Wild zwijn

Wild zwijn kopjeAlgemeen

In Nederland komen wilde varkens (verzamelnaam ‘zwart wild’) slechts in twee provincies voor: op de Veluwe en in het Meinweg gebied in Limburg. De Veluwse varkensbevolking staat niet in verbinding met andere wilde varkens in Nederland. Er zal zeker wel eens een wild zwijn de IJssel of de Rijn overzwemmen en over onze oostelijke grensgedeelten wisselen wel verdwaalde varkens, maar dat blijven uitzonderingen. De Limburgse varkensstand is onderdeel van een grotere concentratie varkens over de Duitse grens. Het type wijkt enigszins af van dat van het Veluwse varken.

Het wilde zwijn is een imponerend oerwezen, uiterst weerbaar, sterk, spijkerhard, snel en slim, dat zo nodig ogenblikkelijk tot de aanval overgaat. In bijna alle gevallen zal het echter bij een directe ontmoeting met de mens de aftocht blazen of, als zijn radar- scherpe oren en neus hem of haar tijdig hebben gewaarschuwd, geruisloos wegglippen naar veilige dekkingen
Een uitzondering daarop maakt een gewond varken, dat ten allen tijde kan attaqueren.
Een tweede uitzondering vormt een zeug met biggen (vaktaal : een ‘’bache’‘ met ‘’frischlingen ‘’) waarover zo dadelijk.

Het wilde varken behoort tot de oudste en primitiefste eenhoevige op aarde en het heeft het gebit van een alleseter. Het voelt zich op de vlakte, mits er voldoende bos is, even goed thuis als in de bergen, zelfs tot 4000 meter hoogte toe (Azië).

verspreidingsgebied-wilde-zwijnen

Schattingen (op grond van overige waarnemingen in het veld, sporen en meldingen van bijstaande dieren: dieren die gezien zijn terwijl er één uit de groep werd geschoten) liggen in de orde van grootte van tot 2 à 3 maal 350 dieren (het gemiddeld jaarlijks geschoten aantal.

WILD ZWIJN 

Eigenschappen wild zwijn

Levend gewicht geboorte 750-1000 gram
Levend gewicht big ( frisling) 1 – 45 kg
Levend gewicht overloper(1-2 jaar) mannelijk 30-80 kg
Levend gewicht overloper(1-2 jaar) vrouwelijk 25-75 kg
Levend gewicht volwassen dier (1-2 jaar) vrouwelijk 80-160 kg
Levend gewicht volwassen dier (1-2 jaar) mannelijk 75-130 kg
Lengte 80 – 200 cm
Schofthoogte 65 -95 cm
Paartijd ( rauschtijd,bronst) september/april
Leeftijd maximaal 15 jaar, meestal 10 (7 jaar vinden wij al oud)
Draagtijd 3 maanden, 3 weken en 3 dagen (tussen de 115 en 120 dagen)
Aantal jongen 1 -10 biggen
Volwassen dier ( 2 jaar of ouder) mannelijk keiler
Volwassen dier ( 2 jaar of ouder) vrouwelijk Zeug of bagge
Eenjarig vrouwelijk zwijn met biggen Zeug of bagge
Eenjarig zwijn overloper
Jong big of frischling
Leefwijze  in rottes,één rotte bestaat meestal uit een familiegroep
Voedsel van alles: gras (breedbladig), wortels, eikels,beukenoot, tamme kastanjes, insecten, reptielen,slangen,wormen,kevers,reekalveren, vogeltjes, eieren, haver, maïs, tarwe etc.

Biggen: ( Frishlingen)

wildzwijn-met-frishlingenAls de frischlingen ouder dan een paar weken zijn, zullen moeder en kinderen er bij een eventuele ontmoeting met een mens snel vandoor gaan. Maar als haar borelingen nog in het nest liggen, wordt de wandelaar die te dicht in de buurt komt, zonder pardon aangevallen.Als hij geluk heeft kan hij in een boom vluchten, maar lukt dat niet, dan brengt de bache met haar scherpe tanden lelijke en slecht genezende wonden toe.

Het nest, de zogenaamde ‘’ketel‘’, waarin de biggetjes worden geboren en een dag of twaalf verblijven, heeft de bache gemaakt door met haar neus een kuil in de grond te wroeten en deze met varens, bladeren en mos te beleggen. Daarna dekt ze de kuil weer af met achterwaarts bij elkaar gesleepte takken, varens, mos, gras en bladeren, waarbij ze een soort dakstructuur fabriceert door het bouwmateriaal met speeksel aan elkaar te metselen.

Ze laat de ketel naar één kant open en het halfronde brouwsel is klaar. Het lijkt dan op een ouderwets souffleurshokje op een toneel. Het is haast onvoorstelbaar dat ze dat met die zware kop en nauwelijks draaibare hals voor elkaar heeft gekregen.  

Overlopers

Met bereiken van hun tweede levensjaar vanaf april het jaar na het geboortejaar worden de frischlingen ‘overlopers’. Ze zijn van de moeder af gegaan, die inmiddels al weer nieuwe jongen heeft, maar ze blijven onderling toch nog graag bij elkaar, omdat ze nu eenmaal typische gezelligheidsdieren zijn, mede met het oog op de veiligheid. Meer ogen, oren en neuzen zien, horen en ruiken eerder gevaar.
Bovendien kunnen ze dan hun nog aanwezige speelsheid uitleven. Vooral als er sneeuw ligt rennen zich onbespied wanende jonge varkens als kwajongens in die witte wereld achter elkaar aan. Als een van hen onraad merkt, staan ze plotseling allemaal stil, sommige met witte sneeuw proppen op hun neus en opstaande staarten, om er het volgende ogenblik met een krachtig ‘woeff’ vandoor te gaan.

Overlopers

Vrouwelijke overlopers zijn in hun tweede levensjaar altijd drachtig (vaak zelfs al als frishling, je kunt ze nog goed herkennen aan de zwartbruine kleur dus niet geheel zwart).De geoefende jager erkend het vrouwelijk en het mannelijk zwartwild vooral aan de vorm en silhouet.  Een overloper is vooral herkenbaar aan zijn staartlengte , deze zit nog boven de hak (spronggewricht). Er is een begin van haargroei aan de staart, de kwast wordt voller. Overgangslevensfase 10 tot 14 maanden, hierin wisselen van melktanden, het begint met de buitenste snijtanden samen met de haken en geweren van de zeugen en keilers, dit zie je pas als het stuk meestal op het tableau ligt. Overloperkeilers worden in de ouderdom van 16 tot 18 maanden uit de familiegroep gestoten omdat zij niet willen aanpassen aan de strakke hiërarchie van de groep ( rotte) en zij ondernemen extreme trektochten ondernemen van 40 tot 400 kilometer om een eigen territorium te krijgen, hiermee wordt ook inteelt voorkomen. Bij deze verplaatsingen worden vooral deze onervaren dieren relatief vaak geschoten.

Na het tweede levensjaar leven de mannelijke dieren als alleenstaande in een vast territorium en gaan de familiegroepen(rotte) uit de weg. De mannelijke overlopers nemen pas in hun derde levensjaar echt aan de bronst deel. Zij heten dan ‘keilers’, lopen graag alleen of onder begeleiding van een zwakkere keiler de zgn. “adjudant” en groeien met de jaren uit tot zware zwarte solitaire rakkers, die een gewicht van 100 kilo (ontweid) kunnen bereiken, bij een schofthoogte van 85 centimeters en die, als het nodig is, zich muisstil kunnen verplaatsen (Dus het schieten van een “middeloude” 3 tot 5 jaar keiler is wildbiologisch gezien een doodzonde en is eigenlijk niet te rechtvaardigen).

Zeugen wegen gemiddeld 70 kilogram en overlopers rond de 50. In de Karpaten mag men getallen verdubbelen; er zijn daar keilers van rond de 300 kilogram bemachtigd.)

Raustijd

De paringstijd (‘raustijd’, ruwweg van begin november tot eind februari) van wilde zwijnen is een roerige periode, waarin de oudere mannetjes elkaar geducht kunnen toetakelen, hetgeen met veel geschreeuw, geknor en gekraak gepaard gaat. Op de schoft en voorste ribben van de keilers ontwikkelen zich daartoe tussen half november en half januari dikke zwoerdplaten om de zware stoten van de slagtanden (‘houwers’ of  ‘geweren’) van hun rivalen op te vangen. Ondanks dat kunnen ze elkaar behoorlijk bloedende wonden toebrengen, die echter dankzij het zwoerd niet tot longen en hart kunnen doordringen.

Tanden:

MINOLTA DIGITAL CAMERADe onderhoektanden groeien bij de keilers naar boven en naar buiten uit. De bovenhoektanden groeien ook naar boven en naar buiten uit, maar moeten daartoe eerst een U-turn maken. Daarna schuren de onder hoek tanden (de ‘houders’ of “geweren”) langs de bovenhoektanden (de ‘haderers’), zodat zij vlijmscherp blijven.

In het gevecht of bij de aanval op de mens slaat het varken er mee van onder naar boven, waardoor diepe splijtwonden aan benen of onderlijf kunnen ontstaan. De bachen hebben veel kleine houwertjes, maar ook zij kunnen daarmee lelijke blessures veroorzaken. Aan de tanden kan men ook de leeftijd beter bepalen. Visueel kan men het ook aan de staartlengte zien, de haren zijn lang en hangt tot over de hak. Bij keilers zien wij soms wel een staart als een paardenstaart. Ronde ruggen laten ook zien dat de varkens, keiler onder de 5 jaar zijn.

Zie hiervoor de folder ;Leeftijdsbepaling-everzwijn

Voedsel

wilde zwijnen eten allesWilde zwijnen zijn alles eters.

Het voedsel van wilde zwijnen  bestaat voor 90 % uit plantaardig voedsel, waarvan aardappelen, stukken bieten, mais, granen en andere zaden zo’n 40% uitmaken en 36 % uit eikels en gras 9,5% en wortels en knollen 3,5 % , zaden van de beuken en linde 1,4%, vruchten van de bramen en etc 0,3%, Mossoorten 0,1 % en paddestoelen 0,1%. 7,6% van hun voedsel bestaat uit dierlijke eiwitten, waarvan 3,2 % aas bestaat en de rest uit insecten, larven, regenwormen en kikkers.

sleutelrol_wild_zwijnBijzonder opvallend is het als het in de werptijd van de reeën, dat reegeiten die ervaring hebben met wilde zwijnen ook al horen zij deze in de verte direct afspringen, omdat zij blijkbaar het gevaar kennen, die van wilde zwijnen uitgaat. Vooral het nachtelijke gevaar voor de kalveren is bekend, maar zijn er maar weinig waarnemingen waar een reekalf gegrepen wordt door een wild zwijn in het hoge gras omdat dan ook vaak ‘s-nachts gebeurt.

Het wild zwijn is de vijand van het kleinwild!

In gebieden waar veel wilde zwijnen voorkomen kunnen de verliezen bij de reekalveren groot zijn. Verder kunnen de wilde zwijnen voor de pasgeboren hazen en konijnen maar ook de nesten van de bodembroeders worden totaal geplunderd en indien mogelijk ook de broedende vogel vooral gebieden waar het vochtig is en veel watervogels broeden.

Om schade te voorkomen aan de landbouw is het noodzakelijk om plekken te creëren voor de zeugen om een groot deel van het jaar hoogwaardig groenvoer te hebben en hiervan kan het overige wild ook goed profiteren. Deze plekken mogen in een zwartwildbeheergebied niet ontbreken.

De moderne landbouw met de grote arealen maïs zorgt als het ware voor een echte maïsspuit, zodat de zeugen het hele jaar door drachtig kunnen worden.

Wildschweinspuren2

Actieradius 

Hierboven werd al gezegd dat varkens voor hun voedselopname kilometers ver weg gaan, dit is niet  juist. De zeugen vormen goed geordende familiegroepen (rotte) en zijn juist erg trouw aan hun territorium. De leidende Zeug bepaald het gebied waarin ze rond trekken en gaat daarbij uitervaring het gevaar uit de weg ( ze zal wildschade gevoelige plaatsen vermijden, als daar een al frishling geschoten is) Wordt de leidende Zeug geschoten, dan gaat het territorium van de rotte ook verloren en een veel groter gebied wordt dan doorkruist en hierdoor zal ook de wildschade toenemen. Alle zeugen in een intacte rotte sluiten zich aan bij de “rausche” van de leidende zeug en onderdrukken zo de “rausche” van de frishlingzeugen.

Complete familiegroepen bestaan uit zo’n 25 tot 32 dieren, hierna verdelen zich deze familiegroepen zich weer. De verplaatsingen in het territorium geschieden in de nacht of zeer vroege ochtend en late avond, aangezien zij bij uitstek nacht- en schemerdieren zijn. Voor hun omzwervingen maken zij gebruik van vaste wissels, bestaande uit diep of minder diep uitgesleten paadjes, die van dekking naar dekking lopen en die zij in ganzenmars afdraven. Overdag liggen zij graag in dichte dekkingen, in hoge hei of biezenvelden, waarin ze diepe legers hebben uitgeschuurd

Dreigt er gevaar dan kunnen zij geruisloos van de ene kant van zo’n dekkingsvlak naar de andere lopen om te peilen wat de beste plek is om het vak sluipend of in volle galop te verlaten, bijna altijd tegen de wind op of minstens met halve wind.

Zoelen “is werken aan de gezondheid”

zoelplaats_small

Een wild varken kan niet zonder water. Elk slootje, poel of vol geregend karrenspoor is welkom. Als ze de kans krijgen ‘zoele’ ze graag, dat is hun lichaamsverzorging. Ze wentelen zich om en om in de modder, laten die opdrogen en droogt in en beschermt hen tegen insecten en huidparasieten, ze wrijven hun huid daarna tegen boomstammen of -stronken modder korstenvrij, waarbij de opgesloten teken, luizen en vlooien worden vermorzeld. Door de geur die de zwijnen hiermee afgeven aan de schuurboom fungeert die als een soort baken voor de wilde zwijnen, die zich hebben verwijdert en toch steeds weer terugkomen naar de plek waar ze zijn geboren en groot gebracht. Voor vreemde dieren is het een teken er weg te blijven.

Huid 

winterharen-wild-zwijn

De wilde zwijnen hebben een erg dichte vacht in de winter

De winterdos van een wild zwijn bestaat uit een stugge, donkere dichte beharing (de ‘borstels’). Van de kop tot dicht bij de staartbasis loopt op de rug een streep extra lang haar, dat bij woede of schrik rechtop gaat staan, waardoor het varken er nog dreigender uitziet.

Intelligentie en zintuigen

Wilde (en tamme) varkens behoren tot de zeer slimme zoogdieren en ze leren uitermate snel, zoals proeven hebben aangetoond. Een ontsnapt en verwilderd huisvarken is na enkele seizoenen even schuw en uitgekookt als zijn wilde neven, wel iets om over na te denken als men de zich te pletter vervelende slachtvarkens in donkere hokken bekijkt, of nog erger: dieren die met een riem om de borst aan een halve meter ketting worden vetgemest

Zoals gezegd, het reukvermogen en het gehoor van tamme en wilde varkens zijn scherp, even scherp als die van rood- en reewild. Iedereen kent de foto’s van Franse boeren die met een huisvarken aan een touw truffels (ondergrondse paddestoelen) zoeken, die het varken door de aarde heen ruikt. Overigens is het onbegrijpelijk dat een neus die zo scherp is (en blijft) tegelijk kan worden gebruikt om soms tot een decimeter diep de grond om te woelen. Het gezichtsvermogen van het wilde zwijn is matig. Als men met goede wind bewegingloos zit of staat, kan een wild zwijn vlak langs u heen lopen.

Jacht en consumptie 

De sterfte onder de pasgeboren en jonge frischlingen kan tot 20 % bedragen en in strenge en ook natte  winters kan dit zelfs alle daarin geboren frishlingen zijn. Als het zwartwild echter vakkundig wordt beheerd ,vermeerderen wilde varkens snel en probleemloos soms tot 300% per jaar, tenzij er longworm, varkenspest, extreme koude of wat vaak nog dodelijker is, extreme droogte optreden.

Niet beheren leidt tot ongewenste situaties en gericht afschot zorgt er juist voor dat de aantallen en verspreiding van de zwijnen in verhouding staan met de door de maatschappij gewenste situatie en voor de balans onder de wilde zwijnen. Men wil toch niet overal in Nederland wilde zwijnen. Het gaat hierbij vooral om het voedselaanbod en de belangen zoals vermeld in de FF-wet; zoals voorkomen van schade aan de landbouw en flora- en fauna, verkeersveiligheid, gezondheid etc.

Voor wilde zwijnen in de natuur geldt; eten, zorgen voor nageslacht en gegeten worden.

Het wildbraad van wilde varkens kan tot exquise gerechten worden bereidt.

Voor een instructie hoe je nu een wild zwijn vilt nadat het voor consumptie is vrijgegeven. zie “Het-villen-van-een-wild-zwijn“.

In Nederland tekent zich met betrekking tot het beheer van populaties van edelhert, ree en wild zwijn de laatste jaren een kentering af.

Was het beheer tot voor kort eenzaam van een betrekkelijk kleine groep intimidie hun werk tamelijk geïsoleerd van de buitenwereld konden verrichten, thans richt de aandacht van een groeiend publiek zich op het edelhert, ree en wild zwijn en voelen velen zich betrokken bij de discussie over andere invalswegen bij het beheer van deze diersoorten en hun omgeving.

In Duitsland zijn deze tendensen niet anders, daar is de laatste jaren vooral door de zachte winters en de goede mast de populaties sterk  gestegen met zeker zo’n 200 % tot 300%, wat extreem veel is.

De roep om meer kansen te geven aan natuurlijke processen en om de mogelijkheden om wild te zien vergroten wordt steeds sterker.

Natuurlijke dichtheden en minder bijvoer strijden in de discussie om voorrang, maar ook de wijze van aantal regulering is aan de orde en door velen wordt in dit verband het ontbreken van grote predators als een ernstig gemis voor het functioneren van het ecosysteem ervaren.

Voorlopig lijkt er mee betrekking tot de aantal regulatie van genoemde herbivoren naast de jacht een groeiende rol te zijn weggelegd voor het natuurlijk voedselaanbod.

Belgische-zwijnen-discipline-b

Belgische discipline van de wilde zwijnen die netjes door het dorp lopen

De draagkracht van een gebied voor wilde zwijnen is afhankelijk van bijvoorbeeld het aanbod aan dekking, water en voedsel en dus tijdafhankelijk. Ook de leeftijd structuur van de populatie kan bepalend zijn voor de aantallen zwijnen die ergens kunnen leven. Belangrijk zijn de leidende zeugen die de groepen wilde varkens bij elkaar houden en hierdoor zal verspreiding op een natuurlijke wijze worden tegengegaan. Schiet men deze zeugen dan verspreid de groep zich en is er dus ook meer kans op dragende “overlopers”  en dit vergroot weer de kans op schade.

Bij het presenteren van cijfers over de draagkracht zal dus sprake zijn van een indicatie waaromheen de aantallen over een langere reeks van jaren zullen fluctueren.

Wanneer, zoals in het onderhavige geval, aan natuurlijke processen in een gebied een belangrijke functie wordt toegekend maar de aantallen hoefdieren door de mens worden gereguleerd, lijkt het een goede zaak om zich, bij het vaststellen van de na te streven aantallen te laten leiden door de draagkracht en de schadegevoeligheid aan de landbouwgewassen van het gebied.

Oorzaken enorme toename wild zwijn:

  • Absoluut gezien te gering afschot laatste jaren
  • Voorjaarstellingen zijn onderschatting; je telt maar 30%!!!
  • Veranderde landbouw  door veel maïs en terreingebruik leidt tot permanent verblijf in akkers met energierijk voedsel
  • Meer mastrijke jaren
  • Zachtere winters

Suggestie: onbeplante stroken in en langs de maïsvelden, hierdoor ontstaan schietbanen voor afschot

Reproductie: 1970 2006 2007
Aantal biggen per zeug < 1 jaar 2,0 6,3 4,8
Aantal biggen per zeug 1-2 jaar 4,2 7,8 6,8
Aantal biggen per zeug > 2 jaar 5,3 7,9 8,3
Populatieaanwas 332% 267%

Door de opbouw van de populatie zorgen de jonge zeugjes (kleiner dan 1 jaar) voor ongeveer 55% van het totaal aantal geboren jonge biggen per jaar per populatie; de overlopers voor 30% en de oudere zeugen voor 15 %.

 In een statistisch model uitgezet blijkt dat door dit “biggen krijgen biggen” effect pas bij een afschot van jonge biggen van 80% de populatie stabiel blijft. De vroeger gehuldigde opvatting dat de leidende zeug voorkomt dat biggen en overlopers gedekt worden is zowel in Luxemburg als in dit onderzoek niet aangetoond: tot 80% van de zeugjes van 10-12 maanden en 100% van de zeugjes van 1-2 jaar waren drachtig!!!

De conclusie hieruit moet zijn dat je in voedselrijke jaren/omstandigheden voldoende biggen moeten schieten (80%). Biggen zijn namelijk de potentiële zeugen. Je schiet bijvoorbeeld 10 grote zeugen en je denkt dat je hiermee een  groot effect op de stand hebt, dan vergis je stevig, als je niets aan de frishlingen doet, want deze leveren vooral in de goede jaren veel reproductie.

Aanzitladder wild zwijnIn het onderzoeksgebied in Luxemburg was het afschot gerealiseerd door 75% aanzit, de rest via drijfjacht. In een model is berekend wat met de huidige jachtinspanning de ontwikkeling zou zijn in dit gebied van 3000ha:

Populatie is nu 400 dieren, maar zal bij gelijkblijvende jachtinzet in 10 jaar groeien tot 600 dieren. Als er helemaal niet gejaagd zou worden is er in 3-4 jaar tijd een explosieve ontwikkeling tot geschat 1600 dieren, waarna er een instorting is tot een wisselend niveau van ongeveer 1000-1200 dieren (3-4 per 100ha). Als er echter een goed mastjaar met zachte winter is, zal het aantal weer explosief stijgen.

Conclusie:

Gelet op de huidige omstandigheden, c.q. voedselaanbod in gebieden waar de soort voorkomt buiten de leefgebieden, mag worden verwacht dat de populatie zonder ingrijpen snel kan groeien. Er is voedsel genoeg in het cultuurlandschap van Nederland. Om de schade te beheersen is het meest effectief om de populatiegroei tegen te gaan, c.q. de populatie te laten krimpen. Desnoods met middelen die niet algemeen worden aanvaard terwijl zij maatschappelijk wel gewenst zijn, zoals bepaalde vormen van jacht. Verjagen is arbeidsintensief omdat het dier snel leert. Weren is het meest effectief om schade te beperken door het plaatsen van rasters.

Wildziekten wild zwijn

De meeste wilde hoefdieren zijn, evenals gehouden dieren, vatbaar voor een groot aantal besmettelijke dierziekten: ze kunnen elkaar wederzijds besmetten. Maatschappelijke criteria als voedselveiligheid (zoönosen), economische schade (uitbraken van dierziekten, mogelijk verlies van speciale rassen of foklijnen ten gevolge van mortaliteit en/of stamping-out), risicoperceptie en algemene verontwaardiging over de bestrijding van dierziekten, zijn gebruikt om een lijst samen te stellen met vijf relevante dierziekten onder ‘varkens’ zie onderstaande tabel. Deze lijst is lang niet volledig (Simpson, 2002; Groot Bruinderink et al., 2007). Niet opgenomen zijn bijvoorbeeld exotische ziekten met geringe kans op insleep of ziekten die (nog) sporadisch in de Nederlandse veehouderijsector voorkomen.

Ziekte Agens Veehouderij Wilde zwijnen Zo Verspreidings-mechanismen
Blaasjesziekte (SVD) Enterovirus, familie Picornaviridae Nee (1994) sporadisch Nee Via direct contact, swill voedering (verboden), mest, indirect contact (veewagens, mensen)
Klassieke varkenspest (KVP) Pestivirus, familie Flaviviridae Nee (1998) Nee (1983/84) Nee Via direct contact, sperma, ingestie vangecontamineerd vlees (swill voedering), mest, indirect contact (mensen, voertuigen, materialen); verticale transmissie (carrier sow syndrome)
Mond- en klauwzeer (MKZ) Aphtovirus, familie Picornaviridae (7 serotypen) Nee (2001) Nee Nee Via direct contact, sperma, melk, swill voedering, mest, indirect contact (mensen, voertuigen, materialen), lucht
Trichinellose Trichinella spp. (rondworm); in varkens vaak T. spiralis Nee (2002) Sporadisch Ja Ingestie van gecontamineerd vlees (swill voedering, besmette knaagdieren)
Ziekte van Aujeszky of pseudorabies (ZvA) Suid herpesvirus type 1 (alphaherpesvirus), familie Herpesviridae Nee (2004) Sporadisch Nee Uitscheiding van virus via ademhaling, neusslijm en speeksel, melk, geslachts-apparaat en sperma, ingestie van gecontamineerd vlees Verspreiding via direct contact, indirect contact (mensen, transportmiddelen, materialen) en de lucht

Klassieke Varkenspest

Het Varkenspest virus is een zeer stabiel virus dat bevroren tot 4 jaar kan overleven, gekoeld 35 dagen en in organen 3-6 maanden kan overleven. In de buitenlucht is de overleving afhankelijk van de temperatuur en de vochtigheid en de pH.

Laatste 15 jaar vooral uitbraken van het genotype 2: geeft een mild ziektebeeld, de ziekte blijft lang rondzingen in een populatie omdat er minder uitval is. Op zich is dit ongunstig: een zeer agressieve variant dood lokaal  al zijn gastheren en sterft dan vanzelf uit.

 Er zijn bij gehouden varkens 3 ziektebeelden bekend

  • Acuut (snel dood): Dieren zijn al ziek en scheiden virussen uit vóórdat je ziet dat ze ziek zijn!
  • Chronisch (langslepend) duurt weken tot maanden
  • Late-onset (vertraagd begin): biggen al in de baarmoeder besmet: maken geen afweerstoffen aan, dus worden geboren als virusuitschieders, pas dood na 5-11 maanden.

Symptomen bij Wilde zwijnen:

  • Agressief virus: snel dood, daarvoor minder schuw voor mensen en honden, en meer aanrijdingen. Ook zijn ze meer in de buurt van water (koorts?); er is een toename van dood gevonden jonge dieren.
  • Milder virus: vermageren, diarree, huidontstekingen

Zie voor meer informatie over de varkenspest;Klassieke-Varkenspest-bij-wilde-zwijnen-DWHC-KNJV

De laatste uitbraak van de varkenspest  kostte in 1997 – 1998

Achtergrondgegevens KVP uitbraak ’97-’98:

Kosten:

ruim 1.4 miljard euro (3 miljard gulden)

Besmette bedrijven:

429

Aantal varkens van besmette bedrijven:

703.563

Aantal preventief geruimde bedrijven:

1.286

Aantal preventief geruimde varkens:

1.123958

Aantal overgenomen varkens:

1.118.490

Aantal opgekochte varkens:

8.111.118

Entcampagne:

Bij de uitbraken onder wilde zwijnen in Euskirchen Duitsland (2002; 2005; 2006; 2007) zijn in totaal 27 wilde zwijnen aangetoond besmet geweest, er zijn in totaal 600.000 stuks vaccin uitgelegd over een periode van 5 jaar. Er werd 3x per jaar vaccin uitgelegd verspreid over het jaar (Lente, Zomer & Herfst met herhaling na 4 weken). De ziekte is nooit overgeslagen naar de gehouden landbouw varkens.

Uiteindelijk kan zo 40-80% van alle dieren beschermd worden, nadeel is dat de jongere dieren OF het slechter opnemen (aasvaccin te groot, komen niet aan de bak?) OF hun immuunrespons is nog te zwak.

Het afschot in het gebied is bijna verdubbeld, er mogen maximaal 2 dieren per 100ha overblijven. Bij een dergelijke dichtheid kan het virus niet meer van dier naar dier overspringen en sterft de infectie vanzelf uit.

Conclusie:

Wilde zwijnen zijn gevoelig voor dezelfde ziekten als de gehouden varkens. Infecties kunnen over weer plaatsvinden en dat gebeurt ook in het buitenland. De kans dat dat in Nederland gebeurt is niet groot. Immers de varkenshouderij in Nederland is totaal anders opgezet en georganiseerd dan in grote delen van Oost-Europa, Rusland en Sardinië. Risicofactoren als wilde zwijnen en swillvoedering, die daar een grote rol spelen, zullen onder Nederlandse omstandigheden veel geringer zijn, of geheel wegvallen t.o.v. risicofactoren die hier belangrijk zijn.

Er zijn weinig of geen gegevens over het voorkomen van endemische, bedrijfsgebonden varkensziekten bij de wilde zwijnen in Nederland. Daar waar het ziekten betreft die reeds endemisch voorkomen bij gehouden varkens (de zogenaamde bedrijfsgebonden ziekten), zal de rol van het wild zwijn als reservoir of verspreider in vrijwel alle gevallen verwaarloosbaar zijn, zeker op sectorniveau.

Nederlandse wilde zwijnen zijn vrij van alle relevante bestrijdingsplichtige dierziekten waarop gemonitord wordt. Daar waar het bestrijdingsplichtige ziekten betreft, kunnen wilde zwijnen een belangrijke bron van infectie zijn voor gehouden varkens, mits het virus in Nederland als eerste geïntroduceerd wordt bij de wilde zwijnen. Preventief beleid zou zich daar in belangrijke mate op moeten richten.

Het introductierisico van KVP/AVP via wilde zwijnen wordt op dit moment als verwaarloosbaar laag ingeschat omdat het niet voorkomt in de wilde zwijnen in de ons omringende landen. Mochten de ziekten wel optreden, dan is de kans op insleep naar gehouden varkens laag tot matig.

ZvA wordt wel aangetroffen bij wilde zwijnen in de ons omringende landen. De overdracht van ZvA van wilde zwijnen op gehouden varkens komt sporadisch voor. Voor KVP en AVP heeft de aanwezigheid van het virus in de wilde zwijnen populatie direct consequenties, ook voor de varkenshouderij. Het zal o.a. leiden tot handelsbeperkingen in meer of minder grote delen van Nederland. Ook als wilde zwijnen niet de primaire bron zijn van het virus, maar er sprake is van “spill-over” vanuit gehouden varkens naar wilde zwijnen, kan dit aanzienlijke consequenties hebben voor de varkenshouderij. Vrijverklaring van Nederland en daarmee het opheffen van alle handelsbelemmeringen, kan pas wanneer de ziekte ook bij wilde zwijnen is uitgeroeid.

Methode van inventarisatie en nauwkeurigheid: Buiten  de Leefgebieden van de Meinweg en Meerlebroek

Ieder najaar in November wordt door de WBE’s geïnventariseerd wat men denkt dat er aan Wilde Zwijnen voorkomt binnen het werkgebied.

Aan de hand van afschotcijfers, waarnemingen, sporen, schademeldingen en valwildregistratie wordt in kaart gebracht waar de Wilde Zwijnen zich bevinden. De waarnemingen zullen altijd de ondergrens vormen van de werkelijke populatie. Bij een jaarlijks afschot van ongeveer 350 dieren is de werkelijk aanwezige populatie groter. Dit is ook te herleiden uit het afschot van opeenvolgende jaren, waarbij ieder jaar weer ook oudere dieren geschoten worden die naar alle waarschijnlijkheid niet datzelfde jaar vanuit het buitenland zijn binnengekomen, dus vorige jaren ook al aanwezig moeten zijn geweest maar toen niet gesignaleerd zijn. Uit de jaarlijkse inventarisatie  door jachtaktehouders van zogeheten bijstaande varkens (de grootte van de groep waaruit 1 dier werd geschoten) lijkt de aanwezige populatie buiten de leefgebieden gemiddeld 2 tot 3 x het geschoten aantal dieren.

Voorkomen en verloop in Limburg:

 

2010

2011

2012

2013

2014

Geschatte aantal (opgave WBE’s)** 526 511 504 490 764
Aantal afschot 403 310 358 366 398
Aantal aanrijdingen 37 22 14 19 31
Getaxeerde schade (€) 96060 74521 47695 68168 27907*

*:       t/m 14 oktober 2014 | **:     29 van de 38 WBE’s

Meinweg gebied en Meerlebroek leefgebied wilde zwijnen Limburg

Leefgebied “De Meinweg,” en “Leefgebied Meerlebroek en (gele ovaal) Blankwater / Boukoul.”

Wettelijke Status & Provinciaal Beleid

In het faunabeheerplan van de Fbe Limburg geldt, net als in de vorige beheerperiode, voor het Wilde Zwijn buiten de leefgebieden het beleid dat er daar strikt juridisch geen  instandhoudingdoelstelling is, wat kan betekenen dat er na afschot lokaal geen Wilde Zwijnen meer voorkomen. In de Nota Jacht en Wildbeheer waren bepalingen voor wat betreft het Wilde Zwijn vervat (leefgebieden en gebieden daarbuiten). In de vigerende beleidsnota Uitvoering Flora- en Faunawet geeft de provincie Limburg aan dat door integraal beheer de populatie van het Wild Zwijn in het Meinweg gebied op een voorjaarsstand van 60 dieren zal worden gehouden. Ook wordt in deze beleidsnota aangegeven dat de mogelijkheden om de omvang van het leefgebied te vergroten en de kwaliteit ervan te verbeteren zullen worden onderzocht.

Om een duurzame populatie in het leefgebied De Meinweg (inclusief het tijdens de afgelopen beheerplanperiode toegevoegde Meerlebroek) in stand te kunnen houden en overlast en schade in de aangrenzende landbouwgebieden te voorkomen, zijn in het verleden tussen Staatsbosbeheer, de gemeente Roerdalen, de WBE Roerstreek, de LLTB , de provincie en het Faunafonds de volgende afspraken gemaakt:

  • Een maximale voorjaarsstand van 60 exemplaren;
  • Rasters in goede conditie houden;
  • Plaatsen roosters en rasters;
  • In overleg met provincie, gemeenten en SBB aanleg nieuwe rasters;
  • Het gewenste afschot wordt door de FBE Limburg jaarlijks vastgesteld na advies van de WBE Roerstreek (het jaarlijks op te stellen regulatieplan Wild Zwijn).

In Nederland heeft het zwartwild geen natuurlijke vijanden meer. In de rest van Eurazië zijn dat de wolven, lynxen, beren en tijgers. De enige manier om het in ons land te beheren is dus met de kogel, in drijfjachten of via de aanzit. Op de Veluwe wordt in de vrije wildbaan gestreefd naar een voorjaarsbestand van 840 varkens, welke stand in de afgelopen jaren veel hoger was, hetgeen er op neerkomt dat er na de jaarlijkse aanwas tussen de 2000 en 3000 moe(s)ten worden geschoten, de grote rasters zoals op de Hoge Veluwe en de Kroondomein en niet meegeteld.

Nul-optie gebieden en verspreiding in Limburg

Het gebied van de Wildbeheereenheid “Susteren/Graetheide” is aangewezen als 0 optie gebied, dit wil zeggen dat er eigenlijk geen wilde varkens mogen voorkomen. Er worden regelmatig wilde varkens het hele jaar door gesignaleerd en bij schade zal er direct worden opgetreden, hierbij worden nu al regelmatig wilde zwijnen geschoten.

Wilde zwijnen voorkomen Limburg 2000-2014

Verspreiding wilde zwijnen in Limburg vanaf 2000 tot en met 2014

 Wering en verjaging

Het actief verjagen en weren van wilde zwijnen van de grond van boeren is moeilijker naarmate de wilde zwijnen dichter bij het brongebied voorkomen, zoals aan de randen van leefgebieden. Het Faunafonds adviseert een brede groep aan mogelijke maatregelen, die afgewisseld moeten worden om effectief te blijven.

Weer- en verjaagmiddelen

  • Vlaggen
  • Flitslampen
  • Knalapparaten
  • Geurgordijn
  • Alternatief voedsel
  • Schrikdraad
  • Rasters

Navraag in de praktijk leert dat alleen een goed sluitend raster definitief de dieren van het perceel kan houden dan wel binnen het raster. Dit is wat de boeren meegaven in de interviews en is bevestigd tijdens de bijeenkomst.

Deze rasters zijn voor de landbouw effectief en op sommige plaatsen heeft het Faunafonds deze rasters aangeschaft. Het voorkomt een hoge schadeclaim op langere termijn. Het nadeel is dat het gebied minder toegankelijk wordt voor recreatie.

Een andere maatregel is om alternatief voedsel aan te bieden op plekken waar de dieren geen schade toebrengen aan gewassen. In de praktijk betekent het de maïs op het land oogsten en in het bos storten, ver weg van het perceel. Daarmee is tevens het dilemma geschetst tussen landgebruik en wilde zwijnenschade. Een belangrijk deel van de schade wordt toegebracht aan maïs. Dit is een gewas dat veelal op veldkavels wordt verbouwd, verder van of zelfs los van het bedrijf dat het gebruikt. Loonwerkers huren soms land voor maïsteelt. De kavels rond natuur zijn in de praktijk vaak veldkavels en daarmee wordt de kat op het spek gebonden. Zo zijn in de zogenoemde agrarische enclave op de Veluwe vrijwel alle boeren gestopt met het telen van maïs. Als het zwijn een natuurlijke handicap is voor de boer – zoals dat op andere plekken de drooglegging is – kan verdedigd worden dat de boer zijn landgebruik aanpast aan de natuurlijke omstandigheden. Maar wie was er het eerst: de maïs of het wild zwijn en de maatschappelijke discussie over wilde zwijnen gaat niet alleen over maïspercelen die aan het bos grenzen.

Schademeldingen aan Faunafonds in het jaar 2010-2014

Limburg  2010 2011 2012 2013 2014
Getaxeerde schade (€) Wild Zwijn totaal 96060 74521 47695 68168 27907*

Overzicht uitgekeerde schade in € veroorzaakt door Wilde Zwijnen per jaar in de provincie Limburg De toename van schade in 2010 en daarna de afname is gerelateerd aan een beleidwijziging van het Faunafonds waardoor meer dan voorheen vergoedingen voor geleden schade konden worden aangevraagd en werden uitgekeerd.

Evaluatie afgelopen beheerperiode in Limburg: 2010 – 2015

Het aantal aangereden en afgeschoten Wilde Zwijnen fluctueert maar lijkt zich te stabiliseren tot zelfs te stijgen, nadat het enkele jaren een dalende lijn vertoonde. Vorig jaar was er veel voedsel beschikbaar voor de Wilde Zwijnen, en ook dit najaar lijkt er een redelijk aanbod aan eikels en beukennootjes beschikbaar, wat gecombineerd met de zeer zachte winter in potentie tot een zeer sterke groei van de lokale populaties Wilde Zwijnen kan gaan leiden.

De landbouwschade veroorzaakt door wilde zwijnen is toegenomen, zowel wat betreft het totale schadebedrag als in de ruimtelijke verspreiding van de schade. De schade is veelal geconcentreerd op weinig plaatsen waar grote schade ontstaat en kan daardoor provinciaal aanzienlijk zijn. Doordat de regels voor het indienen van schade bij het Faunafonds per 1 oktober 2014 zijn veranderd zal er minder schade worden aangemeld, waardoor het minder duidelijk wordt waar schade optreedt. De werkelijke directe en indirecte schade ligt hoger.

De schade die wilde zwijnen in het verkeer veroorzaken is onbekend, maar een schatting van de materiele schade ligt tussen de 0,5 en 1,5 mln. per jaar en is daarmee vijf keer zo groot dan de landbouwschade. Regionaal zijn er verschillen, want in Gelderland en Limburg neemt het aantal aanrijdingen af en in Noord-Brabant juist toe.

Ook komen er nu Wilde Zwijnen voor in gebieden waar dat tot voor kort nog niet zo was (Stramproy /Weert: uit België; Venray nabij Ysselsteyn: vanuit Brabant).

Daar waar men gebruik maakt van de ontheffing voor een nachtkijker worden zeer goede resultaten behaald. Met name het laatste jaar wordt deze meer en meer aangevraagd en ingezet: in 2013 werden 7 dieren met nachtzicht geschoten, in 2014 36 dieren (9%) en in 2015 zijn de aantallen al toegenomen tot 65% van het afschot, doordat steeds meer jagers ook over een nachtkijker gaan beschikken. Dit is een zware investering van al gauw zo’n € 1200,– tot € 2800, dit afhankelijk van de soort nachtkijker.

De 1:1 drukjacht ontheffing wordt nauwelijks aangevraagd of gebruikt, omdat het in de praktijk niet werkbaar is: het is lastig om geschikte terreinen te vinden, en de Wilde Zwijnen komen niet voldoende in beweging om dit zinvol toe te kunnen passen.

De Faunabeheereenheid Limburg is  dan ook van mening dat een uitgebreidere vorm van drukjacht, de zogeheten bewegingsjacht (waarbij meerdere personen zich rustig en langzaam door het veld begeven en er op diverse plekken mensen op hoogzitten zitten te wachten totdat de Wilde Zwijnen zich voorzichtig van de ene naar de andere dekking begeven) om meer mogelijkheden te hebben om in te grijpen als dat gewenst is.

Het lijkt er op dat in de huidige beheerpraktijk met de huidig beschikbare middelen een nulstand niet 100% haalbaar is. De aantallen lijken stabiel, maar de geografische verspreiding neemt wel toe.

In het nieuwe FBP zal worden verkend wat mogelijkheden zijn om realiteit en beleid dichter bij elkaar te brengen waarbij belangen van landbouw en natuur worden afgewogen.

Voorstel beheer:

GS Limburg hebben de FBE Limburg gevraagd te overwegen om in het nieuw op te stellen FBP het beleid en de beheerpraktijk beter te gaan laten aansluiten, conform een hiertoe door PS ingediende motie (638 dd 12 dec 2014).

De Faunabeheereenheid is van mening dat een uitgebreidere vorm van drukjacht, de zogeheten bewegingsjacht (waarbij meerdere personen zich rustig en langzaam door het veld begeven en er op diverse plekken mensen op hoogzitten zitten te wachten totdat de Wilde Zwijnen zich voorzichtig van de ene naar de andere dekking begeven) om meer mogelijkheden te hebben om in te grijpen als dat gewenst is.

Ook het gebruik van vangkooien en vangkralen zal nader bekeken worden, hiermee worden in Noord-Brabant goede resultaten behaald.

Basis voor het beheer is een zo laag mogelijke kans op schade aan landbouwgewassen en risico’s voor de verkeersveiligheid. Indien dat te combineren is met het lokaal aanwezig blijven zijn van Wilde Zwijnen in enkele natuurgebieden kan dit gekoppeld aan het treffen van aanvullende maatregelen (o.a. rasters) en een betere en eerlijker schaderegeling mogelijk voor alle partijen een verbetering ten opzicht van de huidige situatie uit voortvloeien.

Ontheffingen FF-wet

De aantallen wilde zwijnen worden gereguleerd door afschot, hiervoor is een ontheffing, conform artikel 68 van de Flora- en faunawet nodig, die verleend wordt door de provincies aan de Faunabeheereenheden, die deze weer doorgeven aan de aangesloten Wbe’s en individuele jachthouders.

De vergunninghouder kan de vergunning doorgeven andere jachtaktehouders die de vergunning op hun beurt rechtsgeldig kunnen overdragen aan een andere jachtaktehouder.

Gebruik kunstlicht. (deelontheffing 3)

In aanvulling op de reguliere bestrijding met een kogelgeweer is beperkt gebruik van kunstlicht mogelijk.

NiteSite EagleDaar waar men gebruik maakt van de ontheffing voor een nachtkijker worden zeer goede resultaten behaald. Met name het laatste jaar wordt deze meer en meer aangevraagd en ingezet: in 2013 werden 7 dieren met nachtzicht geschoten, in 2014 36 dieren (9%).

Hierbij geldt de voorwaarde dat op enig moment niet meer dan één jachtaktehouder met kunstlicht in het werkgebied van de FBE Limburg actief is.

Deze voorwaarde wordt als te beperkt ervaren. Het afschot van wilde zwijnen is geen jacht maar een opdracht van de overheid tot het bereiken van een 0-stand. Met deze beperking kunnen de ontheffinggebruikers de gewenste 0-stand niet bereiken.

Extra eisen stellen aan gediplomeerde en/of anderszins ervaren jagers is niet wenselijk en heeft geen wettelijke grondslag.

Advies: Neem als ontheffingsvoorwaarde op dat het veiligheidsprotocol “Zekerheid bij drukjachten” strikt opgevolgd dient te worden. Dit vergroot de veiligheid en het draagvlak voor de uitvoering van de ontheffing.

Drukjacht-Duitsland

Drukjacht Duitsland

Over het algemeen wordt een dichtheid van 2 à 3 per 100 ha leefgebied acceptabel geacht. Het als een natuurlijke verhouding van 1 : 1 mag niet door fouten in de bejaging gunste van de vrouwelijke zwijnen verschoven worden. Dit gebeurt heel snel, wanneer te veel overloper keiler en mogelijk ook nog keiler van 3 tot 4 jaar geschoten worden. Het gevolg van de te weinig aantallen keilers in de bestanden zijn, een te grootte aanwas, door te veel vrouwelijk zwartwild. Een verschuiving van de verhoudingen ten gunste van de keiler is in de vrije wildbaan nauwelijks te realiseren. In Nederland en Duitsland geldt dat bij het afschot de nadruk op de biggen en overlopers ligt en dat oudere zwijnen worden gespaard. Door het afschot zou normaal genomen op het minst de aanwas van het betreffende jaar verminderd moeten worden. Als gevolg van de hoge aanwas percentages van de frischlingen is het nodig om in hoofdzaak in deze jongste categorie tijdig afschot te verrichten, in deze categorie zijn ook de hoogste natuurlijke verliezen. Terughoudender moet men echter met de hierop volgende ouderdom klasse van de overlopers zijn; vooral voor de overloper keiler. Twee tot vierjarige zeugen zouden niet geschoten mogen worden. Bij de oudere zeugen is dan een klein afschot mogelijk.

De navolgende afschot samenstelling van de stand is na te streven;

  • Frischlingen: 80% (minstens)
  • Overlopers: 15% (hoogstens)
  • Sterke keiler en zeugen: 5%

Over het algemeen bestaat 75% van het afschot frischlingen, tot een gewicht van 40 kg. Regel is om zovroeg mogelijk met het afschot van de Frischlingen (biggen) te beginnen, vanaf het moment waarop ze ongeveer 5 tot 6 maanden oud zijn. Dit kan het beste gebeuren van eind oktober tot en met december.

De grondbeginselen voor de jacht op wilde zwijnen;

  1. Uit een zwartwild groep moet als eerste, het zwakste exemplaar worden geschoten.
  2. Algemeen voor afschot vrijgegeven, zouden alleen exemplaren tot een bepaald lichaamsgewicht moeten worden. Voor het merendeel zou dit tussen de 40 tot 50 kg ontweid gewicht moeten liggen.
  3. Zulke gewichtsgrenzen zijn in overeenstemming met de huidige ontwikkeling van de zwartwild stand. Uit ervaring kan de stand op deze manier effectief gereguleerd worden.
  4. Individueel trekkende gezonde dieren moeten gespaard worden, behalve voor afschotrijpe exemplaren, die vrij gegeven zijn.
  5. In het bos moet het zwartwild gedurende de zomermaanden rust hebben! Jacht alleen in het veld, als er ernstige wildschade is of dreigt te ontstaan.
  6. Gevaar voor foutief afschot in hoogstaand veldgewas, vooral voor de leidende zeugen, daar de frischlingen dan vaak niet te zien zijn.
  7. Alleen bij voldoende licht jagen
  8. Alleen op breedstaande, op  1: 1 drukjachten ook trekkende of vluchtende zeugen schieten, waarbij steeds gedacht moet worden aan het evt. ziek schieten van het dier.
  9. Het zonder regels of afspraken jagen op het zwartwild heeft er tot nog toe er alleen maar toe geleid, dat daardoor de stand een onevenwichtige geslacht- en leeftijdstructuur krijgt, waardoor nog meer wildschade en ziekten, zoals de varkenspest kunnen ontstaan. Een niet onbelangrijk aspect bij het beheer is, dat in Duitsland het gehele jaar door op biggen mag worden gejaagd terwijl dit in Nederland beperkt is tot de periode 1 augustus tot en met 31 januari. De vergunninghouder dient binnen 14 dagen na afloop van de geldigheid van de vergunning, aan de Teammanager van LASER (LNV) vestiging Dordrecht, Postbus 1191, 3300 BD Dordrecht, schriftelijk een opgave te doen van het gebruik dat van de vergunning is gemaakt.

Bij deze rapportage dient het navolgende te worden vermeld:

  • het aantal gedode dieren ( gespecificeerd naar gewicht),
  • geslacht,
  • evt. leeftijd
  • afschotlocatie,
  • afschotdatum.
  • locatie waar geschoten of als valwild aangetroffen
  • conditie van het stuk ( drachtig, frishlingen geworpen)

Populatiebeheer in leefgebieden.

Hoe waarborg je de gewenste populatieomvang in de leefgebieden in Limburg?

De gewenste populatieomvang kan op verschillende manieren worden gewaarborgd.

  • Lokaal kan bijvoorbeeld een ‘nulstand’ worden gerealiseerd door òf het leefgebied van het Wild zwijn compleet in te rasteren òf de inliggende schade- en overlast gebieden te voorzien van een Wilde zwijnen kerend raster. Wanneer rasteren geen of slechts een gedeeltelijke oplossing is, zal er een balans gezocht moeten worden tussen de aantallen Wilde zwijnen en de acceptatiegrens met betrekking tot schade en of overlast.
  • Voor hoeveel Wilde zwijnen is er maatschappelijk draagvlak in plaats wat is de ecologische draagkracht. Dit betekent dat de aantallen op het gewenste niveau gebracht en gehouden moeten worden. Afschot is hiertoe het meest geëigende middel. Hierbij de opmerking dat de mogelijke populatieomvang gebaseerd moet zijn op de natuurlijke voedselsituatie. Echter, overal is het benuttingsgebied groter dan het bos- en natuurgebied, hetzelfde geldt voor het voedselaanbod. Er kunnen hierdoor meer Wilde zwijnen leven dan enkel en alleen op basis van het natuurlijke voedselaanbod.
  • De gewenste populatie zal in multifunctionele landschappen bepaald worden door draagvlak in de streek. In de regel zal dit een lage dichtheid betekenen vertaald in een gewenste populatieomvang of doelstand.
  • Waarborgen hebben te maken met de volgende aspecten (1 t/m 4).
    1) Nauwkeurige beeldvorming daadwerkelijke aantallen:
    – Schemertellingen.
    – Uitkomsten corrigeren voor dichtheid en voedselsituatie.
    – Uitkomsten corrigeren voor aanwas van na de telling.
    2) 100% realiseren noodzakelijk afschot:
    – Mastrijke jaren grootste noodzakelijk reductie voordat de mast valt.
    – Minder rijke jaren maximaal benutten om stand op afgesproken niveau te krijgen.
    3) Verantwoordelijkheden/uitvoering:
    – Terreineigenaren, grondgebruikers en jagers zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor een juiste uitvoering.
    – Alle terreineigenaren, grondgebruikers en jagers onderschrijven het afgesproken beheer uit het Faunabeheerplan.
    – Het niet goed uitvoeren leidt tot meer schade, maak alle partijen financieel verantwoordelijk.
    – Leg uitvoering vast in uitvoeringsplan met toetsbare maatregelen.
    – Wijs een coördinator aan die de uitvoering coördineert in het gehele leefgebied conform de gemaakte afspraken.
    – Beheer het gehele leefgebied gezamenlijk.
    – Zorg voor deskundige jagers.
    4) Monitoring
    – Monitor levende Wilde zwijnen (telling en jaarrondwaarnemingen).
    – Monitor geschoten Wilde zwijnen.
    – Monitor aanrijdingen.
    – Monitor landbouwschade.
    – Monitor overige schade en overlast.

Met betrekking tot het afschot is het navolgende van toepassing.

Conform het project serologisch onderzoek wilde zwijnen (projectnummer 701.939) van de gezondheidsdienst voor Dieren (GD) te Deventer dient direct na afschot bloedafname van wilde zwijnen plaats te vinden. Dit dient te geschieden volgens instructie d.d. 10 juni 1998, referentie 709139/LDV/LDV/Mbr00340 van de GD en met door de GD beschikbaar gestelde materialen ( Spuiten en plastic handschoenen en buisjes voor opslag en verzending) Contactpersoon GD is de heer L.J.M.Dekkers;

Coördinator in Limburg:

Onderzoek-wilde-varkens_small_smallis de heer C. Kouters, Klifbergseweg 13, 6063 NE Vlodrop, telefoon: 0475-535229/06-51211149 en diens plaatsvervanger is de heer J. Maessen, Wijngaardstraat 8, 6075 NC Herkenbosch 0475-534691/06-21836034 Binnen 14 dagen na afloop van de geldigheid van de verstrekte ontheffing, dient de houder van de ontheffing over de monstername schriftelijk verslag uit te brengen aan de provincie Limburg, postbus 5700, 6202 MA Maastricht t.a.v. afdeling Groen. Geschoten wilde zwijnen dienen ter keuring te worden getoond aan de coördinator of diens vervanger in het kader van een onderzoek in samenwerking met de inspectie Volksgezondheid. Hierbij dienen de navolgende organen voor een visuele keuring aanwezig te zijn;

  1. longen,
  2. lever,
  3. nieren,
  4. milt.

Cor Kouters neemt een bloedmonster bij een net geschoten jong wild zwijn. Alle geschoten wilde zwijnen moeten door de jagers uit de hele provincie Limburg bij hem worden aan gemeld. Het bloedmonster gaat voor onderzoek naar de GD in Deventer. Het ‘wordt onderzocht op varkenspest, Aujesky, blaasjesziekte en MKZ. Vooral de dreiging van varkenspest vanuit Duitsland en België is groot. De varkenspest is daar nog steeds sluimerend onder de wilde zwijnen. Het gevaar bestaat dat de pest overslaat naar de varkenshouderij. Cor Kouters keurt lever, longen, nieren en milt op het oog op afwijkingen. Ziet hij die, dan stuurt hij de organen met de tonsillen en het laatste stukje van de dunne darm voor onderzoek naar ID-Lelystad.

Hiertoe dient van het bemachtigen van een wild zwijn de coördinator of diens vervanger binnen 24 uur in kennis te worden gesteld. De ontheffing kan ten alle tijde worden ingetrokken of gewijzigd.

Print Friendly, PDF & Email