-door-Liet of bezoek de website: http://www.clm.nl/publicaties/data/brochureganzenbord.pdf

 

Reageren is niet mogelijk