Is de wasbeerhond een risico voor de volksgezondheid?

image_pdfimage_print

Marterhond Help mee en meld een dode wasbeerhond (Marterhond)

  • Miriam Maas1, Margriet Montizaan2, Andrea Gröne2 en Joke van der Giessen1
  • 1 Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) ;
  • 2 Dutch Wildlife Health Centre (DWHC)

Samenvatting De wasbeerhond wordt beschouwd als een invasieve exoot, afkomstig uit Oost-Europa, die sinds 1991 wordt gemeld in Nederland. Sinds een aantal jaren onderzoekt het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) dode wasbeerhonden op de aanwezigheid van Echinococcus multilocularis. In 2014 wil het RIVM in samenwerking met het Dutch Wildlife Health Centre meer wasbeerhonden gaan onderzoeken om te kijken of er een toegenomen risico is nu voortplanting van wasbeerhonden in Nederland is vastgesteld. Er zal dan ook worden gekeken naar het voorkomen van de parasiet Trichinella spiralis. In dit artikel wordt een overzicht gegeven van de verspreiding, risico’s voor de volksgezondheid, en resultaten van het vorige onderzoek. Verder wordt gevraagd om medewerking voor het verzamelen van wasbeerhonden.

Verspreiding

De wasbeerhond (Nyctereutes procyonides) wordt steeds vaker gesignaleerd in Nederland (Mulder 2013). De wasbeerhond is oorspronkelijk afkomstig uit Oost-Azië. Na ontsnapping vanuit de pelsdierhouderij in Rusland, en het bewust uitzetten als jachtdier, heeft hij zich kunnen handhaven en uitbreiden in het wild.

De wasbeerhond spreidt nu vanuit West-Duitsland richting Nederland (Beltrán-Beck et al. 2012; Mulder 2013)(figuur 1). Wasbeerhonden worden sinds 2001 met regelmaat, maar nog wel sporadisch, met name waargenomen in Noordoost-Nederland (de provincies Groningen, Drenthe, Friesland en Overijssel)(Mulder 2013). Inmiddels lijkt het alsof kan worden gesproken van een wilde populatie wasbeerhonden in die regio, en is ook de eerste voortplanting in 2013 waargenomen in Drenthe (persoonlijke communicatie J. Mulder). Ook in andere provincies worden wasbeerhonden waargenomen, maar het is onduidelijk of dit “wilde” wasbeerhonden of ontsnapte Nederlandse huisdieren betreft. Het is waarschijnlijk dat wasbeerhonden zich uiteindelijk over heel Nederland zullen verspreiden, omdat veel Nederlandse gebieden een geschikt biotoop vormen, bestaande uit oevers, natte/moerassige gebieden en loofbossen (Mulder 2012). Modelberekeningen van ecologisch onderzoeksbureau Altenburg & Wymenga om de populatiegroei te berekenen van de wasbeerhond in Nederland, tonen aan dat een kleine standpopulatie van 20 dieren in enkele tientallen jaren kan uitgroeien tot een niveau van enkele honderden dieren per 1000 km2. Bij gunstige omstandigheden kan dit zelfs nog sneller gebeuren.

Verspreiding Wasbeerhond in EuropaFig. 1 Verspreiding van de wasbeerhond over Europa. In dit overzicht werden de waarnemingen van wasbeerhonden in Nederland nog als incidenteel beschouwd en niet als een teken van vestiging in Nederland. Nederland is daarom nog wit. (Kauhala et al. 2011)

Gevolgen

Biodiversiteit

Een exoot is een dier dat van nature niet in een gebied voorkomt (niet op eigen kracht is gekomen of kan komen), maar daar door menselijk handelen is gekomen. Exoten die zich vestigen in een gebied en zich daar snel vermeerderen, zijn invasieve exoten. De wasbeerhond wordt beschouwd als een invasieve exoot in Europa. Invasieve exoten kunnen niet alleen een gevaar opleveren voor inheemse soorten en de biodiversiteit, maar ook voor de volksgezondheid. De mogelijke gevolgen van introductie van de wasbeerhond in Nederland voor inheemse dieren worden momenteel onderzocht door het ecologisch onderzoeksbureau Altenburg & Wymenga. De huidige inschatting is dat over het algemeen de impact op de biodiversiteit klein zal zijn (Mulder 2013). Wasbeerhonden zijn opportunistische omnivoren en geen echte jagers. Het dieet van wasbeerhonden is gevarieerd en afhankelijk van wat beschikbaar is in de omgeving en van het seizoen. In het algemeen bestaat het dieet uit amfibieën, kleine zoogdieren, insecten, aas, mais en vruchten (Sutor et al. 2010).

Volksgezondheid

De verspreiding van de wasbeerhond over Nederland is belangrijk voor de volksgezondheid, omdat hij drager kan zijn van klassieke rabiës (hondsdolheid), Trichinella spiralis en Echinococcus multilocularis (de vossenlintworm). Klassieke rabiës komt in West-Europa niet meer voor, dus het risico voor Nederland is minimaal. De aanwezigheid van Trichinella spiralis bij binnengehouden varkens is ook erg laag in West-Europa, maar het komt nog wel in beperkte mate voor bij wilde zwijnen. De wasbeerhond zou een nieuwe schakel in de cyclus kunnen zijn van Trichinella spiralis. In Duitsland wordt de toename van Trichinella spiralis bij wilde zwijnen toegeschreven aan de sterke toename van het aantal wasbeerhonden (Pannwitz et al. 2010). In Nederland en de andere EU landen, moet het vlees van varkens, paarden en wilde zwijnen gekeurd worden op Trichinella spiralis.

Onderzoek

Het RIVM voerde in de periode 1997-2012 onderzoek uit op een negental wasbeerhonden. Deze kwamen uit Limburg (3x), Friesland (4x), Overijssel (1x) en Groningen (1x). De doodsoorzaken waren verkeer (4x), afschot (3x) en onbekend (2x). De darmen van deze dieren zijn door het RIVM onderzocht op het voorkomen van de vossenlintworm, en waren allen negatief. Slechts vier van de negen kwamen uit een gebied waar de vossenlintworm bij vossen is vastgesteld. Echter, met de toenemende besmettingsgraad van vossen, kunnen ook wasbeerhonden besmet worden en zo een extra eindgastheer vormen voor de vossenlintworm.

Naast het al dan niet aanwezig zijn van de vossenlintworm in de darm van de wasbeerhond, zal in dit onderzoek ook worden gekeken naar het voorkomen van Trichinella spiralis bij wasbeerhonden. Dit onderzoek wordt uitgevoerd door het isoleren van de Trichinella larven uit de voorpootspier.

Hoe kunt u helpen?

In 2014 wil het RIVM meer wasbeerhonden gaan onderzoeken op mogelijke besmetting met Echinococcus multilocularis en Trichinella spiralis. Dit onderzoek wordt samen uitgevoerd met het DWHC, dat ze verder zal onderzoeken op het voorkomen van andere ziekten. Mocht u een dood exemplaar vinden (bv verkeers- of maaislachtoffer) of een wasbeerhond hebben geschoten, dan zouden we graag dit dier onderzoeken. U kunt daarvoor contact opnemen met het DWHC: 030-2537925. Zij zorgen dat een koerier het dier op komt halen.

Voor vragen over dit onderzoek kunt u contact opnemen met het RIVM: miriam.maas@rivm.nl

De wasbeerhond is een invasieve exoot. Het beleid ten aanzien van de wasbeerhond wordt bepaald door de provincie. Ten tijde van schrijven heeft alleen de provincie Friesland een afschotregeling voor de wasbeerhond. De NOJG-leden op www.nojg.nl een overzicht van alle vastgestelde vrijstellingen, aanwijzingen en ontheffingen.

Nader: Jagers wonende in de provincies die geen afschotregeling hebben kunnen bij het vinden van een wasbeerhond indien nog redelijk vers is deze het beste ter plaatse laten liggen of zodanig wegleggen ingepakt in een blauwe plasticzak, zodat deze daar koel blijft liggen om op lokatie te worden opgehaald door de DWHC koerier. Je mag deze dieren dan ook niet vervoeren of onder je hebben.

  • Beltrán-Beck, B., F. J. García, et al. (2012). “Raccoons in Europe: disease hazards due to the establishment of an invasive species ” Eur J Wildl Res(58): 5-15.
  • Kauhala, K. and R. Kowalewski (2011). “Invasion of the raccoon dog Nyctereutes procyonoides in Europe: History of colonization, features behind its success, and threats to native fauna.” Current Zoology 57(5): 584-598.
  • Mulder, J. (2012). “A review of the ecology of the raccoon dog (Nyctereutes procyonides) in Europe.” Lutra 55(2): 101-127.
  • Mulder, J. L. (2013). “The raccoon dog (Nyctereutes procyonoides) in the Netherlands – its present status and a risk assessment.” Lutra 56(1): 23-43.
  • Pannwitz, G., A. Mayer-Scholl, et al. (2010). “Increased prevalence of Trichinella spp., northeastern Germany, 2008.” Emerg Infect Dis 16(6): 936-942.
  • Sutor, A., K. Kauhala, et al. (2010). “Diet of the raccoon dog Nyctereutes procyonoides — a canid with an opportunistic foraging strategy.” Acta Theriologica 55(2): 165-176.

Reageren is niet mogelijk