Apporterende honden

mr Monty

Een apporterende hond (retriever) moet zonder te aarzelen en met plezier zowel koud als warm wild, te land, te water en over water zo vlug mogelijk bij zijn baas brengen. Een goede apporteur dient ook het geschoten wild in dichte dekking te kunnen vinden en apporteren.

Het aangeschoten wild moet hij ook op het spoor kunnen vinden en liefst levend ter hand stellen daarom moet een retriever zacht in de bek zijn.
Een retriever die als apporterende hond gefokt is, zal van nature zachter in de bek zijn dan een hond die op scherpte gefokt is.

Bij een drijfjacht waar vaak op diverse plaatsen wild wordt geschoten, kan een retriever niet alle valplaatsen van het wild zien. Daarom moet hij zich door zijn baas laten sturen. Met andere woorden, hij moet zich laten ‘dirigeren’. De hond moet de aanwijzingen van zijn baas uitvoeren om op die manier bij de valplaats van het wild te komen.

Hij moet op bevel van zijn baas stoppen, naar hem blijven kijken en zijn aanwijzingen volgen. Hindernissen zoals sloten, beken en heggen mogen geen handicap vormen. De hond mag tijdens het dirigeren geen enkel eigen initiatief tonen. Hij moet volledig op zijn baas vertrouwen en zich laten sturen. Pas na het bevel “apport” indien de hond in de buurt van de veronderstelde valplaats is gekomen, mag hij zelf bepalen waar hij zoekt om het wild te vinden.

jachth19Golden retriever

Het karakter van een Golden is in het algemeen zachter dan dat van de Labrador. Dit kan soms tot uiting komen door wat minder doorzettingsvermogen. De Golden werkt meestal iets “kalmer” dan de Labrador en is door zijn zwaardere vacht iets trager in het zwemmen. land,geselecteerde Goldens.

Herkomst De voorouders van de Golden Retriever zijn vermoedelijk een gele Retriever en een Tweed Water Spaniel, een inmiddels uitgestorven ras. Later werd nog gekruist met een Bloedhond en een rode Setter. Het ras werd in 1960 officieel erkend.

Algemeen voorkomen: Symmetrisch gebouwde, levendige, krachtige hond met vaste gangen en een vriendelijke uitdrukking.

Schofthoogte: reuen 56-61 cm, teven 51-56 cm

Gewicht: reuen 29-35 kg, teven 25-27 kg

Vacht: Vlak of golvend met goede bevedering en een dichte, waterbestendige ondervacht. Elke tint van goud tot roomkleur is toegestaan, maar niet rood of mahonie.

Gebruik: Zeer populaire jachthond en gezinshond. Bezit een natuurlijke jachtaanleg en wordt zeer gewaardeerd om zijn werklust. Hij werkt na het schot en door zijn goede neus, zachte bek, sterke apporteerlust en handzaamheid is hij een uitmuntende apporteur. Gaat graag te water.

Gezondheid: Zie de WKHS gezondheidsinventarisaties. Fokdieren worden onderzocht op het voorkomen van erfelijke oogaandoeningen en heupdysplasie. In het ras komen ook andere gewrichtsproblemen voor, o.a. aan de elleboog.

Aard: Zijn aanhankelijke, betrouwbare, gemoedelijke en vriendelijke aard maakt hem tot een bijzonder prettige huisgenoot. Hij is intelligent, vol zelfvertrouwen en graag bij de mensen. Wanneer hij voldoende beweging in de vrije natuur krijgt, is hij in huis een rustige hond.

Bijzonderheden: De lange vacht moet eens per week geborsteld en gekamd worden en ongeveer elke drie maanden getrimd. Daarbij wordt met een fijne kam het dode haar uit de vacht verwijderd. De ooraanzet wordt gefatsoeneerd en de hals wordt glad gemaakt. De voeten worden rond geknipt.

mr Monty Labrador retriever

De meest populaire retriever op jacht. Jachtgefokte retrievers hebben van nature de eigenschap om de baas een plezier te doen (will to please). Deze eigenschap maakt ze gemakkelijk af te richten. De labrador is een doorzetter en daardoor bijzonder geschikt voor zwaar waterwerk.

Herkomst: Aan het einde van de 18e eeuw kwamen in Newfoundland twee soorten zwarte honden voor: een grote, die “Newfoundlander” werd genoemd, en een kleinere, die “Labrador” of “St. John’s-hond” werd genoemd. Een Engelse jager nam aan het einde van de 18e eeuw vanuit St.John, Newfoundland, zo’n kleine zwarte hond mee naar Engeland. In de daaropvolgende jaren werden regelmatig honden vanuit Newfoundland naar Engeland meegenomen, waar het ras in 1903 erkend werd. Het Portugese woord “lavrador” betekent in het Engels “labourer”, dus arbeider, wat erop zou kunnen wijzen dat deze kleine, zwarte hond oorspronkelijk uit Zuid-Europa afkomstig zou zijn.

Algemeen voorkomen: Sterk gebouwde, korte hond met een brede schedel, een brede borst en ribben, en een brede achterhand. De kenmerkende ‘otterstaart’ is middelmatig lang, zeer dik bij de aanzet en geleidelijk toelopend in een punt. Rondom bekleed met een korte dikke vacht, waardoor de staart de bijzondere ronde vorm krijgt.

Schofthoogte: 56-57 cm, teven 54-56 cm

Gewicht: 30-35 kg

Vacht: Kort, dicht en zonder golf, vrij hard aanvoelend, met een weerbestendige ondervacht. Kleuren: zwart, geel of lever/chocoladekleurig.

Gebruik: Een intelligente hond met een bijzonder goede neus, wat hem zeer geschikt maakt voor het zoekwerk. Apporteert bijzonder betrouwbaar, ook uit het water. Zeer populaire gezinshond.

Gezondheid: Fokdieren worden onderzocht op het voorkomen van heupdysplasie, afwijkingen aan het ellebooggewricht en erfelijke oogaandoeningen.

Aard: Intelligent, aanhankelijk en “the will to please” is ruim aanwezig. Vriendelijk, zonder een spoor van agressiviteit of angst. Is graag bij de mensen en is een prettige huisgenoot. Wanneer hij veel beweging krijgt in de vrije natuur, is het een rustige huishond, maar getraind als jachthond komt hij toch het meest tot zijn recht.

Bijzonderheden: Behalve regelmatige borstelbeurten heeft de korte, dikke vacht geen bijzondere verzorging nodig.

chesapeake Bay retrieverCheasapeake Bay retriever

In tegenstelling tot de vier eerder genoemde retrievers, die uit Engeland afkomstig zijn, is de Ches een product van Amerikaanse bodem. Hij heeft dan ook een totaal ander karakter. Dit komt omdat hij niet is gefokt als apporteur voor de drijfjachten, waar sociaal gedrag t.o.v. andere honden een rol speelt. Hij werd in Amerika gebruikt door broodjagers op waterwild. Hij heeft dan ook een enorme waterwil en een groot doorzettingsvermogen. Zijn dichte, vettige beharing maakt dat hij het onder de meest extreme condities niet koud krijgt. Is geschikt voor alle apporteerwerk, maar blinkt uit in waterwerk. De kleur is altijd bruin, waarbij de kleur van dood gras de voorkeur geniet.Herkomst: Amerikaanse Retriever, ontstaan uit honden aan boord van een in 1807 voor de kust van Maryland, Amerika, vergaan Engels schip. Twee jonge dieren – volgens de verhalen Newfoundlanders of Labradors – werden gered. De rode reu en zwarte teef, echte waterliefhebbers, werden gekruist met andere rassen, vermoedelijk Ierse Water Spaniels en Amerikaanse Coonhounds. Hieruit is de Chesapeake Bay Retriever ontstaan, die in 1933 werd erkend.

Algemeen voorkomen: Een pientere en vrolijke, evenredig gebouwde hond met een brede schedel (Newfoundlander) en ronde ribben (Ierse Water Spaniel). De vacht is erg belangrijk, de hoedanigheid moet goed zijn om hem ook in sneeuw en ijs voor de jacht te kunnen gebruiken, en de kleur is belangrijk, omdat deze de kleur van de omgeving (eendenjacht) zoveel mogelijk moet benaderen.

Schofthoogte: reuen 58-66 cm, teven 53-61 cm

Gewicht: reuen 29-34 kg, teven 25-29 kg

Vacht: Ondervacht dik en kort, met een enigszins olieachtige bovenvacht. Door de vette vacht kan het water niet tot de huid doordringen. Bovendien is de ondervacht erg dicht, zodat het lichaam geheel geïsoleerd is tegen het ijskoude water. Een krulvacht wordt afgekeurd. De kleur is donkerbruin tot lichtbruin.

Gebruik: Bezit van nature over de vereiste werkeigenschappen. Werkt als een Retriever (apporteert), maar wil ook zelfstandig jagen. Wordt in hoofdzaak gebruikt voor de jacht op waterwild, minder geschikt als gezelschapshond.

Gezondheid: Fokdieren worden onderzocht op het voorkomen van heupdysplasie.

Aard: Staat bekend om zijn onbuigzame karakter en zal in het algemeen een strenge behandeling niet dulden. Heeft een kalme, doorzettende aard, maar is niet toeschietelijk en hecht zich meestal maar aan één of twee personen.

Bijzonderheden: De dikke vacht heeft geen bijzondere verzorging nodig.

Flatcoat retriever

Flatcoated retriever

Engels ras; de basis voor dit type hond is gevormd door de St. Johns dog, Spaniëlvariëteiten, Pointers en Setters. Hieruit ontstond de ´Wavycoated Retriever’, die dus de voorloper was van de Flatcoated Retriever.

Algemeen voorkomen: Een vrolijke, levendige en actieve hond van middelmatige grootte, met een intelligente uitdrukking, die kracht toont zonder grofheid en snelheid uitdrukt zonder iel te zijn.

Schofthoogte: reuen 58-61 cm, teven 55-58 cm

Gewicht: reuen 25-35 kg, teven 22,5-30 kg

Vacht: De vacht moet dicht zijn, van goede kwaliteit en zo glad mogelijk. Benen en staart moeten goed bevederd zijn. Altijd zwart of leverkleurig.

Gebruik: Van nature heeft de Flatcoat veel eigenschappen die hem tot een waardevolle jachthond maken. Hij heeft een grote apporteerlust, is snel, intelligent, onvermoeibaar en heeft een goede neus. Hij gaat graag te water. Ook een geliefde gezelschapshond voor de sportieve baas.

Gezondheid: Fokdieren worden onderzocht op het voorkomen van heupdysplasie, patella luxatie en erfelijke oogaandoeningen.

Aard: De Flatcoat is in ruime mate bedeeld met een natuurlijke aanleg tot jachthond,waarbij aan optimisme en vriendelijkheid uiting worden gegeven door enthousiaste staartactie. Alhoewel een temperamentvolle hond, is de Flatcoat vol zelfvertrouwen en vrijmoedig.

Bijzonderheden: De vacht moet regelmatig geborsteld en gekamd worden. Alhoewel de Flatcoat geen ´trimhond´ is, moet de vacht toch regelmatig worden bijgewerkt. De voeten moeten worden rondgeknipt en het overtollige haar aan de hakken moet worden verwijderd.

 

curly coated retrieverCurly coated retriever

Het is de grootste van de retrievers, en zoals de naam al doet vermoeden is zijn krachtige gespierde lichaam gehuld in een dik pak krullen. Curly’s werden vroeger veel door gamekeepers gebruikt bij de nazoek,en ze munten dan ook uit in dit werk. Ze werken zeer goed in de zware rietvelden, waar ze zelfstandig moeten werken. Vergeleken bij de moderne werk Labradors en Goldens zijn ze niet zo snel, maar men kan ze het beste met dieselmotoren vergelijken. Ze werken de hele dag door, en verspillen geen energie. Het zijn op onze jachtdagen altijd weer de Curly’s die de laatste verloren apporten vinden.De Curly is een gevoelige hond die er lang over doet volwassen te worden. Echt een hond voor de liefhebber.

Herkomst: In Engeland ontstaan uit de St. Johns dog en de Tweed en Shannon Waterspaniël. Beide nu verdwenen rassen zijn, net als de Curly Coated Retriever, in het water in hun element. De Curly Coated Retriever is de oudste van de Retriever-rassen en tevens de grootste. In de negentiende eeuw waren ze vooral populair bij jachtopzieners. Zij hadden betrouwbare apporteurs nodig die onder alle omstandigheden zwaar werk konden verrichten en dit ook de hele dag volhielden. Bovendien moest de Curly hen bijstaan bij het aanhouden van stropers. Het ras verscheen in 1860 op Engelse tentoonstellingen.

Algemeen voorkomen: Een sterke, actieve, evenredig gebouwde hond met een aparte vacht, die intelligentie en uithoudingsvermogen uitstraalt. Een stoere hond, maar ook een elegante en aristocratische verschijning.

Schofthoogte: reuen 68,5 cm, teven 63,5 cm

Gewicht: ongeveer 30-40 kg

Vacht: Het hele lichaam, met uitzondering van het gezicht, is bedekt met een massa kleine krullen. De vacht is dicht, vettig en waterafstotend. Zwart of leverkleurig.

Gebruik: Gespecialiseerd in het zoeken, vinden en binnenbrengen van wild in zwaar terrien en van heel ver. Thans vooral gezinshond.

Gezondheid: Fokdieren worden onderzocht op het voorkomen van heupdysplasie en erfelijke oogafwijkingen.

Aard: Zachte honden met een intelligent, soms eigengereid karakter. Ze werken omdat ze het leuk vinden, maar met dwang lukt het niet. Ze zijn vriendelijk en betrouwbaar, doch kunnen gereserveerd zijn ten opzichte van vreemden.

Bijzonderheden: De vacht wisselt twee keer per jaar en heeft geen bijzondere verzorging nodig. Kammen is slecht voor de vacht, dat beschadigt de krullen. Dood haar wordt verwijderd door de vacht een paar maal per week nat maken en dan met de handen te masseren.

Nova Scotia Duck Tolling RetrieverNova Scotia Duck Tolling Retriever

Dit is de kleinste van de retrievers. Het ras is in Canada gefokt om de jagers te helpen bij de eendenjacht. Natuurlijk door het ophalen van de geschoten eenden, maar daarnaast heeft de Toller, zoals het ras ook wel wordt genoemd, een functie bij het lokken van de eenden. Jagers op Nova Scotia in Canada hadden namelijk vossen geobserveerd bij het lokken van eenden en besloten toen een speels ras te fokken dat op de vos leek. De hond moest middels spelen aan de waterkant de eenden naar zich toe lokken. Dat is gelukt. Hoewel de Toller hoofdzakelijk als retriever wordt ingezet bij de jacht, zijn er met name in Zweden proeven ontwikkeld waar de Toller kan laten zien hoe hij tolt. De Nova Scotia Duck Tolling Retriever is een intelligente hond, die buiten actief is en binnen een rustige levenskameraad. Ze hebben veel behoefte om te werken, en houden erg van afwisseling. Ze zijn dol op water, hebben een waterafstotende vacht, waardoor ze ook in de winter het water in kunnen. Bovendien hebben ze kleine zwemvliezen tussen de tenen, waardoor ze snelle zwemmers zijn.

Herkomst: Er zijn meerdere theorieën over hondenrassen, die in het verleden gekruist zouden zijn om te resulteren in wat bekend is geworden als “Little River Duck Dog of Yarmouth Toller”.In geschriften van kolonisten wordt regelmatig melding gemaakt van het gebruik van kleine rode honden om eenden mee te lokken.Overigens is ook de naam van het ras, die meestal wordt afgekort tot: “Toller”, pas veel later bedacht. In zijn oorspronkelijke omgeving, in het zuidwesten van Nova Scotia, in het district “Little River” in “Yarmouth County”, werd de hond “Little River Duck Dog” of “Yarmouth Toller” genoemd.

In een poging het Nederlandse Kooikerhondje in verband met de Toller te brengen wordt wel gewezen op het ontstaan van het Engelse woord “decoy” (=lokken) dat zou komen van het Nederlandse “de kooi” uit het woord “eendenkooi”.

In ieder geval is het curieus te noemen dat over de ontstaansgeschiedenis van het ras zoveel onduidelijkheden zijn, terwijl het ras toch nog erg jong is. Het ras kreeg zijn huidige naam “Nova Scotia Duck Tolling Retriever” toen de Canadese Kennel Club in 1945 het voor het eerst ging registreren. Volledige internationale erkenning van de FCI kreeg het ras in 1982.

Algemeen voorkomen: Middelgrote, krachtige, goed in balans zijnde en gespierde hond met een hoge graad van beweeglijkheid. Opvallend zijn de triangelvormige oren en de voeten, die zwemvliezen hebben.

Schofthoogte: reuen 48-51 cm, teven 45-48 cm

Gewicht: reuen 20-23 kg, teven 17-20 kg

Vacht: Dubbele, waterbestendige vacht, middelmatig lang, zacht, met een zachte, maar zeer dichte ondervacht. Mag op de rug lichte golving hebben. De kleur is een variatie van nuances in rood of oranje. Witte markeringen aan het puntje van de staart, voeten, borst en bles. Ontbreken daarvan is geen fout.

Gebruik: De Nova Scotia Duck Tolling Retriever is gefokt als werkhond en dankt veel van zijn karaktereigenschappen juist aan het specifieke werk waarvoor hij is gefokt.

Wordt o.a. gebruikt voor de eendenjacht met een zeer aparte werkwijze: de honden maken door hun gedrag de buiten het bereik van een jager zwemmende eenden nieuwsgierig, die aldus binnen schootsafstand komen, of de uitgezette netten binnenzwemmen. De Toller is een gepassioneerde apporteur die over genoeg kracht moet beschikken om een volwassen gans aan land te brengen en een zeer intelligente hond met een groot uithoudingsvermogen. Hij is een kundige en sterke zwemmer en een natuurlijke en goede apporteur op land zowel als uit het water, waarbij hij zichzelf snel in actie brengt zodra er een indicatie gegeven wordt dat apporteren gewenst is. Zijn sterke wil om te apporteren en zijn speelsheid zijn essentieel voor zijn “Tolling” eigenschap.

Tijdens het werk dragen zij het hoofd bijna in één lijn met de rug en is de staart constant in beweging.

Gezondheid: De erkende rasvereniging, de Nova Scotia Duck Tolling Retriever Club Nederland, stelt in haar fokreglement dat alle fokdieren moeten worden getest op heupdysplasie. Tevens dienen zij te worden onderzocht op erfelijke oogaandoeningen d.m.v. oogspiegeling én een DNA-test voor prcd-PRA en CEA/CH te ondergaan.

Problemen die regelmatig in dit ras voorkomen:

  • Instabiel en onzeker, soms angstig, gedrag;
  • Kleine gebitselementen.

Aard: De Toller vertoont in gedrag overeenkomsten en verschillen met andere retrieversoorten. Met de juiste socialisatie en opvoeding kunnen Tollers vriendelijke en sociale honden worden. Ze zijn over het algemeen intelligent, speels, aanhankelijk, vrolijk en leergierig en vinden het leuk om nieuwe dingen te leren. Naar vreemden kan de Toller afstandelijk zijn maar nimmer agressief. Tollers zijn niet bijzonder waaks. Ze zullen een keer blaffen als er iets niet klopt, maar laten het daar meestal bij, al zijn er exemplaren die zeer beschermend kunnen optreden. Tollers zijn geen allemansvrienden.

Een Toller is over het algemeen geen “beginners” hond. De opvoeding van een Toller lijkt gemakkelijk maar is het lang niet altijd. Doordat de Toller eigenwijs is, snel leert en veel eigen initiatief heeft (welke gerelateerd is aan zijn oorspronkelijke gebruiksdoel) kan hij zich ook veel dingen eigen maken die niet altijd gewenst zijn door de baas. Harde correcties zijn echter niet nodig, met de stem en een consequente opvoeding kun je veel bereiken bij een Toller.

Het is deze gevoeligheid die in het hele wezen van de Toller zichtbaar is en het trainen tot een aparte uitdaging maakt. Het is dus ten zeerste aan te bevelen met de hond te wandelen, te trainen, te spelen, te sporten en/of te werken. Mits aan deze voorwaarden wordt voldaan, kan de Toller en leuke en rustige “huishond” zijn.

Bijzonderheden: De Toller verhaart over het algemeen 2x per jaar maar die verhaarperiode bestaat uit 2 onderdelen, eerst komt de ondervacht en daarna verliest de Toller pas de bovenvacht. Tijdens deze verhaarperiode is het aan te bevelen om regelmatig te borstelen. Verder verzorging bestaat uit het plukken van de lange haren rond de oren en het knippen van de voeten. Terwijl is toegestaan de oren en de voeten te trimmen, moet de Toller een natuurlijke uitstraling behouden.

Print Friendly

Reageren is niet mogelijk