Onduidelijkheid over het gebruik lokmiddelen bij de landelijk vrijgestelde diersoorten

Door de onduidelijkheid die momenteel heerst over het gebruik van lokmiddelen bij het bestrijden of voorkomen van schade door de landelijk vrijgestelde diersoorten conform de fingerende Faunabeheerplannen, adviseert de NOJG haar leden deze lokmiddelen voorlopig niet te gebruiken totdat er duidelijkheid over is.

 

Bij de invoering van de Wet Natuurbescherming op 1 januari 2017 is in Art. 3.4a Regeling Natuurbescherming  een onduidelijke tekst opgenomen waarin het gebruik van lokgeluiden en lokvogels bij de bejaging van soorten op de landelijke vrijstellingslijst niet langer is toegestaan. Omdat het gebruik van deze lokmiddelen essentieel is om soorten op de landelijke vrijstellingslijst, die juist in het gehele land grote schade veroorzaken op een effectieve wijze te kunnen bejagen, kaartte  de KNJV, deze kwestie aan bij het ministerie van Economische Zaken. Dit gesprek heeft volgens de KNJV op 16 augustus plaats gevonden.

Het ministerie gaf aan dat de passage gelezen kan worden als een totaalverbod op het gebruik van lokmiddelen bij de bejaging van vos, houtduif, konijn, Canadese gans, kauw en kraai. Ook gaf men aan dit niet op korte termijn te zullen repareren.

De NOJG geeft aan dat deze lokmiddelen zoals plastic kraaien, kauwen, houtduiven en ganzen, maar ook lokfluiten, die het geluid van een vogel of dier nabootsen hulpmiddelen zijn voor een effectieve en selectieve schadebestrijding en geen middelen zijn die vangen of doden, zoals in art 3.4 Wn en de regeling Natuurbescherming art 3.4a wordt aangehaald.

Over de hulpmiddelen is tijdens de behandeling van de regeling Natuurbescherming in de Tweede Kamer, uitdrukkelijk een motie ingediend door de heer Dijkgraaf van de SGP en de heer Geurts CDA, daar werd gewezen op het feit dat hierbij gaat om middelen en methoden, die doden en vangen en dat deze ook vermeld zijn in de regeling art 3.4, het gebruik van lokmiddelen, zoals die bij de normale jacht wel toegestaan, hierbij ook zouden gelden voor de landelijk vrijgestelde diersoorten en zij daar juist duidelijkheid in wilden bereiken.

Zie  hieronder de tekst van de Motie 183 (33348) en de antwoorden hierop van de Staatssecretaris van Dam aan de leden Dijkgraaf(SGP) en Geurts (CDA).

De heer Dijkgraaf (SGP):
Voorzitter. Ik dien de volgende moties in. De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het ontwerpbesluit natuurbescherming onduidelijkheid schept over het al dan niet toestaan van hulpmiddelen voor de jacht op vogels;
overwegende dat artikel 3.4 van de Wet natuurbescherming voldoende waarborgt dat ongewenste hulpmiddelen voor de jacht op vogels verboden worden;
verzoekt de regering, artikel 3.9 van het ontwerpbesluit natuurbescherming zo aan te passen, dat het gebruik van hulpmiddelen voor de jacht op vogels gereguleerd wordt via het derde lid van het besluit en niet via het tweede lid, uitgaande van bijlage IV van de Vogelrichtlijn
en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dijkgraaf en Geurts. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 183 (33348).

De Staatsecretaris van Dam: geeft hierover tijdens de behandeling van de Regeling Natuurbescherming en stemming in de Tweede Kamer het navolgende aan;

In de motie op stuk nr. 183 van de heren Dijkgraaf en Geurts wordt de regering verzocht om het gebruik van hulpmiddelen te reguleren via het derde lid van het besluit en niet via het tweede lid. Die motie ontraad ik, omdat dat niet nodig is: hulpmiddelen hoeven niet te worden gereguleerd. Alleen middelen die in de richtlijnen worden genoemd, moeten worden gereguleerd. Dat gebeurt in het eerste of tweede lid, ook als het hulpmiddelen zijn. Het is niet nodig om verder te gaan. Daarom ontraad ik die motie.

De heer Dijkgraaf (SGP):
Deze laatste motie wil ik aanhouden. Ik ga daar nog even op kauwen om te bekijken hoe ik de woorden van de staatssecretaris weeg. Wat de daaraan voorafgaande motie betreft: er zijn nu dingen die verboden zijn en er zijn dingen waarvoor een vrijstelling geldt. Er is dus een positieve lijst en er is een negatieve lijst, maar wat gebeurt er met dingen die daartussenin zitten? Ik vind het daarom helderder om het via lid 3 te doen, want dan heb je één lijst. Dan weet je ten minste waar je aan toe bent: je kunt dingen gebruiken tenzij zij verboden zijn.

Staatssecretaris Van Dam:
Nogmaals: vereist is dat middelen die in de richtlijnen worden genoemd, worden gereguleerd. Hulpmiddelen hoeven niet te worden gereguleerd als zij niet in de richtlijnen worden genoemd. Het is dus niet nodig om hulpmiddelen te reguleren. Dat was ook mijn commentaar op de motie van de heren Dijkgraaf en Geurts. Er is dus geen noodzaak om datgene te doen wat in de motie wordt verzocht.

De heer Dijkgraaf (SGP):
In lid 2 wordt melding gemaakt van hulpmiddelen, bijvoorbeeld lokfluitjes en dergelijke. Er worden dus wel degelijk dingen geregeld.

Staatssecretaris Van Dam:
Die zijn in de richtlijnen opgenomen.

De heer Dijkgraaf (SGP):
Mijn voorstel zou zijn om dit gewoon via lid 3 te doen. Dan weet je duidelijk wat mag en wat niet mag. Dan krijg je geen discussie over wat er tussen een positieve lijst en een negatieve lijst in valt en over wat er ten aanzien van dat soort dingen geldt.

Staatssecretaris Van Dam:
Hulpmiddelen die niet in de richtlijnen zijn genoemd, hoeven niet te worden gereguleerd. Dat betekent dat die hulpmiddelen mogen worden gebruikt. Vandaar mijn oordeel over die motie.

De voorzitter:
Op verzoek van de heer Dijkgraaf stel ik voor, zijn motie (33348, nr. 184) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

De NOJG vindt dat de nieuwe uitleg van het Ministerie van EZ volkomen in tegenspraak is op het geen in de Tweede kamer is besproken en wat de Staatsecretaris heeft hierover heeft uitgesproken. De inperking van deze hulpmiddelen die niet in de richtlijnen zijn genoemd, zoals de Staatsecretaris van Dam aangeeft, hoeven dus niet te worden gereguleerd en dus mogen worden gebruikt.

De Memorie van Toelichting op de regeling Natuurbescherming spreekt ook alleen over middelen die vangen en doden en niet over de hulpmiddelen bij de landelijk vrijgestelde diersoorten: zwarte kraai, kauw, houtduif, Canadese gans, vos en konijn.

Verder willen wij als NOJG opmerken dat juist in de Wet natuurbescherming is vastgelegd dat de uitvoering van de landelijke vrijstelling, geschiedt conform het faunabeheerplan art 3.25 lid 1 en 2  waarin de juist de provincie op basis van het goedgekeurd Faunabeheerplan de middelen bepaald. In de  faunabeheerplannen – die zijn goedgekeurd door de provincie – is dan vastgelegd dat deze hulpmiddelen kunnen worden gebruikt.

Wij willen U toch waarschuwen, nu de onduidelijkheid over het gebruik van de lokkers en lokfluiten bij de landelijk vrijgestelde diersoorten is ontstaan, door het standpunt van het  Ministerie van EZ, wij U voor de zekerheid het gebruik van deze hulpmiddelen ontraden.

Wel willen wij opmerken dat bij de schadebestrijding op basis van een ontheffing zoals de gans en de jacht op de wilde eend die een wildsoort is, het gebruik van lokfluit en lokkers wel toegestaan is.

De NOJG zal zeker later dit jaar als er een aanpassing van de Regeling Natuurbescherming mogelijk is, vragen om meer duidelijkheid en om deze zaken nu wel op een juiste wijze te regelen.

Print Friendly, PDF & Email
Geplaatst in Faunabeheer, Schadebestrijding.