Kamerbrief over onduidelijkheden over bevoegdheden van provincies ten aanzien van de jacht

image_pdfimage_print

De Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Binnenhof 22

2513 AA DEN HAAG

Datum    20 mei 2016

Betreft    Onduidelijkheden over de bevoegdheden van provincies ten aanzien van de jacht

Geachte Voorzitter,

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken heeft mij per brief van 13 april 2016 (kenmerk 157835.27u) vragen van de fracties van D66, PVV, SP, GroenLinks en PvdD over de bevoegdheden van provincies ten aanzien van de jacht doen toekomen. Met deze brief beantwoord ik de gestelde vragen.

In de eerste plaats vragen de genoemde fracties mij om verduidelijking van de bevoegdheidstoedeling tussen Rijk en provincies in de Wet natuurbescherming ten aanzien van de jacht.

Net als in de Flora- en faunawet is het de jachthouder op grond van de Wet natuurbescherming toegestaan om op zijn jachtveld te jagen op wild van de vijf in de wet aangewezen soorten (artikel 3.20, eerste lid). Hij dient datgene te doen wat een goed jachthouder betaamt om een redelijke wildstand in zijn jachtveld te handhaven dan wel te bereiken, en om schade door in zijn jachtveld aanwezig wild te voorkomen (artikel 3.20, derde lid). Het is verboden te jagen als de jacht op de betreffende soort niet is geopend; de minister van Economische Zaken bepaalt in hoeverre de jacht is geopend (artikel 3.22). Artikel 3.22, vierde lid, geeft gedeputeerde staten van provincies de bevoegdheid om de jacht te sluiten als bijzondere weersomstandigheden daartoe nopen.

Een nieuw element in de wet is dat de jachthouder bij het bepalen welke inspanningen nodig zijn om in zijn jachtveld een redelijke wildstand te handhaven of te bereiken, het onderdeel van het door gedeputeerde staten goedgekeurde faunabeheerplan in acht moet nemen dat betrekking heeft op de uitoefening van de jacht (artikel 3.12, eerste lid). Daarmee is verzekerd dat zijn inspanningen zijn afgestemd op andere inspanningen in de regio, te weten de uitoefening van de jacht op andere jachtvelden, de schadebestrijding door grondeigenaren en het populatiebeheer door faunabeheereenheden.1

De wet laat de invulling van het faunabeheerplan, waar het gaat om het onderdeel dat betrekking heeft op de uitoefening van de jacht, in eerste instantie over aan de faunabeheereenheid zelf. De enige maatstaf die uit de wet volgt, is dat het faunabeheerplan de jachthouder de ruimte moet bieden om invulling te geven aan diens verplichting om een redelijke wildstand op zijn jachtveld te handhaven of te bereiken (artikel 3.20, vierde lid). Gedeputeerde staten dient hierop te toetsen bij de beoordeling van het faunabeheerplan.2

Bij een redelijke wildstand in een jachtveld is het niveau van de wildstand zodanig dat deze bijdraagt aan het voorkomen van schade zonder dat de staat van instandhouding van de soort daar onder te lijden heeft. Het is in eerste instantie aan de jachthouder om te bepalen wat een redelijke wildstand in de praktijk betekent. De jachthouder zal deze informatie bij de faunabeheereenheid aanleveren ten behoeve van het opstellen van het faunabeheerplan.3 Bij het opstellen van het faunabeheerplan wordt ten algemene gebruik gemaakt van de verplicht door jagers te overleggen afschotgegevens (zie artikel 3.13, eerste lid) en door eenieder vrijwillig te verstrekken schattingen, trends en – waar redelijkerwijs mogelijk – tellingen. De faunabeheerplannen en de daaraan ten grondslag liggende gegevens zijn openbaar (artikel 3.12, zesde lid).4

Provinciale staten hebben de bevoegdheid om bij verordening regels te stellen over de in hun provincie werkzame faunabeheereenheid en het door die faunabeheereenheid op te stellen faunabeheerplan (artikel 3.12, negende lid). Deze regels kunnen ook betrekking op het onderdeel van het faunabeheerplan dat handelt over de uitoefening van de jacht. Deze regels moeten dan de jachthouder de ruimte bieden om invulling te geven aan diens verplichting om een redelijke wildstand op zijn jachtveld te handhaven of te bereiken. Deze bevoegdheid reikt dus niet zo ver dat provincies het recht van de jachthouder op het uitoefenen van de jacht verdergaand kan beperken of zelfs ontzeggen.5

De fracties van D66, PVV, SP, GroenLinks en PvdD vragen mij tevens naar het proces als er geen overeenstemming bestaat binnen een faunabeheereenheid over het op te stellen faunabeheerplan.

Provincies hebben belang bij een duurzaam, goed onderbouwd populatiebeheer. Ik vertrouw er dus op dat zij alles in het werk zullen stellen om dergelijke situaties te voorkomen en eventuele impasses in de besluitvorming te doorbreken.

In het onverhoopte geval dat een faunabeheereenheid geen faunabeheerplan zou vaststellen, is het niet mogelijk om populaties te beheren, schadeveroorzakende dieren te bestrijden en de jacht uit te oefenen overeenkomstig het faunabeheerplan. Voor het populatiebeheer zou dit betekenen dat gedeputeerdestaten aan faunabeheereenheden, wildbeheereenheden, personen of andere samenwerkingsverbanden, opdracht kan verlenen om handelingen te verrichten om de omvang van de stand van een populatie te beperken. Artikel 3.18 voorziet in de bevoegdheid daartoe.

Voor de uitoefening van de jacht door de jachthouder blijven in deze situatie de overige voorgestelde regels van toepassing. De jachthouder dient op zijn jachtveld een redelijke wildstand te handhaven of te bereiken (artikel 3.20, derde lid). Grondgebruikers dienen bij de uitoefening van schadebestrijding overeenkomstig de wettelijke eisen en de vrijstellingsvoorwaarden voor schadebestrijding te handelen (artikel 3.15, vijfde en zesde lid).6 In de ontwerpregeling natuurbescherming, die ik op 13 mei jl. aan beide Kamers der Staten-Generaal heb gezonden, is als voorwaarde opgenomen dat gehandeld wordt overeenkomstig het goedgekeurde faunabeheerplan. Bij het ontbreken daarvan, kan worden teruggevallen op de voornoemde opdracht (artikel 3.18 van de wet).

Voorts vragen genoemde fracties hoe evenwichtige faunabeheereenheden georganiseerd kunnen worden en wie bepaalt wat ‘evenwichtig’ is.

Artikel 3.12, tweede lid, van de wet bepaalt dat in het bestuur van een faunabeheereenheid in ieder geval de jachthouders uit het werkgebied van de faunabeheereenheid en maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in de regio waartoe het werkgebied van de faunabeheereenheid behoort, zijn vertegenwoordigd. Op uitnodiging van het bestuur van de faunabeheereenheid kunnen vertegenwoordigers van andere dan de in de tweede volzin bedoelde maatschappelijke organisaties en wetenschappers op het gebied van faunabeheer deelnemen aan de vergaderingen van het bestuur en het bestuur adviseren. De wet stelt dus geen eisen wat betreft evenwichtigheid. De door uw Kamer aangenomen motie Verheijen c.s.7 spreekt overigens over een brede samenstelling van de besturen van de faunabeheereenheden.

De faunabeheereenheden, zijnde verenigingen of stichtingen, zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor de samenstelling van hun bestuur. Provinciale staten hebben de bevoegdheid om bij verordening regels te stellen over de in hun provincie werkzame faunabeheereenheid (artikel 3.12, negende lid). Deze regels kunnen in elk geval betrekking hebben op de vertegenwoordiging van maatschappelijke organisaties in het bestuur van de faunabeheereenheid. Het is aan faunabeheereenheden en provincies in het kader van hun respectievelijke taken en bevoegdheden om invulling te geven aan de wettelijke eisen hieromtrent.

De hiervoor aangehaalde motie Verheijen c.s. verzoekt de regering samen met de provincies in landelijk overleg te treden met organisaties en de vertegenwoordigers van bestaande faunabeheereenheden om te bevorderen dat voldaan kan worden aan de gevraagde brede samenstelling van de besturen van de faunabeheereenheden ten behoeve van een maatschappelijk gedragen faunabeleid. In nauwe samenspraak met het Interprovinciaal Overleg (IPO) wordt thans een dergelijk, landelijk overleg georganiseerd; de bedoeling is dat dit nog vóór de zomer zal plaatsvinden.

Tenslotte kan ik meedelen dat er veelvuldig overlegd wordt tussen het IPO en ambtenaren van mijn ministerie over de uitoefening van de gedecentraliseerde taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden op het vlak van het gebiedsgerichte beleid. Ook op bestuurlijk niveau wordt hier regelmatig bij stil gestaan.

(w.g.)          Martijn van Dam

Staatssecretaris van Economische Zaken


2 Kamerstukken I 2015/16, 33 348, D, blz. 23.

3 Kamerstukken I 2015/16, 33 348, D, blz. 47.

4 Kamerstukken I 2015/16, 33 348, D, blz. 20.

5 Kamerstukken I 2015/16, 33 348, D, blz. 41.

6 Kamerstukken I 2015/16, 33 348, D, blz. 22-23.

7 Kamerstukken I 2015/16, 33 348, I.

Reageren is niet mogelijk