Roek

Roek

De roek behoort tot de familie van de kraaiachtigen, net als de raaf, zwarte kraai, bonte kraai, kauw, ekster en Vlaamse gaai. Zijn wetenschappelijke naam is Corvus frugilegu. Hij heeft een glimmend zwart verenkleed met een enigszins blauwe glans. Het belangrijkste onderscheid met de zwarte kraai is dat de snavelbasis en het voorste deel van de kop wit zijn. Jonge roeken hebben dit nog niet, en kunnen daardoor in het veld gemakkelijk verward worden met de zwarte kraai. De roek is ongeveer 46 cm lang,

Broedt in open gecultiveerde landschappen of graslanden met groepen bomen of open bosgebieden en parklandschappen. Nestelt vaak in dichte kolonies hoog in dicht bij elkaar staande hoge bomen. Ook samen met andere kolonievogels. Broedt soms op gebouwen. Zelden solitair broedend. Niet vaak dicht bij of op de grond.

Algemeen voorkomen in Nederland: ( gegevens SOVON)

In Nederland en België. Talrijke broedvogel. Aantallen nemen fors toe.

voorkomen roek in Nederland

Wettelijke  Status & Provinciaal Beleid Limburg

De Roek is beschermd in het kader van de Flora- en Faunawet. De wet stelt de bescherming voorop en ingrijpen door de mens is een uitzondering. Bepaalde handelingen mogen alleen onder strikte voorwaarden worden uitgevoerd. Afwijken van de bescherming van dieren is volgens de wet van toepassing bij jacht, bij beheer van populaties en bij het voorkómen en beperken van schade aan erkende belangen. Limburg is opgedeeld in drie regio’s (Noord, Midden en Zuid) hiervoor zijn maxima  bepaald voor  het  aantal dieren dat gedood mag  worden  op  basis van  de ontheffing. Door middel van een verplichte maandelijkse rapportage kan gemonitord worden of dit maximum bereikt wordt. Als dat zo is, wordt de ontheffing opgeschort. Ook is het in de broedtijd niet toegestaan om in de buurt van kolonies de ontheffing in te zetten, dit totdat de jongen het nest verlaten hebben.

Doel beheer: Beperken van belangrijke schade veroorzaakt door Roeken aan landbouwgewassen middels een beperkte ontheffing tot aan verjaging ondersteunend afschot met quota voor de diverse regio’s.

 Verloop 2010 2011 2012 2013 2014
Voorjaarstelling 8.305 5986 5046 7.063 4.250
Aantal WBE’s doorgeschreven 21 10 9 8 6
Aantal Kolonies (SOVON) 107 107 112
Antal Broedparen/ Nesten (SOVON) 3300 3150 3600 3600 3350
Aantal gebruikte machtigingen 3 6 12 8 13
Behaald afschot 66 107 172 123 173
Getaxeerde schade(€) 6.271 9.726 30.088 10.116 13.755*

*:       t/m 14 oktober 2014

Evaluatie afgelopen beheerperiode:

Komende van een populatieniveau van 2800 broedparen in 2008-2009 is de broedpopulatie in Limburg eerst gestegen van 2010 tot 2013, maar is afgelopen jaar weer iets gedaald (5%). Incidenteel veroorzaken Roeken grote schade aan landbouwgewassen. Aan verjaging ondersteunend afschot op basis van de beperkte ontheffing met quota voor de diverse regio’s in Limburg is een belangrijk middel om de Roeken te weren van de schadelocaties: uit onderzoek is gebleken dat zij snel leren en vertrekken bij de eerste aanblik van de jager (Rapport Kraaiachtigen / Arvalis).

Nest.

Roeken-kolonie-600x198

Een omvangrijk komvormig bouwsel van takken vermengd met aarde; bekleed met gras, wortels, bladeren, mos, planten, wol en haar. Nesten van voorgaande jaren kunnen opnieuw gebruikt worden. Beide geslachten bouwen, het mannetje brengt het materiaal dat door het vrouwtje ingebouwd wordt.

Broedtijd:

Vanaf begin tot aan het eind maart en vroeg in april in het zuiden, tot mei in het noorden. Eén legsel.

Eieren: meestal 3-5, soms 6 9. Buikig, glad en glanzend.

roeken-nest-met-eieren-300x103

Roeken_ei

Verschillende tinten van lichtblauw, blauwachtig-groen of dof groen; bezet met groenachtig-geelbruine, olijfkleurige, olijfbruine of zwartachtig-olijfkleurige tekens. De tekens variëren van grote vlekken en spikkels tot talrijke fijne spikkeltjes, fijne streepjes of krabbels, en een onopvallende olijfgroene vlekking. Belangrijke verschillen, vaak tussen de eieren in één legsel, van schaars getekend lichtblauw tot zwaar verduisterend bruinachtiggroen.

Bij grote uitzondering lichtroze met roodbruine en purperen tekens. 40 x 28,3 mm.

Broedzorg/Broedduur:

Het vrouwtje legt één ei per dag. Alleen het vrouwtje broedt, gevoerd door het mannetje. 16-20 dagen.

Jongen:

roeken kuiken

Zijn donzige nestblijvers. Dons, op rug en dijen, kort en schaars. Donker roetgrijs. Binnenzijde Roek kuiken in het begin oranje, later roze-achtig-rood. Snavelranden vleeskleurig met een gele tint.

Nestperiode :

Jonge-roek

Jongen worden in het begin door het vrouwtje gekoesterd, door het mannetje wordt het voedsel gebracht; later brengen beide vogels voedsel. De jongen verlaten het nest na 29 – 30 dagen. Zij blijven nog enige dagen in de bomen van de kolonie.

Voedsel:

Roeken foerageren voornamelijk in open landschap, vooral op grasland. Een groot deel van het voedsel bestaat uit dieren die in, op of boven de grond leven, zoals regenwormen, emelten en verschillende insecten. De waarde van de roek als bestrijder van insectenplagen wordt vaak aangehaald. Naast grasland heeft de roek ook akkerland als foerageergebied waar vooral ingezaaide granen, maïs en morsgranen worden gegeten, soms ook aardappelen en erwten.

Schade:

Roek-in-kersenboom

In het voorjaar treedt schade op door het oppikken van zaaizaad en het uittrekken van kiemplanten van granen. Daarbij lopen de roeken de rijtjes af, zodat er bepaalde delen van de akker uitgedund worden. Vaak blijkt later in het jaar dat de schade meevalt, omdat het overgebleven gewas meer uitgestoeld is. Ook blijkt dat boeren vaak dichter zaaien dan nodig is, d.w.z. meer zaaigoed gebruiken dan nodig is voor een optimale opbrengst. In zo’n geval valt de uiteindelijke schade vaak erg mee.

Als het graan gelegerd is, kunnen ook eenden en duiven ervan profiteren. Dan is het wel erg moeilijk om het aandeel van de roeken in de schade te beoordelen. Legeren kan, behalve door sterke wind en onweer, bevorderd worden door overbemesting, of door te dicht zaaien. Zij veroorzaken vooral schade aan maïssilo’s, appels-, peren- en kersenboomgaarden, pas ingezaaide zaaigoed (granen, maïs en erwten).

Preventieve maatregelen ter voorkoming schade

Gewas Soort schade Schade periode Preventie methode Opmerkingen
Granen vraatschade zaaiperiode zomer Zaaizaadbehandeling
Percelen gelijktijdig inzaaien

Vlaggen
Knalapparaten
Nabootsing roofvogel, ballonnen
Fladderprojectiel
Dieper zaaien
Afschot/verjaging
Afschot/verjaging
Zomers vooral in gelegerd graan.
Maïs vraatschade zaaiperiode Zaaizaadbehandeling
Vlaggen
Nabootsing roofvogel, ballonnen
Knalapparaten
Fladderprojectiel
Dieper zaaien
Percelen gelijktijdig inzaaien
Afschot/regulering stand
Kastval/vangkooi
Schade in zaaiperiode en in afrijpend gewas. Ook schade aan ingekuilde snijmaïs (gehele jaar). Het gelijktijdig inzaaien van meerdere percelen in de omgeving geeft risicospreiding. Daarnaast ook andere preventieve maatregelen treffen
Appels,  peren en kersen pikschade zomer en herfst Vogelverschrikkers
Vlaggen
Nabootsing roofvogel
Knalapparaten
Vogelafweerpistool
Fladderprojectiel
Ratels, kleppermolentjes, rammelblikjes, angstkreten, elektronische geluidsgolven
Afdeknetten
Aantrekken natuurlijke vijanden
Afschot/regulering stand
Soms schade in de omgeving van roekenkolonies

Een probleem bij schadepreventie is dat diersoorten kunnen wennen aan de maatregelen. Dit geldt zowel voor de visuele middelen als vogelverschrikkers en vlaggen, als voor knalapparaten en geurstoffen. Het is daarom van groot belang dat middelen regelmatig verplaatst worden en afwisselend en door elkaar heen worden toegepast. Over het algemeen kan gesteld worden dat hoe afwisselender en onvoorspelbaarder, hoe hoger de effectiviteit

Beheer: Uitvoering Beheermaatregelen in Limburg

Gewenste maatregelen

Een ontheffing op voorhand voor verjaging met ondersteunend afschot wordt aangevraagd. Om in te kunnen springen op een mogelijke toename van de schade door Roeken wordt voor de komende faunabeheerplanperiode een ontheffing in twee gedeeltes aangevraagd. De basisontheffing is qua gebruik en uitvoering min of meer gelijk aan de ontheffing welke de afgelopen faunabeheerplanperiode is gebruikt, met een maximaal afschot per regio van respectievelijk voor Noord-, Midden- en Zuid-Limburg van 25, 50 en 150 dieren. Deze ontheffing kan ook ingezet worden om dreigende schade te voorkómen. Uit de evaluatie bleek ook dat de afgelopen faunabeheerplanperiode in enkele regio’s de limiet wél enkele keren gehaald werd. Daarom zal ook een uitbreidingsontheffing aangevraagd worden voor aanvullend afschot van maximaal 75 dieren voor geheel Limburg. Deze ontheffing zal echter pas worden ingezet als vastgesteld wordt (door taxatie van het Faunafonds en/of inspectie door medewerkers van de provincie) dat er ondanks andere in te zetten preventieve middelen nog steeds belangrijke schade optreedt.

Plaats van afschot

Op of binnen 100 meter van de percelen waar belangrijke schade is of dreigt aan erkende belangen. In het broedseizoen niet binnen 500 meter van een kolonie.

Afschotperiodes

Jaarrond. In het broedseizoen niet binnen 500 meter van een kolonie. (einde broedseizoen wordt door de provincie bekend gesteld aan de Fbe en Wbe’s)

Print Friendly, PDF & Email

Reageren is niet mogelijk