Onderzoeken Faunafonds overwinterende ganzen- Bij12

image_pdfimage_print

ganzenschade aan wintertarweIn de tegemoetkomingen die door het Faunafonds worden verstrekt vormt schade door overwinterende ganzen de hoogste kostenpost. Gezien deze hoogte en de trend van de tegemoetkomingen in de schade heeft onderzoek naar de beperking van schade veroorzaakt door overwinterende ganzen al jarenlang een hoge prioriteit.

Hieronder volgen de uitkomsten van twee recente onderzoeken naar het gedrag van ganzen die in opdracht van het Faunafonds zijn uitgevoerd. Het eerste betreft de effectiviteit van het ganzenbeleid op landelijk niveau, het tweede de effectiviteit op gebiedsniveau.

Opvangbeleid overwinterende ganzen niet effectief

Het doel om overwinterende ganzen (en smienten) op te vangen in daarvoor aangewezen foerageergebieden wordt niet gehaald. Dat blijkt na 8 jaar van monitoring, aanvankelijk in opdracht van het voormalige ministerie van LNV, de laatste drie winters door SOVON in opdracht van het Faunafonds. In deze winters is vooral ook gekeken of de ganzen bij een langer volgehouden beleid van opvang in bepaalde gebieden en verjaging of afschot in andere gebieden, geleidelijk steeds beter hun spreidingsgedrag op zouden aanpassen. Er is echter geen indicatie voor een leereffect gevonden. Belangrijkste verklaringen voor het geconstateerde geringe effect van het opvangbeleid zijn de toename van de aantallen overwinterende ganzen, het voor de gans onvoldoende waarneembare verschil tussen rustgebied en gangbaar agrarisch gebied en de onvoldoende of niet optimale locaties voor de opvanggebieden.

Het opvangbeleid dateert al uit 2004, toen ingesteld door het rijk door middel van het Beleidskader Faunabeheer en is in meer gebiedsspecifieke nuancering door de provincies overgenomen. Doel was en is nog steeds enerzijds het waarborgen van de duurzame instandhouding van soorten en anderzijds het beheersbaar houden van de tegemoetkomingen van gewasschade.

Effectiviteit verschillende regiems van verjaging en afschot in relatie tot schade aan akkerbouwgewassen

De meest voorkomende manier om schade aan landbouwgewassen door vraat van ganzen te voorkomen en te bestrijden is door verjaging, al of niet met ondersteunend afschot. In opdracht van het Faunafonds heeft het bureau Waardenburg in 2012 en 2013 in de Hoekse waard een veldexperiment uitgevoerd naar het regiem van verjaging met de meest effectieve schadevermindering. De Hoekse Waard grenst in het zuiden aan de Natura 2000-gebieden Haringvliet en Hollands Diep. Deze voormalige zeearm kent een groot aantal buitendijkse terreinen. Deze terreinen zijn broedgebied en pleisterplaats voor ganzen. Deze ganzen komen met regelmaat in de binnendijkse akkerbouwgebieden (aan de andere zijde van de dijk) foerageren.

Met als referentie een regiem van niets doen (met rust laten) is gekeken naar de effecten van twee regiems van verjaging op de schade bij de meest in het gebied voorkomende gewassen wintertarwe, suikerbieten en aardappelen:

Adequaat gebruik middelen. Verjaging vooral op het moment dat schade optreedt (ondersteunend afschot d.m.v. ‘adequaat gebruik’, d.w.z. maximaal 3 maal per week verjaging m.b.v. afschot en daarnaast regelmatige verjaging (maximaal 2 maal daags met zg. ansia-pistool door grondgebruiker);

Gecoördineerde verjaging. Hierbij wordt zo nodig iedere dag meerdere malen verjaagd (dat wil zeggen verjaging met ondersteunend afschot) en zijn jagers op afroepbasis beschikbaar wanneer ganzen tussendoor aanwezig zijn.

De meeste schade, in alle drie de regiems is vastgesteld in wintertarwe. Op dit gewas wordt het gehele jaar gefoerageerd; al wisselt de intensiteit in de loop van het seizoen.

In suikerbiet en aardappel is schade en dreigende schade vastgesteld. Dit was zonder uitzondering aan de orde aan het einde van het groeiseizoen van deze twee gewassen.

Ten opzichte van de referentiesituatie dat de ganzen met rust werden gelaten trad bij alle gewassen de grootste schadevermindering op bij het derde regiem, het regiem van de gecoördineerde verjaging. De schade aan wintertarwe nam t.o.v. de referentie af met ruim 2/3 bij toepassing van het tweede regiem, de adequate inzet van middelen, tot circa 5 % bij toepassing van het derde regiem. Een vergelijkbaar patroon is vastgesteld in de teelt van suikerbiet.

Onder het tweede regiem nam het aantal foeragerende ganzen t.o.v. de referentie relatief af met 1/3 en met ¾ bij toepassing van het derde, het meest stringente verjagingsregiem. Een gemiddeld kleiner aantal ganzen dat gemiddeld vaker wordt verjaagd en zo nodig geschoten, leidt uiteindelijk tot gemiddeld de minste schade.

Hoewel de besteding in tijd en geld in het derde regiem 50 % hoger lag dan bij de toepassing van het tweede regiem, kan uit de cijfers worden geconcludeerd dat het derde regiem uiteindelijk het meest effectieve is: voor wat betreft de schadereductie op wintertarwe een factor 8 en voor wat betreft de afname van het aantal ganzen een factor 5.

Reageren is niet mogelijk