Muntjak

De muntjak is een invasieve exoot die in Engeland sinds enkele decennia zowel economische als ecologische schade aanricht. De soort heeft zich in dat land definitief gevestigd. Ook uit Ierland, Noord-Ierland en België zijn waarnemingen bekend. In Nederland is de soort in 1997 voor het eerst waargenomen. Het aantal waarnemingen in de Achterhoek en op de Veluwe is na een opleving begin van deze eeuw weer afgenomen. Hoewel de smuntjak bokoort in Zuidoost-Brabant recent niet meer is waargenomen, komt de muntjak hier mogelijk nog in klein aantal voor.

Het risico van binnenkomst uit België, waar het aantal waarnemingen de laatste jaren juist oploopt, is zeker aanwezig; dit lijkt thans de belangrijkste pathway voor binnenkomst. Bewuste herintroductie kan niet worden uitgesloten, maar er zijn geen concrete aanwijzingen dat hier in Nederland (na 2005) sprake van is. De kans op ontsnappingen uit dierentuinen is nihil, gezien de wijze van houden en de geldende protocollen bij ontsnapping. De muntjak heeft zich in Nederland nog niet definitief gevestigd, er is geen bewijs dat de soort zich in Nederland in het wild voortplant. Geschikt habitat is in Nederland echter in ruime mate aanwezig. Dit ligt met name op de Veluwe, in Noord-Brabant, op de Utrechtse Heuvelrug en in de Achterhoek.

Uitgaande van introductie in 1997 in Nederland, zou afgaande op ervaringen in Engeland theoretisch gezien vanaf 2017 sprake kunnen zijn van een snelle aantalstoename, resulterende in het bereiken van een maximale populatiedichtheid in 2022. Het feit dat het aantal waarnemingen vanaf 1997 nog zeer gering is en af lijkt te nemen, betekent niet dat de soort zich lokaal niet ongezien heeft kunnen handhaven. Op basis van de actuele waarnemingen lijkt het risico op verdere verspreiding in de komende 10 jaar het grootst in (het zuidoosten van) Noord-Brabant. In Engeland is met name bij hoge dichtheden van de muntjak sprake van schade aan bosbouw en boomkwekerijen en in natuurlijke bossen heeft de soort een merkbaar schadelijk effect op de verjonging. Daarnaast is sprake van (geringe) schade aan landbouwgewassen en (veel) schade aan tuinen.

De soort komt in Engeland ook in stedelijke (rand)gebieden voor. Verkeersaanvaringen zijn in Engeland een toenemend probleem. Ecologische schade betreft schade aan (zeldzame soorten) bodemflora en aantasting van het habitat van nachtegaal en andere bosvogels. Het ree ondervindt voedselconcurrentie en neemt lokaal in aantal af. Het is niet zonder meer mogelijk deze ervaringen uit Engeland naar Nederland te extrapoleren, maar verwacht wordt dat de muntjak in Nederland in potentie dezelfde schade kan aanrichten. Bij blijvende vestiging en uitgaande van maximale dichtheden is het risico op schade aan de inheemse biodiversiteit hoog (score op het ISEIA-protocol: A). 3

Natuurlijke verspreiding vanuit België is, indien de aantallen muntjaks daar toe blijven nemen, niet te voorkomen. De huidige strenge wetgeving (handel- en bezitverbod) in Nederland lijkt een belangrijke rol te spelen bij het voorkomen van definitieve vestiging. Als preventieve maatregelen zijn gerichte voorlichting en blijvende monitoring van belang. Indien de soort zich blijvend vestigt, dienen populaties op eenzelfde wijze te worden beheerd als het ree, om schade te voorkomen of te beperken.

In Engeland vindt populatiebeheer plaats, waarbij door jaarlijks afschot van 30% van de populatie de soort stabiel wordt gehouden. Vossenafschot vermindert de potentiële predatie van kalfjes, zodat muntjak-populaties kunnen groeien. Om bij vestiging schade aan landbouwgewassen en tuinplanten te voorkomen zijn hoge, fijnmazige hekwerken nodig. Om definitieve vestiging te voorkomen, dienen muntjaks structureel te worden gevangen of afgeschoten. Beide maatregelen hebben met name in de vestigingsfase met lage dichtheden het meeste effect en kunnen leiden tot volledige eliminatie.

BIOLOGIE

Uiterlijk De Chinese muntjak (Muntiacus reevesi), is een kleine hertachtige behorende tot de muntjaks.

muntjak geit

Het is een klein dier met een schouderhoogte van 43 tot 52 cm, een kop-romplengte van 80 tot 90 cm en een gewicht van 9 tot 18 kg. Het mannetje is wat steviger gebouwd dan het vrouwtje en weegt gemiddeld zo’n 15 kg. Vrouwtjes wegen gemiddeld 12 kg. De vacht is donkerkleurig roodbruin tot kastanjebruin van kleur met wit aan de kin, keel en romp en een wittige tot gelige buik. De staart is rossig. Vrouwtjes zijn wat lichter van kleur dan mannetjes. In verhouding met andere hertachtigen hebben ze een vrij lange staart van 9 tot 17 cm lengte. Het mannetje heeft een eenvoudig gewei, bestaande uit een enkele stang van zes tot acht centimeter, die naar achteren gericht is. De bovenste hoektanden van het mannetje steken als twee kleine slagtanden naar buiten. Het vrouwtje heeft geen gewei. De oren zijn 7 tot 9 cm lang.

VOORTPLANTING

In Engeland planten muntjaks zich jaarrond voort. Vrouwtjes zijn polyoestrus en hebben een post-partum oestrus (ze worden direct weer vruchtbaar na het werpen van een jong; de cyclus komt weer op gang na 14 dagen mits ze niet weer zwanger zijn). Tot 100% van de vrouwtjes kan op enig moment zwanger zijn. Onder normale omstandigheden kan een vrouwtj20050425_d60_02495 muntjac deer and fawn 2005apr22_07-31-20(r+mb id@576)-2e elke 7 maanden een jong werpen, vanaf 7 maanden (> 10 kg) tot over de 10 jaar. De draagtijd is ook 7 maanden (210 dagen). De zoogtijd duurt circa 12 weken.

De overleving van jongen is erg hoog, maar minder bij nat, koud weer of bij hoge vossendichtheden. De meeste vrouwtjes stoppen met de melkgift als het jong 2 maanden is

LEEFTIJD EN MORALITEIT

De meeste muntjaks in het wild worden gemiddeld 10 jaar en maximaal 14 jaar. In gevangenschap worden muntjaks 16-21 jaar. Voor zijn grootte heeft de muntjak een uitzonderlijk lange levensduur. Het op leeftijd brengen is lastig in veldcondities.

Waar reeënpopulaties neigen naar zelf-regulatie, waarbij over-populatie vaak resulteert in een toename van ziektes en daaraan gerelateerde doodsoorzaken, lijken muntjak-populaties veerkrachtiger. Hun vermogen dichter op elkaar te leven en kleinere territoria te accepteren helpt daarbij. Muntjaks worden niet zwaar getroffen door de extremen in het Engelse weer, maar langdurige koudeperioden kunnen wel voor grotere sterfte zorgen. Als de voedselbeschikbaarheid gering is, brengen de dieren meer tijd rustend door in dekking. De laatste grote sterfte van muntjaks in Engeland was een gevolg van een lange koude periode in 1963. Op sommige locaties stierf 70% van de dieren. Een dikke sneeuwlaag zorgt voor een groot probleem, aangezien ze niet bij het voedsel kunnen komen en vluchten voor honden lastiger is. In deze perioden wordt de vetvoorraad aangesproken. Als deze op is, is er weinig om op terug te vallen en neemt de conditie snel af. Aanvullend voeren is dan zelden effectief; de spijsvertering kan het ruwe voedsel niet aan en dieren worden dan vaak dood gevonden met een volle maag (Smith-Jones, 2004; The Deer Initiative, 2008).

PREDATIE

Geen enkele predator in Engeland of Nederland kan een volwassen muntjak aan. Kalfjes zijn in de eerste weken (zo groot als een konijn) een eenvoudige prooi voor vossen, katten en dassen. Vossen zijn de belangrijkste predator en kunnen zorgen voor sterfte van grote aantallen kalfjes. Honden zijn in het voordeel bij volwassen muntjaks, die geen grote afstanden op hoge snelheid kunnen afleggen. Maar muntjaks kunnen zich wel verdedigen; met name bij jachthonden worden verwondingen van muntjaks gerapporteerd (Smith-Jones, 2004; Chapman, 2008). Harris et al. (1995) schatten dat ondanks een lage vossendichtheid, het totale verlies van kalfjes (tot 2 maanden oud) door predatie opliep tot 47%.

Een belangrijke doodsoorzaak is het verkeer. Grote aantallen sterven jaarlijks op deze wijze (15.000 per jaar, weblink 10), en op basis van onderzoek lijken dit vooral mannetjes. Oorzaken zijn mogelijk territoriaal gedrag en het zoeken naar nieuwe gebieden door jonge dieren (Smith-Jones, 2004).

HABITAT

Het natuurlijke habitat is de ondergroei van bosgebieden. Muntjaks verlaten de dichte vegetatie onder natuurlijke omstandigheden nauwelijks. Het habitat van het muntjak in Engeland bestaat uit dichte gemengde en loofbossen met dichte en gevarieerde lage begroeiing.
De soort kan dicht in de nabijheid van mensen leven, zonder dat deze wordt opgemerkt. Als een prooisoort die alleen korte afstanden op grote snelheid kan afleggen, moet er altijd dichte dekking dichtbij zijn om een snelle aftocht te kunnen garanderen. Muntjaks nemen normaliter weinig risico door in open gebieden te foerageren, behalve ’s nachts. Elk type bos met een dichte ondergroei is geschikt habitat. Braambegroeiingen zijn het meest geschikt als dekking, maar geven ook vrijwel jaarrond voldoende voedsel en beschutting. Naaldhoutaanplant is met name in de eerste jaren geschikt; als de bomen te hoog worden zijn dekking en veiligheid onvoldoende.

Muntjaks prefereren gebieden met een gevarieerde bodemflora. Ze eten de bladeren en bloemen van veel plantensoorten. Door hogere planten te overlopen of om te buigen komen deze binnen bereik. Eigenlijk is elk type dichte dekking voldoende, in stedelijke randgebieden kunnen met name ook rododendrons voldoen, in tuinen en minder beheerde delen van parken (Chapman et al., 1985; Smith-Jones, 2004; The Deer Initiative, 2008).

VOEDSEL

Het voedsel bestaat vooral uit bladeren van struiken (braam, klimop, zaailingen), boomschors, vruchten (appel, braam) en noten (eikels, kastanjes), in het voorjaar aangevuld met grassen en kruiden (Dansie, 1997; Leewis et al., 2013).

Muntjaks zijn erg selectieve eters. De dieren zijn fysiek te klein en hun spijsverteringssysteem is onvoldoende ontwikkeld om grote hoeveelheden ruw voedsel te verteren. Ze vereisen een hoge kwaliteit voedsel dat snel kan worden verteerd. Als een muntjak schijnbaar op gras graast, zoekt hij echter zorgvuldig de jonge plantjes tussen het gras en de aanwezige andere planten. In bossen waar de aantallen te hoog worden, wordt schade aangebracht aan boshyacinth, bosbingelkruid en sleutelbloemen (Chapman et al., 1985; Smith-Jones, 2004).”
Er is wel variatie in voeding vereist; braam voldoet het gehele jaar, en als deze in overvloed aanwezig zijn, kan de maag vrijwel alleen braam bevatten. Klimop wordt ook jaarrond gegeten, tot op de hoogte waarop een muntjak kan komen. Deze tekenen is een goede indicator voor de aanwezigheid van muntjaks en een duidelijk afgetekende hoogte van vraat is een aanwijzing voor een hoge dichtheid van muntjaks. De hoogte  varieert tussen 50 en 90 cm, maar is 20 cm hoger als ze op hun achterpoten staan (wat niet veel gebeurt).

Seizoensaanbod van wilde appels, paddenstoelen, kastanjes en eikels wordt benut, evenals gevallen appels in boomgaarden. Ook notenbomen zijn van belang, zowel vanwege de bladeren als de vruchten. In moestuinen zijn pronkbonen en koolsoorten favoriet, maar ook mais. de muntjaks zijn herkauwers waarvan het voedsel voor minimaal 75 procent uit selectief voedsel bestaat. De selectie die zij eten is een combinatie van plantaardig materiaal dat onder anderen bestaat uit bladeren, twijgjes en fruit. Het verschil tussen gras en het selectieve voedsel wat zij eten, zit voornamelijk in de hoeveelheid celwand, eiwitten, vetten en zetmeel in het voedselopportunist. Gras is alleen van belang in januari en februari, als andere voedselbronnen minder aanwezig zijn. ’s Zomers worden kruidachtigen gegeten. Aanwezigheid van drinkwater is niet van belang; water halen ze uit hun voedsel. Alleen bij hoge temperaturen en droog weer worden muntjaks wel drinkend gezien.

LEEFWIJZE

Sociale structuur

Muntjaks worden meestal alleen gezien, soms in familiegroepjes. Beide sexen zijn territoriaal, vrouwtjes minder dan mannetjes. De dieren blijven binnen hun eigen terrarium die erg klein kan zijn, soms slechts enkele hectaren groot. Kalfjes blijven normaal bij de moeder, tot het volgende kalf wordt geboren. Vanaf dan (7 maanden) zijn ze onafhankelijk. Na afschot worden leeggevallen territoria snel weer ingenomen (The Deer Initiative, 2008). De dichtheid in Engeland is gemiddeld 16/km2 (Chapman et al., 1993). Dit is hoger dan in natuurlijke omstandigheden in Taiwan, waar de dichtheid 9,3/km2 bedroeg (McCullough et al., 2000). Een verklaring hiervoor is dat het habitat in (Zuid-)Engeland meer uniform is dan in Taiwan en meer hoog-kwalitatief voedsel biedt.

Een meerderheid van waarnemingen betreft adulte of subadulte dieren van één geslacht. Waarnemingen en radio-tracking van gemerkte dieren lieten zien dat een mannetje en een vrouwtje vaak samen zijn in opeenvolgende jaren, maar dat dit niet een levenslange band betekent (Chapman, 2008).

VERSPREIDING

Natuurlijke verspreiding vanuit buurlanden. Muntjaks kunnen vanuit hun natuurlijke verspreidingsgebied, Zuidoost Azië, Nederland niet op een natuurlijke wijze bereiken. Ook dieren uit Engeland kunnen Nederland niet op eigen kracht bereiken. In België (met in de laatste jaren een toename van het aantal waarnemingen) en Duitsland (geen waarnemingen) is vooralsnog geen sprake van gevestigde populaties. De Faunabeheereenheid Noord-Brabant heeft het vermoeden dat er instroom vanuit België plaatsvindt (mond. med. Erik Koffeman). Het risico van binnenkomst uit België is derhalve aanwezig.

Print Friendly

Reageren is niet mogelijk