Nadere informatie in relatie tot plaatsing van de vos op de landelijke vrijstellingslijst

vos op jacht De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Binnenhof 4

2513 AA ’s-GRAVENHAGE

Datum       7 oktober 2014

Betreft: Nadere informatie in relatie tot plaatsing van de vos op de landelijke vrijstellingslijst

Geachte Voorzitter,

Naar aanleiding van het algemeen overleg van 14 mei 2014 en het VAO van 21 mei 2014 over wildbeheer, en in aanvulling op mijn brief van 21 mei 2014 (TK 2013-2014, 28286, nr. 734), geef ik u hierbij nadere inhoudelijke informatie in relatie tot plaatsing van de vos op de zogeheten landelijke vrijstellingslijst en het toestaan van aanvullend vossenbeheer door provincies. Daarbij doe ik u, zoals gevraagd, ook het Sovon-rapport “Broedsucces weidevogels en vossenpredatie” toekomen over een in Gelderland uitgevoerd onderzoek1.

In mijn brief van 21 mei jl. gaf ik aan dat de feitelijke omstandigheden op basis waarvan de vos in 2006 op de landelijke vrijstellingslijst is geplaatst – met name de achteruitgang van weidevogels – niet wezenlijk zijn veranderd. De provincies zijn sinds de decentralisatie nu in belangrijke mate verantwoordelijk voor de uitvoering van natuurbeleid. Zij hebben mij niet verzocht de vos van de huidige landelijke vrijstellingslijst te halen. Ik heb ook uiteengezet dat provincies ontheffingen kunnen verlenen voor aanvullend beheer van vossen, waaronder voor het toestaan van het gebruik van kunstmatige lichtbronnen. Provincies geven aan dat zij aanvullend beheer vooral toestaan in verband met predatie door vossen van weidevogels en andere grondbroeders en van pluimvee bij bedrijven die vrije-uitloopkippen houden.

Daarmee zijn in relatie tot plaatsing van de vos op de landelijke vrijstellingslijst en het toestaan door provincies van aanvullend vossenbeheer in verband met weidevogels en andere grondbroeders de volgende aspecten relevant: (1) formele argumenten voor de vrijstelling, (2) de ontwikkeling en regulatie van vossen- populaties en (3) predatie van weidevogels door vossen. In relatie tot het toestaan door provincies van aanvullend vossenbeheer in verband met vrije- uitloopkippen is nog het volgende aspect relevant: (4) predatie van pluimvee door vossen bij bedrijven met biologische en vrije-uitloopkippen.

Ik ga hierna inhoudelijk nader op de verschillende aspecten in. Voor nadere feiten en cijfers in relatie tot bestrijding van vossen, waaronder een historische context, verwijs ik naar bijlage 1.

(1) Formele argumenten landelijke vrijstelling

De plaatsing van de vos op de landelijke vrijstellingslijst onder de Flora- en faunawet (hierna: Ff-wet) was een expliciete wens van de Kamer, waarbij werd verwezen naar schade aan fauna (zie o.a. TK 2002-2003, 28600-XIV, nrs. 12 en 17). Bij wetswijziging van 2006 is de grondslag schade aan fauna opgenomen in artikel 65 van de Ff-wet en is het Besluit beheer en schadebestrijding (hierna: Besluit) gewijzigd, waarbij de vos op de landelijke vrijstellingslijst is geplaatst. In de argumentatie daarvoor komt predatie van weidevogels als belangrijkste punt naar voren2. Over dat onderwerp is ook een rapport met voorlopige resultaten naar de Kamer gezonden (TK 2004-2005, 29446, nr. 29).

(2) Ontwikkeling en regulatie van vossenpopulaties

De constatering in de nota van toelichting bij het Besluit (Staatsblad 2006, 42), dat de vos in een gunstige staat van instandhouding verkeert, geldt onverminderd. Rond 1970 kwam de vos nog vooral voor in hogere delen in het oosten en zuiden van Nederland3. Sindsdien heeft de vos zich verder uitgebreid naar andere delen van het land (zie bijlage 1, figuur 1). Bezien over de periode 1994-2012, wordt de landelijke trend van de vos als stabiel aangemerkt (zie bijlage 1, figuur 2).

Met bestrijding van vossen wordt vaak beoogd de omvang van vossenpopulaties of de vossendichtheid in een bepaald gebied te reduceren. Onder welke omstandigheden die bestrijding effectief is en of vervolgens de achteruitgang van prooidieren vermindert, is niet eenvoudig aan te geven. Er blijkt internationaal veel onderzoek te zijn gedaan naar vossen en uitkomsten van vossenonderzoek lijken te variëren per land4 of vossenpopulaties in kwestie5.

Wel is uit buitenlands onderzoek bekend dat intensieve vossenbestrijding in relatief kleine gebieden de vossendichtheid op zijn minst tijdelijk omlaag kan brengen4. Onderzoek in Nederland laat vergelijkbare uitkomsten zien 6,7.

Provincies kunnen ontheffingen verlenen voor de inzet van kunstmatige lichtbronnen. Deze zijn vooral geschikt voor gebruik in het donker in open terrein. Vossen zijn vooral in het donker actief en dan zijn er weinig andere middelen voorhanden. Bestrijding met behulp van kunstlicht vereist relatief veel mensuren en hoeft op zichzelf beschouwd niet noodzakelijk de meest effectieve methode te zijn voor het bereiken van populatiereductie6. In een intensieve vossenbestrijding zorgt echter de inzet van verschillende middelen en methoden naast elkaar, waaronder kunstlichtgebruik, voor het beoogde effect. Provincies kunnen desgewenst ook ontheffing verlenen voor het gebruik van restlicht-geweerkijkers, al dan niet uitgerust met infraroodtechniek. Het is niet bekend wat de relatieve effectiviteit van deze techniek is.

(3) Predatie van weidevogels en andere grondbroeders door vossen

Ook de constatering in de nota van toelichting bij het Besluit, dat de stand van weidevogels in ons land, vooral die van de grutto’s, zeer kwetsbaar is en de laatste jaren sterk achteruitgaat, geldt nog steeds. Gegevens over de periode

1994-2012 laten een achteruitgang zien van de landelijke weidevogelpopulatie als geheel en de gruttopopulatie in het bijzonder (zie bijlage 1, figuur 3). Die achteruitgang is al langer gaande en intensivering van landbouw wordt daarbij als een belangrijke factor gezien. In agrarisch natuurbeheer is de inzet dan ook voor een groot deel gericht op het ontzien van weidevogels.

Daarnaast zijn ook andere factoren van invloed op weidevogelpopulaties, zoals predatie en verlating van nesten. Onderzoek naar predatie van kieviten en grutto’s, waarvan voorlopige resultaten met de Kamer zijn gedeeld (TK 2004- 2005, 29446, nr. 29), geeft onder meer het volgende aan8. Predatie is vooral in combinatie met (een toename in) andere verliesoorzaken beperkend voor de populatieontwikkeling van weidevogels. Landelijk was in gebieden met vrijwillige weidevogelbescherming predatie de belangrijkste oorzaak voor verlies van legsels. Daarbinnen, in nader onderzochte gebieden met relatief veel predatie, waren vooral zoogdieren (zoals vossen en marterachtigen) betrokken bij predatie van legsels en vogels (zoals buizerds en blauwe reigers) bij predatie van kuikens van weidevogels.

In gebieden met het grootste legselverlies door predatie (meer dan 50%), bleken vossen vaak de belangrijkste predatoren te zijn en soms hermelijnen.

Verder adviseren de onderzoekers om in verband met achteruitgang van weidevogels te kiezen voor een gebiedsgerichte benadering en het aanpakken van verschillende beperkende factoren tegelijk. Het is dus verdedigbaar om in die context desgewenst ook predatie van vossen als factor aan te kunnen pakken.

Naast afschot van vossen, zijn er ook praktijkproeven van beperkte omvang gedaan met schrikdraad, rasters en nestbeschermers om percelen of individuele nesten te beschermen tegen vossen, waaronder in Noord-Holland (weidevogels) en Overijssel (wulpen). Daarbij lijkt bijvoorbeeld het uitrasteren van percelen soms positief te werken, maar door de beperkte opzet van de proeven, zijn geen duidelijke conclusies te trekken9. Er is geen grootschaliger en meer systematisch opgezet wetenschappelijk onderzoek bekend dat aangeeft wat de relatieve effectiviteit van de verschillende maatregelen is.

Provincies geven aan dat afschot van vossen ook betrekking heeft op het behoeden van andere grondbroeders voor vossenpredatie. Landelijk was in elk geval bij 20 andere soorten broedvogels, die net als weidevogels nesten op de grond maken, sprake van een matige afname in de laatste tien jaar, en bij drie soorten, waaronder korhoen en patrijs, van een sterke afname10.

(4) Predatie van pluimvee door vossen

Vooral bedrijven met biologische kippen en vrije-uitloopkippen (Freiland-kippen) kunnen nadeel ondervinden door predatie van pluimvee door vossen. Afgaand op het totaal aan door het Faunafonds uitgekeerde tegemoetkomingen voor vossen, was dat nadeel tot en met 2006 van geringe betekenis. In de periode 2002-2006 is er alleen in de jaren 2004, 2005 en 2006 uitgekeerd voor in totaal 11 duizend euro, waarvan een groot deel betrekking had op kippen. Niettemin werd elders vastgesteld dat van onderzochte biologische bedrijven, 13% uitval had door vossen en nog eens 13% door vossen en roofvogels tegelijk11. In de periode 2007-2013 is het aantal leghennen bij biologische en vrije-uitloopbedrijven toegenomen (zie bijlage 1, figuur 4), evenals het aantal biologische bedrijven. Daarmee is ook het belang van deze sector toegenomen en de mogelijkheid dat belangrijke schade aan pluimvee wordt ondervonden in de zin van de Ff-wet.

Sinds 2006 heeft het Faunafonds geen tegemoetkomingen in verband met vossenschade verleend, omdat de vos toen op de landelijke vrijstellingslijst is geplaatst.

Als alternatief voor bestrijding kan gedacht worden aan maatregelen gericht op het weren van vossen. Daarvoor adviseert het Faunafonds plaatsing van een gaasraster eventueel in combinatie met schrikdraad. Een experiment van beperkte omvang met een apparaat dat ter afschrikking van vossen willekeurige lichtstralen genereert, leverde geen overtuigende resultaten op12. Elders worden specifieke aanwijzingen gegeven voor gaas13, inclusief gecombineerd met schrikdraad14, om pluimvee effectief tegen onder meer vossen te beschermen. Vanuit hygiëne- maatregelen en inrichtingseisen van het Productschap Pluimvee en Eieren15 en

een aantal van de voor deze sector veelal relevante keurmerken, worden standaard al zekere afschermingen van of schuilmogelijkheden voor kippen geëist of geadviseerd, maar het lijkt onwaarschijnlijk dat deze in alle gevallen ook afdoende bescherming tegen vossen bieden. Het effectief voswerend inrichten van bedrijven zal daarom waarschijnlijk vaak extra investeringen vragen. Het is aan provincies om in het kader van ontheffingaanvragen voor vossen te beoordelen of zulke investeringen als bevredigende oplossingen in het kader van de Ff-wet zijn aan te merken.

Wet natuurbescherming

Zoals ik in het VAO van 21 mei al aangaf, acht ik de in voorliggende brief gegeven informatie vooral relevant in het kader van de behandeling van het wetsvoorstel natuurbescherming (TK 2011-2012, 33348, nr. 2 en bijbehorende nota van wijziging, TK 2013-2014, 33348, nr. 5), waarin de grondslag voor de – nieuwe – landelijke vrijstelling is opgenomen.

De daadwerkelijke aanwijzing van soorten en het verlenen van de vrijstelling is voorzien bij gedelegeerde regelgeving. Daarover vindt afstemming met de provincies plaats.

 (w.g.)                Sharon A.M. Dijksma

Staatssecretaris van Economische Zaken


1 Gijsbertsen, J. & Teunissen, W. (2013). Broedsucces weidevogels en vossenpredatie. Sovon-rapport 2013/77. Nijmegen: Sovon Vogelonderzoek Nederland.

2 Zie voor de uitgebreidere argumentatie: de memorie van toelichting bij het voorstel tot wijziging van de Ff-wet

(TK, 2003-2004, 29448, nr. 3), nadere brieven van de minister (TK, 2003-2004, 29446, nr. 2 en 2004-2005,

29446, nr. 25), de nota naar aanleiding van het verslag (TK, 2004-2005, 29448, nr. 6), de reacties van de minister tijdens de behandeling van het wetsvoorstel (Handelingen TK, 2005-2006, nr. 4, 192-204) en de nota van toelichting bij het Besluit (Staatsblad 2006, 42).

3 Zie Mulder, J.L. (1992). Vos, Vulpes vulpes. In: Broekhuizen, S., Hoekstra, B., Van Laar, V., Smeenk, C. &

Thissen, J.B.M. (redactie). Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Utrecht: Stichting Uitgeverij KNNV, p. 126-132.

4 Zie Baker, P. (2005). Het bestrijden van de vos, helpt dat eigenlijk wel? In: Mulder, J.L., Van Apeldoorn, R.C. & Klok, C. (redactie). Naar een effectief en breed geaccepteerd vossenbeheer: verslag van het vossensymposium op 12 mei 2004 te Utrecht. Dordrecht: Faunafonds, p. 50-57.

5 Zie Devenish-Nelson, E.S., Haris, S., Soulsbury, C.D., Richards, S.A. & Stephens, P.A. (2012). Demography of a carnivore, the red fox, Vulpes vulpes: what have we learnt from 70 years of published studies? Oikos 122: 705-716.

6 Zie Mulder, J.L. (2007). Vossenbeheer voor hamsters, (hoe) heeft het gewerkt? Rapport. De Bilt: Bureau Mulder- natuurlijk.

7 Zie Mulder, J.L. (2011). Vossenonderzoek en –beheer op de Sallandse Heuvelrug 2009-2010. Rapport. De Bilt:

Bureau Mulder-Natuurlijk.

8 Zie Teunissen, W., Schekkerman, H., Willems, F. (2005). Predatie bij weidevogels: op zoek naar de mogelijke effecten van predatie op de weidevogelstand. Sovon-onderzoeksrapport 2005/11. Beek-Ubbergen: Sovon Vogelonderzoek Nederland/ Alterra-rapport 1292, Wageningen: Alterra.

9 Zie bijvoorbeeld Visbeen, F (2006). De vos en weidevogelbescherming: een onderzoek naar voswerende maatregelen op de bescherming van weidevogellegsels. Purmerend: Vereniging Agrarisch Natuurbeheer Waterland, in samenwerking met Sovon.

10 Brongegevens: Netwerk Ecologische Monitoring (Sovon en CBS); gepubliceerd op 8 november 2013; <

http://www.netwerkecologischemonitoring.nl/dataloket >.

11 Zie Bestman, M. & Wagenaar, J. (2009). Biologische leghennen: gezond, gezonder, gezondst: de relatie tussen

12 Zie Fernández, I. (2013). Effectiviteit van Foxlight tegen predatie door vossen op pluimveeboerderijen. Rotterdam: Infofauna.

13 Zie Brussels Instituut voor Milieubeheer (2003). Een vosveilig kippenhok. Informatieposter op de website <

www.leefmilieubrussel.be >.

14 Zie Mulder, J.M. (2014). Pluimvee beschermen tegen predatie. Rapport. Groenekan: Bureau Mulder-natuurlijk.

15 Zie Besluit preventieve hygiënemaatregelen en inrichtingseisen pluimveebedrijven (PPE) 2013; van toepassing


Bijlagen

enige-nadere-feiten-en-cijfers-over-het-beheer-van-vossen-2
Kamerstuk | 07-10-2014
Broedsucces weidevogels en vossenpredatie
Rapport | 07-10-2014

Print Friendly, PDF & Email

Reageren is niet mogelijk