Nijlgans

Nijlgans met kuikens

Sinds het einde van de jaren 1960 is de nijlgans in Nederland langzamerhand een gewone verschijning geworden. Enkele ontsnapte vogels wisten zich hier prima te handhaven. Inmiddels is de nijlgans niet meer weg te slaan uit Nederlandse natuur- en weidegebieden. Vogelkenners waren in eerste instantie erg bang dat de nijlgans zou concurreren met inheemse soorten. Dat gebeurt wel, maar in tamelijk beperkte mate. Nijlganzen komen oorspronkelijk uit Egypte (langs de Nijl), en Afrika ten zuiden van de Sahara. Toch weten ze zich hier uitstekend te handhaven. De aantallen nemen nog altijd sterk toe; elk jaar produceert ieder paar gemiddeld 4,3 nieuwe nijlganzen.

Algemeen

Overige namen Egyptian Goose , Alopochen aegyptiacus OrdeAnseriformesFamilieEenden (Anatidae)StatusJaarvogel. Broedvogel in vrij klein aantal; wintervogel in vrij groot aantalEuropese verspreiding2.200 jaar voor het begin van de jaartelling werd al melding gemaakt van het voorkomen van nijlganzen in Egypte. Tot het jaar 1967 was dat het voornaamste leefgebied van de nijlgans. Nijlganzen werden wel al toegevoegd aan vogelhouderijen buiten Egypte. Daaruit zijn exemplaren ontsnapt die de basis vormen voor populaties elders. Heden ten dage zijn enkele stipjes op de verspreidingskaart van de nijlgans in Europa te zien: in Engeland, België en in Nederland. De populatie in Engeland neemt slechts vrij langzaam in aantal toe. De Belgische en Nederlande populatie lijkt exposief te groeien.

Ook als jachtvogel krijgt de Nijlgans aanzienlijke meer betekenis.

Nijlgans-wikimedianijlgans

Nijlgans (Alopochen aegyptiacus, en ook wel vosgans genoemd) is een blijvertje.

Nijlganzen zijn vaal grijsbruin gekleurd met roodbruine bovendelen. Op de borst zit een donkere vlek en de kop en hals zijn lichter, met een donkere vlek rondom het oog. De vleugels zijn opvallend getekend met een groenglanzend en een groot wit vlak.

  • Formaat/ lengte: 63 – 73 cm.
  • Snavel: Rose met zwarte ‘omlijsting’
  • Poten: rozerood
  • Gewicht: rond de 2 kg

Overal in het land kunnen paartjes Nijlgansen worden waargenomen. Buiten broedtijd leven ze ook in troepen, van rond een dozijn vogels tot en met grote concentraties. Wie bijvoorbeeld langs de maasplassen in Midden Limburg fietst, ziet in de weilanden en op de plassen soms honderden Nijlgansen en verbasterde Grauwe ganzen bij elkaar zitten. In veel stadsparken en singels zitten Nijlgansen. Ze zijn verspreid over het gehele land, in feite over heel Europa.

Uit aflezingen van de individueel geringde vogels blijkt dat Nederlandse Nijlganzen uitwisseling vertonen met populaties in omringende landen. Eenmaal gevestigde broedvogels zijn in het algemeen trouw aan hun broedplaats. Jonge vogels kunnen tot op 100 km afstand van de geboorteplek gaan broeden. Dit zijn vooral de mannetjes, de vrouwtjes komen veelal terug nabij de geboorteplaats. De jaarlijkse overleving van Nijlganzen ligt met ruim 80% in dezelfde orde van grootte als die van andere (bejaagbare) ganzensoorten.

Biotoop:

Park en tuin, plassen, rivieren, weilanden (uitgestrekt)

Voedsel- en broedbiotoop

De nijlgans broedt in bomen, in grote nesten van andere vogels, in de vork van boomstammen, of tussen dichte vegetatie. Het nest wordt gemaakt met takken en twijgen van de vegetatie om het nest, gevoerd met wat donsveren en enkele veren.

Voedsel:

Foerageert in families of losse groepen voornamelijk gras, maar ook mais en peulvruchten.

  • Broedperiode: Vanaf begin mei
  • Aantal legsels:  Eén legsel per jaar
  • Aantal eieren: 5-8, soms 9-10

Goede overlevers

Ondanks de afkomst uit zeer warme streken, blijkt de Nijlgans zeer goed te gedijen in ons redelijk milde klimaat. Ze overleven zelfs de strengste winters, voor zover deze tenminste nog voorkomen. De voortplanting verloopt eveneens voorspoedig. Het vrouwtje legt tussen de zes en acht eieren. De pullen brengen het vrijwel altijd alle tot volledige wasdom; de Nijlgansouders beschermen hen met een aan fanatisme grenzende agressie. Agressie is trouwens toch het handelsmerk van de Nijlgans. Ze “kraken” nesten van andere watervogels en zelfs van kraaien in hoge bomen zijn voor hun geen probleem. Dit jaar heb ik zelf waargenomen dat zij een nest waar de havik al jaren broedde hebben gekraakt en de havik is moeten verhuizen, dat wil wat zeggen hoe sterk en brutaal ze zijn. Ik heb zelf waargenomen dat ze in een hoge boom +/- 20 meter hoog broeden. De pullen laten zich gewoon omlaag vallen en overleven dit zonder verwondingen. Veel nesten van de inheemse Grauwe Ganzen worden het liefste gekraakt en ze jagen de oorspronkelijk bewoners op de vlucht. Eenden eDe nijlgans n meerkoeten, toch ook geen lieverdjes, worden zonder pardon aangevallen. Pullen van ander eend- en gansachtigen zijn evenmin veilig. Nijlgansen hakken met hun sterke snavels op de jonge vogels in, net zo lang totdat ze verdrinken. Het zijn ware killers, vooral in broedtijd en in de periode dat ze zelf kuikens hebben. Daarbuiten worden ze wel eens in gezelschap van andere ganzensoorten gezien.

De Nijlgans wordt nu ook als diersoort belangrijker als wildsoort voor de consumptie. De vogel kan worden bejaagd op grond van de Artikel 67 en 68 van de Flora- en faunawet en artikel 4 van het daaraan gekoppelde Besluit beheer en schadebestrijding dieren, tenminste als Gedeputeerde Staten van de provincies daartoe een zogeheten “aanwijzing” geven. Artikel 67 is te vergelijken met artikel 54 van de voormalige Jachtwet. Dit houdt in dat de Nijlgans het gehele jaar met het geweer bejaagd mag worden, uiteraard door de houders van een jachtakte, op terreinen die voldoen aan de eisen die aan jachtvelden worden gesteld. Maar nogmaals: het mag alleen als er een provinciale aanwijzing is zoals deze ook in Limburg is afgegeven aanwijzing artikel 67 provincie Limburg juli 2005.

De Jacht

Aanleiding bestrijding: artikel 67 FF-wet en bijlage 2 AMVB Beheer en Schadebestrijding en aanwijzing artikel 67 provincie Limburg juli 2005 voorkomen van landbouwschade en bescherming fauna.

De Jacht op nijlgansen wordt bij ons alleen maar gedaan voor de schade bestrijding en de ganzenbuit geldt meestal als “bijvangst” op een reguliere jachtdag. Is de kans op een Nijlgans louter een toevalstreffer? Dat hoeft niet, er kan ook gericht op ze worden gejaagd. Net als bij veel andere vogelsoorten, vertoont het gedrag van Nijlgansen een redelijk vast patroon. Ze hebben hun favoriete foerageerplaatsen, routes om naar open water te vliegen, plekken waar ze graag rusten, en zo meer. Wie dat patroon ontdekt en doorziet, kan “op de trek” gaan staan. Daarbij kunnen reeds geschoten Nijlgansen, al is het er maar één, uitstekend als lokker dienen. Leg de geschoten vogel(s) met gespreide vleugels, zodat de witte vleugeldelen goed zichtbaar zijn, op het land of het gras en de kans is groot dat de overvliegende ganzen er op trekken. De jager moet zich daarbij wel goed weghouden, want Nijlgansen zijn soms (niet altijd) bijzonder ril. Dit spel kan ook worden beoefend met plastic lokganzen, waarop met verf of witkalk de witte vleugeldelen zijn gemarkeerd. Hoe krijg je de ganzen op de wieken? Dat is niet zo moeilijk. Het is voldoende dat één “medestander” met een omtrekkende beweging achter de in het weiland rustende vogels langsloopt. Ze zullen dan vanzelf opvliegen, wellicht in de richting van waar de geweren zich met hun lokmiddelen hebben opgesteld. Hoe beter het gedragspatroon van de dieren in het veld wordt doorzien, hoe vaker men ze in de vliegroute zal kunnen bejagen.

nijlgans-in-vlucht-800x198

Voor Nijlgansen geldt het credo “schiet niet als je niet zeker weet dat je een dodelijk schot kunt afgeven” met stip. Het zijn harde vogels, met een zeer dicht verenpak. Eigenlijk is het enige goede schot een kopschot. Dat kan en mag overigens ook met de .22 kogelbuks. In sommige gevallen is het mogelijk de dieren met zo’n buks aan te bersen en met een kopschot te pakken. In dit geval liggen schoten met een afstand van maximaal circa 100 meter binnen het bereik, tegen maximaal 30 meter bij schoten met hagelgeweren.

Aangeschoten Nijlgansen hebben de neiging om naar het dichtstbijzijnde open water te trekken. Daar kunnen ze vaak alsnog worden bemachtigd.

Wildbraad

De jager, die thuiskomt met een geschoten Nijlgans, mag met reden hartelijk worden begroet. De borstfilets van deze vogels vormen fijn wildbraad en zijn uitgesproken lekker van smaak. Het beste is om ze als dikke biefstukken te behandelen: aanschroeien in uitgebruiste boter en dan nog een paar keer om en om in de pan. Reken op tussen zes tot negen minuten per kant. De binnenkant moet rosé blijven. Het vlees is dicht van structuur, reden waarom het evenmin een slecht idee is om de borstdelen in twee dunnere plakken te snijden en deze als biefstuk te bakken. Combineer het vlees met een saus en/of bijgerecht waarin vooral vruchten een rol spelen: bessen, frambozen, vlierbessen, appels, sinaasappels, pruimen, abrikozen. De borstfilets kunnen ook heel goed worden gerookt. Tevens kunnen ze prima als suddervlees worden bereid. In blokken snijden 24 uur onder dompelen en laten marineren in botermelk,  dan met peper en zout er op, even door de bloem, aanbakken, runderbouillon of een Belgisch biertje plus kruiden (laurier, peper, jeneverbes) erbij, en dan een 3 uur lang laten sudderen op het allerlaagste pitje, heelijk met wortelenstampot.

In navolging van Nijlgansen worden de laatste tijd ook steeds meer Canadese ganzen en Casarca eenden gesignaleerd in het vrije veld, zeer waarschijnlijk ook afkomstig uit particuliere vogelcollecties. Deze dieren voelen zich hier eveneens kennelijk goed thuis, en planten zich voort. Er is ook al een broedgeval bekend van een paartje bestaande uit een Canadese gans en een Grauwe gans…

Print Friendly, PDF & Email

Reageren is niet mogelijk