Uitvoeringsbesluit wet natuurbescherming en de voorstellen Platteland Alliantie Nederland hiervoor

Ijzerenbos-panorama-IJsstraat.jpgEZ is gestart met een eerste ambtelijke verkenning van wat er in de uitvoeringsregelgeving zal moeten worden geregeld. Uitgangspunt is het wetsvoorstel zoals dat thans bij de Tweede Kamer ter behandeling ligt. Mocht de behandeling in het parlement tot wijzigingen van het wetsvoorstel leiden, dan heeft dat vanzelfsprekend gevolgen voor de uitvoeringsregelgeving.

Zij hebben met stakeholders van gedachten gewisseld op 27 en 28 mei te Utrecht over de wensen voor de uitvoeringsregelgeving van het wetsvoorstel natuurbescherming. Daartoe organiseert EZ twee bijeenkomsten, over de twee inhoudelijk meest omvangrijke onderwerpen:

1) jacht, bestrijding, beheer, exoten en middelen (27 mei 2014) en

2) de handel in dieren, planten (w.o. CITES) en hout (28 mei 2014).
Andere, meer algemene onderdelen van de uitvoeringsregelgeving konden desgewenst ook in de bijeenkomsten aan de orde komen, zoals de bevoegdheidsverdeling tussen Rijk en provincies, handhaving en retributies.

Het is volgens EZ de bedoeling om in de eerste week van juni de nota van wijziging op het voorliggend wetsontwerp voor te leggen aan de raad van State voor Advies en dat dan in het najaar de behandeling in de Tweede en Eerste Kamer volgt, waarbij als streefdatum de nieuwe wet in kan gaan op 1 januari 2015. De PAN betwijfelt of dit wel haalbaar is vooral voor de provincies die de wet moeten gaan uitvoeren en vermoedt dat dit eerder 1 juli 2015 zal zijn.


 

Voorstellen Platteland Alliantie Nederland

1.      Algemeen.

De Platteland Alliantie Nederland, vindt het jammer dat er geen concept uitvoeringsbesluit wet Natuurbescherming is bijgevoegd met de toegezonden stukken, terwijl er wel met het IPO uitvoerig overleg hierover is geweest, zoals bij ons bekend is.

In het voorliggend wetsontwerp wat nu aan de Tweede Kamer was toegestuurd en voor advies naar de RvS is geweest, is duidelijk geen rekening gehouden met een aantal zaken waaronder de beschikking van het Benelux Comité van Ministers tot instemming van toepassing van het artikel 13, lid 1 van de Benelux-Overeenkomst M(70)7 op het gebied van de jacht en de vogelbescherming en dienen dus volgens ons in het concept Besluit Natuurbescherming en het daarbij behorende concept Regeling Natuurbescherming te worden verwerkt en ook in de nota van wijziging op de Natuurbeschermingswet, die de Staatssecretaris nog zal indienen. De Benelux-beschikking geldt voor het gehele beheer en schadebestrijding, zoals nu geregeld in de Nederlandse Flora- en faunawet en dus ook in de nieuwe wet natuurbescherming en zeker vertaald dient te worden in het uitvoeringsbesluit.

Aanbevolen wordt in het overleg met het Ministerie hier aandacht voor te vragen. De beschikking biedt aan Nederland ruimere mogelijkheid om soorten en middelen aan te wijzen in het kader van het wildbeheer en de schadebestrijding, mits dit in de wet wordt verwerkt. (zie hiervoor ook de uitspraak van de raad van State op 4 december 2013 201012263/1/A3)

Het overnemen van deze aanbevelingen kan leiden tot een betere nationale wetgeving en derhalve tot minder Provinciale regelgeving. Met andere woorden dat wat landelijk is vastgelegd in de wet- en regelgeving behoeft geen aanvullende of zelfstandige provinciale regelgeving. En leidt derhalve ook tot:

–                Harmonisatie in de uitvoeringsregels tussen de provincies

–                Minder bezwaar en beroepsprocedures bij de rechter.

–                Helder en duidelijke regelgeving voor de burger.

–                Eenvoudiger te handhaven.

In onze nota treft u verder een aantal voorstellen tot deregulatie voor de Provincie inzake het concept Besluit Natuurbescherming en het daarbij behorende concept Regeling Natuurbescherming . waardoor de gewenste en beoogde uitvoering in de praktijk effectiever, duidelijker en eenvoudiger kan worden, conform het gesteld in de Memorie van Toelichting (blz 155, 7.3.1. Inleiding, 1e alinea): “….voorziet dit wetsvoorstel in regels over het effectief voorkomen en bestrijden van schade, het deskundige gebruik van middelen en over goed jachthouderschap”.

De voorstellen leiden volgens ons tot een vereenvoudiging en verduidelijking van regels in de provincies, waardoor:

–                heldere grondslagen voor duidelijke en kortdurende beleidsontwikkeling;

–                duidelijke basis voor politieke besluitvorming;

–                eenvoudiger provinciale Fauna Beheerplannen;

–                minder administratieve werklast door minder ontheffingen;

–                minder bezwaarprocedures en minder juridische procedures;

–                meer tijd voor handhaving in het veld;

–                minder regeldruk voor bedrijven en burgers, waaronder terrein beherende organisaties en uitvoerders Wildbeheereenheden (beheerders en jagers).

De uitvoeringsregeling dient dan ook vervolgens heel consequent te worden uitgewerkt waarbij een heel duidelijk onderscheid in rechten en plichten moeten worden opgenomen tussen benuttingsjacht (het jachtrecht) en schade en populatiebeheer. In de huidige regelgeving loopt dit soms te veel door elkaar heen en werken bijvoorbeeld beperkingen voor de jacht onnodig door naar schadebestrijding en beheer.

Volgorde van inzet van wettelijke beheerinstrumenten:

1.    Te beheren schadeveroorzakende (EU/BENELUX) alle categorieën kleinwild-jachtsoorten met een landelijke en provinciale vrijstellingen buiten het geopend jachtseizoen. (door jachthouder / WBE plan / FBE plan & monitoring).

Bij de te beheren soorten worden, indien boven de gewenste stand, gereguleerd met als doel het voorkomen, beperken dan wel bestrijden van schade aan de in de wet genoemde belangen.

Voorstel: Bij de uitvoeringsregeling op nemen dat er bij beheer en schadebestrijding van diersoorten als eerste nagegaan moet worden of er geen vrijstelling (provinciaal of landelijk) kan gelden, dit als algemene maatregel en daarna pas naar het middel ontheffing als een soort maatwerk te gebruiken. Hiermee wordt dan bereikt dat er minder ontheffingen nodig zijn en de uitvoering ook minder belast wordt (Provincie, Fbe, Wbe en grondgebruiker). Fbe wordt dan alleen belast met de verplichte periodieke rapportages en er kan hierdoor bij alle betrokken partijen op gemonitord worden

Artikel 3.2.1 [aanwijzen soorten voor vrijstelling schadebestrijding]

  1.               Als diersoorten die in het gehele land veelvuldig belangrijke schade aanrichten als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, onderdeel a, van de wet zijn aangewezen de soorten genoemd in bijlage 1 bij dit besluit.
  2.               Als diersoorten die in delen van het land veelvuldig belangrijke schade aanrichten als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, onderdeel b, van de wet zijn aangewezen de soorten genoemd in bijlage 2 bij dit besluit.

2.      Landelijke Beheerlijst dier en vogelsoorten

Het valt te overwegen om landelijk een beheerlijst op te stellen waarin opgenomen;

  1. Landelijk zijn vrijgesteld;
  2. Vogel en diersoorten die provinciaal vrijgesteld, aangewezen of waarvoor een aanwijzing of ontheffing afgegeven kan worden voor beheer en schadebestrijding, verkeersveiligheid (land- of in de lucht) of andere genoemde belangen in de wet. ( art 9 Vogelrichtlijn en uitspraak RvS);
  3. Exoten die door de Minister zijn aangewezen;

Toelichting:

Nu wordt nog vermeld dat ook exoten niet zonder reden mogen worden gedood (MvT blz 181 7.4.4 Algemeen 3e alinea), en dat er middelen beschikbaar zijn gelijk aan die voor inheemse soorten, en dat er een aanwijzing moet zijn om het geweer te mogen gebruiken. Indirect ontstaat hierdoor toch weer een soort van bescherming via de achterdeur, terwijl elders gesteld wordt (Blz 180 MvT 7.4.4 Algemeen 4e alinea): “De bescherming die voor inheemse in het wild levende soorten uitgaat van de verbodsbepalingen, opgenomen in paragraaf 3.1,3.2 en 3.3 van het wetsvoorstel, geldt niet voor exoten” en zodoende ontstaat er onduidelijkheid

  1. Duidelijk omschrijving wat verwilderde diersoorten zijn en wanneer waar en hoe bestreden mag worden. Duidelijk aangeven wanneer diersoorten al dan niet onder het beschermende regime van de wet vallen. Alle verwilderde dieren en exoten zouden moeten vallen onder onbeschermde soorten, welke men vrij mag verstoren, verontrusten, bemachtigen, onder zich brengen, vervoeren, doden met het geweer en waarvan de nesten en verblijfplaatsen alsook hun eieren mogen worden verstoord, waarbij uiteraard de regels uit de Gezondheids- & Welzijnswet Dieren in acht dienen te worden genomen (zorgplicht & geen onnodig lijden veroorzaken). In de memorie van Toelichting (blz 155 / 7.3.1 1e alinea) staat nu nog dat het vangen en doden van “in het wild levende dieren” onder voorwaarden is toegestaan: dit aanpassen tot “in het wild levende beschermde diersoorten”, anders moet hier weer een rechter zich uitspreken wat volgens ons niet nodig is;
  2. In de nieuw te ontwikkelen Fauna Beheer Plannen kan dan naast een goed beheerplan voor deze soorten ook te geven in welke periode van het jaar deze soorten mogen worden gedood.

Toelichting: Een lijst geeft duidelijkheid voor zowel de uitvoerders als de handhavers en geeft ook aan voor welke diersoorten een Faunabeheerplan opgesteld kan worden. 

Deregulering: Provincie, handhaving en FBE worden voor de uitvoering niet administratief belast. Het plaatsen van deze soorten op een provinciale wildlijst c.q. beheerlijst heeft de volgende voordelen:

–                Minder vatbaar voor bezwaar en beroepsprocedures bij de rechter.
–                Provincie houdt invloed op het open en sluiten van de beheerperiode/de jacht op deze soorten.
–                Minder interne administratieve werklast door minder Fauna Beheer Plannen en minder ontheffingen.
–                Eenmalige (afhankelijk geldigheidsduur FBP) beleidsbehandeling en politieke besluitvorming van het Fauna Beheer Plan voor een grote groep van schadeveroorzakend soorten in de vijf jaar.
–                Helder en duidelijke regelgeving voor de burger.
–                Eenvoudiger te handhaven.
–                Monitoring (kerntaak) is voor rekening van FBE.
–                Alleen jaarlijkse of eind regulatieseizoen rapportage door Wbe’s aan Fbe.

3.      Aangewezen exoten elimineren;

op basis van landelijke vrijstelling i.p.v een provinciale vrijstelling of aanwijzing. (door categorieën van aangewezen w.o. jachthouders).

Toelichting: Door de landelijke vrijstelling hoeft de provincie geen besluit te nemen voor de vrijstelling en is dat besluit niet vatbaar voor beroep of bezwaar en daardoor robuustere wetgeving. De te elimineren soorten worden (FBE/WBE) planmatig aangepakt. De aangewezen personen zijn rapportage plichtig en melden hun resultaten aan de FBE via een jaarlijkse rapportage of indien nodig een korte periode.

4.      Grote hoefdieren (EU/BENELUX) grofwild-“jacht”soorten beheren

Ter voorkomen van schade, verkeersveiligheid en omvang gewenste populatie op basis van ontheffing, afgegeven op (inter) provinciaal leefgebieden beleid en door FBE/FBP beheerd op WBE werkgebied of beheerkring gebied op basis van multifunctionele (maatschappelijk, economisch, recreatie en gewenste aantallen) draagkracht modellen waarbij de ecologisch (voor het totaal van habitat gebonden Fauna en flora) draagkracht aantoonbaar is en dus in voldoende mate aanwezig (door jachthouder / WBE plan / FBE plan & monitoring)

Toelichting: Provinciaal- maar ook het ministerieel beleid moet zich duidelijk uitspreken waar zij beslist geen grote hoefdieren wenst te hebben. Ontheffingen moet worden geschreven aan de hand van Faunabeheerplannen en Faunabeheereenheden moeten in de ontheffing worden gemandateerd met een beoordelingstaak namens GS. Elke rechter moet kunnen constateren dat de gezamenlijke achterban van de FBE, de gekwalificeerde (kennis en praktijk) partijen zijn voor het opstellen van het FBP, met daarin als voornaamste taken het beheer en schadebestrijding van de in het FBP opgenomen diersoorten.

5.      Samenstelling Faunabeheereenheden

Een FBE is een samenwerkingsverband van jachthouders, belanghebbenden met een wettelijk erkend belang en, waarin ook andere belanghebbende maatschappelijke partijen vertegenwoordigd zullen zijn

Gesteld wordt in de MvT op blz 159 Huidige Implementatie – Beheer – 3e alinea dat in erkende faunabeheereenheden naast de jachthouders ook anderen (zoals organisaties op het vlak van dierenbescherming en natuurbescherming) zijn vertegenwoordigd.

Dit is niet de huidige praktijk, wij verzoeken dan ook deze passage aan te passen, alléén jachthouders waren tot heden in de FBE’s vertegenwoordigd conform het vigerende Besluit Faunabeheereenheden, in specifieke gevallen werden ook andere partijen bij vergaderingen uitgenodigd. Gezamenlijk onderschrijven “de jachthouders” het door de FBE vastgestelde Faunabeheerplan, dat zij dan ook uitvoeren. Door de huidige pluriforme samenstelling van een FBE is er volgens ons ook maximaal maatschappelijk draagvlak en is het raadplegen in specifieke gevallen van buitenstaande organisaties voldoende, hierdoor blijft de effectiviteit gewaarborgd.

Deregulering: De FBE heeft t.a.v. de provincie een ontzorgende taak. Handhaving wordt alleen belast met veldcontroles. FBE is belast met het verlenen van machtigingen aan de WBE’s die op basis van een door de FBE aangereikt protocol het beheer uitvoeren. De FBE is belast met het verwerken van rapportages van de Wbe’s. Bureaucratische belasting wordt hiermee tot een noodzakelijk niveau teruggebracht. Rapportage op Wbe-gebiedsniveau op basis duur ontheffing en minimaal 1 x per jaar. Perceelsgebonden ontheffingen op basis van duur gebruik toestemming Fbe. Monitoring (kerntaak) is voor rekening van FBE.

6.      Effectiviteit uitvoeringsregels door:

Door in de MvT en of uitvoeringsregels een duidelijk verschil te maken in;

  1. middelen die doden en vangen en
  2. middelen die slechts ter ondersteuning hiervan gebruikt mogen worden, bij de jacht en beheer en schadebestrijding

Overeenkomstig de eisen die blijkens de aangehaalde jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie worden gesteld door artikel 9 van de Vogelrichtlijn, Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) van 23 mei 1985, 29/84, Commissie tegen Duitsland, (www.eur-lex.europa.eu) volgt dat de lidstaten vrij zijn wat betreft de vorm waarin richtlijnen worden geïmplementeerd. In het arrest van 13 oktober 1987, 236/85, Commissie tegen Nederland, (www.eur-lex.europa.eu) heeft het Hof in een zaak betreffende de oude Vogelrichtlijn overwogen dat voor de omzetting van een richtlijn in nationaal recht niet noodzakelijkerwijs vereist is dat de bepalingen van een richtlijn letterlijk worden overgenomen, doch dat een algemene juridische context daartoe voldoende kan zijn. In dat licht dienen onder afwijkende bepalingen in de zin van artikel 9, tweede lid, van de Vogelrichtlijn niet uitsluitend wettelijke voorschriften te worden begrepen, maar ook beschikkingen zoals het besluit van 10 mei 2010.

§3.2a. Gebruik van middelen voor het vangen en doden van dieren

Artikel 3.2.7 [aanwijzing toegestane vang- en dodingsmiddelen vogels]

Artikel 3.2.8 [aanwijzing verboden vang- en dodingsmiddelen]

De wetgever beperkt zich terecht tot de middelen die al dan niet toegestaan zijn voor het vangen en doden. Daarnaast wijdt de wetgever aandacht aan het gebruik van levende lokvogels uit oogpunt van dierenwelzijn.

Aanbevolen wordt:

Uit de wetstekst / AMvB moet duidelijk blijken dat een lokvogel altijd een levend dier is. Het gaat niet om de reeds in de wet genoemde “levende” lokvogels (duif of eend), mits niet blind of verminkt maar andere lokvogels zoals lokstal ganzen hiervoor moet GS wel schriftelijk toestemming verlenen.

Toelichting: Wij vinden dat indien het middelen betreft die niet doden of vangen maar gerekend kunnen worden tot de standaarduitrusting van elke jager/beheerder, dat GS hier geen toestemming voor behoeft te geven. Art 5 lid 1 onder i van het Besluit beheer en schadebestrijding dieren (Ff-wet) is o.i. onjuist gebruikt om lokmiddelen gelijk te stellen aan “lokvogels, mits niet blind of verminkt”.

Aanbeveling:

  1. Geen aanvullende verboden van middelen voor het vangen en doden op te nemen in de Faunabeheer Plannen en overige provinciale regelgevingen in het kader van jacht, het beheer en de schadebestrijding van diersoorten.
  2. In de Nota van Toelichting bij de wet Natuurbescherming en in het FBP van de provincie onder het hoofdstuk middelen aan te geven dat ondersteunende middelen die niet uit zichzelf vangen of doden zijn toegestaan, tenzij expliciet door de Minister of de Provincie zijn verboden.

Toelichting: Uitvoerders zetten middelen in uit oogpunt van veiligheid, soortenherkenning en om soorten binnen het bereik van het vangmiddel of dodingsmiddel te brengen, zodat er effectief en selectief gedood kan worden, zoals bijvoorbeeld: hoogzitten, camouflagemiddelen, lokfluiten, verrekijkers, richtkijkers, lokmiddelen als voer- en geurstoffen, ook elektronische en mechanische middelen die niet doden of vangen ( EU richtlijnen toegestaan) etc.

Het overnemen van deze aanbevelingen leidt tot de volgende voordelen:

–                Een vereenvoudiging en verduidelijking van regels in de provincie.

–                Minder bezwaar en beroepsprocedures bij de rechter.

–                Eenmalige beleidsbehandeling en politieke besluitvorming .

–                Helder en duidelijke regelgeving voor de burger.

–                Eenvoudiger te handhaven.

7.      Gebruik de vangkooi voor het selectief doden en niet zoals nu, selectief vangen.

Dus vangen en doden los van elkaar zien. Gevangen dieren die onbedoeld worden gevangen vrijlaten en doelsoorten doden.

Uit de wetstekst / amvb moet duidelijk blijken dat een bedoeld te vangen diersoort (vogel) altijd gedood wordt of om onderzoek redenen wordt vrijgelaten een levend dier is. Het impliceert ook dat bepaalde technische aspecten van de gebruikte methode verifieerbaar kunnen aantonen dat ze selectief is. Een onbedoeld gevangen soort kan dan altijd direct ongedeerd worden vrijgelaten.

Toelichting:.Het gaat om kraaien-, kauwen- of ekstervangkooien, gericht op één soort (of groep van nauw verwante soorten),. Onbedoelde soorten (ongewenste bijvangst) worden zelden of nooit aangetroffen in een dergelijke kooi. (Kraaien lokken kraaien en kauwen lokken kauwen) Vangkooien zijn effectief, niet verontrustend en vangen op de plaats waar schadebestrijding gewenst is. Ze zijn “levend vangend” en kunnen worden voorzien van drinkwater en voedsel. Ze kunnen dagelijks (meerdere keren) worden gecontroleerd. En de onbedoelde bijvangst, indien aanwezig, kan direct worden vrijgelaten , hierdoor is de selectiviteit dan ook gewaarborgd.

a)        Artikel 3.3 van de wet geeft hiervoor aan; .levende lokvogels mogen slechts worden gebruikt voor zover: het gefokte eksters, gefokte zwarte kraaien of gefokte kauwen betreft, als hulpmiddel voor het vangen van eksters, zwarte kraaien onderscheidenlijk kauwen, met vangkooien of met kastvallen die zodanig zijn vervaardigd, dat in de kastval geen lichamelijk contact mogelijk is tussen de lokvogel en de te vangen vogel, en de lokvogels voldoende zijn voorzien van voldoende voedsel en water.

Voorstel:Het gebruik van een geringde lokvogel zoals kraai, kauw en ekster laten vervallen ook in het wetsvoorstel, deze worden niet gefokt en zijn ook nergens te verkrijgen in Nederland, het gaat erom dat er een dagelijkse controle verplicht wordt en dat er voldoende voedsel en water aanwezig is.

8.      Art 3.24 Geluidsdemper (sound moderator/suppressor) moet als middel worden toegestaan

Deze dient echter niet als een vast onderdeel van het geweer worden gezien.(dus niet gekoppeld aan het serienummer van het geweer).

Toelichting: Een geweerschot (kogelgeweer) produceert >170 decibel. Dit is boven de pijngrens en daarnaast in wijde omtrek verstorend hoorbaar. Een vertrekkend verkeersvliegtuig produceert 140 decibel. Een dergelijk geluidsniveau veroorzaakt direct binnenoorschade. Met het gebruik van een kogelgeweer en een geluidsdemper in combinatie met oor bescherming wordt beschadiging van het gehoor voorkomen. Met het gebruik van een geluidsdemper wordt in de omgeving mens en dier minder verontrust. In het N.P de Hoge Veluwe is de geluidsdemper in de praktijk getest en onmisbaar gebleken.

9.      Landelijke vrijstelling (door categorieën van aangewezen personen w.o. jachthouders). buiten het geopende jachtseizoen handhaven en uitbreiden met soorten die structureel schade aanrichten

Door de landelijke vrijstelling is er door het faunafonds en de Fbe’s nu geen schade verleden opgebouwd voor de huidige aangewezen soorten, waaronder faunaschade, die ook niet wordt vergoedt, maar wel in grote mate plaatsvindt ). Rapportage aan de FBE verplicht stellen en door de FBE laten monitoren. Doelstellingen waarop de vrijstelling gebaseerd zijn in het FBP opnemen en effecten monitoren.

Toelichting: Diersoorten zijn niet zonder reden vrijgesteld. Een zekere planmatigheid van uitvoering in grotere gebieden, waarbij het Wbe beheergebied als minimum geldt zoals ook nu in art 68 Ff-wet is genoemd en de resultaten daarvan dienen door een FBE te worden aangestuurd, die immers een monitoringplicht heeft, dient daarvan jaarlijks de rapportages ontvangen. Om die reden zal de registratie van de schade ook moeten plaats vinden.

10.  Exoten landelijk vaststellen en de minister en de provincies dienen aan de uitvoering verplichtingen vast te stellen d.m.v. een landelijke vrijstelling of een aanwijzing van de provincie, zonder belemmerende voorschriften, zeker voor de exoten die uitgeroeid dienen te worden.

Toelichting: Verschillende internationale kaders verplichten tot de aanpak van exoten, ter bescherming van de biodiversiteit. Het exoten beleid moet dan ook uniform en consistent zijn. M.a.w. Provincies moeten afstemmen. Indien dit laatste niet gebeurd dan uitsluitend landelijk, buiten de provincies om, uitvoering laten geven.

11.  Verantwoordelijkheid grondgebruiker bij schadebestrijding.

Op grond van art 3.14 kunnen er vrijstellingen worden verleend, voor schadebestrijding van diersoorten. Wij vinden dat er ook een verantwoordelijkheid is voor de grondgebruiker in deze om ook een redelijke wildstand te handhaven ook bij het bestrijden van schade , daar het bij de landelijk vrijgestelde diersoorten ook om het konijn en de houtduif gaat waar de jachthouder wel verantwoordelijk voor is en schade dient te voorkomen. Dit gebeurt buiten het jachtseizoen op de toestemming van de grondgebruiker.

12.  Verplicht lidmaatschap jachthouders lokale Wildbeheereenheid

Om de wildbeheereenoerenheden deze taken effectief te kunnen laten uitvoeren is erin voorzien dat alle van het geweer gebruikmakende jachthouders – jachthouders met een jachtakte – binnen het werkgebied van een wildbeheereenheid zich bij deze eenheid moeten aansluiten (voorgesteld artikel 3.26, tweede lid, aanhef en onderdeel b). Deze werkgebieden dienen bovendien van voldoende omvang te zijn voor een effectieve invulling van de werkzaamheden; de provincies kunnen daaromtrent regels stellen (artikel 3.13, tweede lid). Gezien het belang dat anderen bij de werkzaamheden van de wildbeheereenheden kunnen hebben, zoals grondgebruikers – niet zijnde jachtaktehouders – uit de streek, is voorzien dat ook zij lid kunnen worden van een wildbeheereenheid (voorgesteld artikel 3.13, eerste lid, tweede volzin). Voor grote terreinbeherende organisaties zal de verplichting om zich aan te sluiten bij wildbeheereenheden veelal weinig meerwaarde hebben: een samenhangend en verantwoord beheer van hun terreinen is verzekerd gelet op de aard van de organisatie en de omvang van hun terreinen. Het voorgestelde artikel 3.13, tweede lid, onderdeel b, biedt dan ook de mogelijkheid aan provincies om deze organisaties van de aansluitplicht vrij te stellen.

Voorstel: wij zijn van mening dat iedereen die in het beheergebied is gelegen en beschikt over een aaneengesloten gebied van 40 ha dat voldoet aan de eisen van de wet om gebruik te mogen maken van een geweer en dus beschikt overeen bejaagbaar gebied, ook verplicht lid dient te zijn van de lokale Wbe. Dit dient dan ook te gelden voor de terreinen van de Tbo’s die hierin zijn gelegen, daar wij vinden dat je het beheer van het gehele beheergebied van de lokale Wbe geen uitzonderingen dienen te worden gemaakt om een effectief beheer mogelijk te maken. Vaak zijn de gebieden van de TBO’s niet aan een gesloten en vormen zodoende weer eilanden in het totale beheergebied van de Wbe, dit is geen wenselijke situatie en gezien het algemeen belang van een goed wildbeheer en schadebestrijding dienen ook zij zich verplicht aan te sluiten. Dit heeft wel degelijk grote meerwaarde als men alleen al kijkt naar de huidige problemen die zijn ontstaan met de ganzen, die niet of nauwelijks bestreden werden in de terreinen van NM en SBB.

13.  Weigeren lidmaatschap betrokken jachthouder door de Wildbeheereenheid, waar en hoe kan de betrokken jachthouder in beroep of bezwaar gaan als hij geweigerd wordt door de Wbe.

Toelichting: wij stellen voor om een Beroep en Bezwaarcommissie bij de Fbe of provincie onder te brengen waarin de beide Jachtorganisaties KNJV en NOJG en een derde partij zitting hebben onder auspiciën van de Fbe en die een bindend advies uitbrengen.

14.  Art 3.27 Het bedrag, bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, van de wet, bedraagt € 907 560,43 per gebeurtenis.

Voorstel :dit bedrag eenvoudiger maken is nog gebaseerd op de gulden, dus €1.000.000,- dit is een minimum bedrag in Europa en wil men vaak in het buitenland jagen met een goede WA-jachtverzekering dan dient het bedrag minimaal € 2,500.000 te zijn en vaak ook al minimaal € 5.000.000 in bepaalde estates in Engeland of Schotland.

15.  Artikel 3.28 [regels toestemming jacht]

De WBE moet naast de toestemming jagen buiten gezelschap van de jachthouder ook anderen toestemming kunnen geven om in het gehele WBE werkgebied of delen van het werkgebied in gezelschap van houders toestemming buiten gezelschap jachthouder te mogen jagen (wat nu vaak afgegeven wordt aan aangeslotenen voor de aanvraag van hun jachtakte) en om gebruik te mogen maken van een ontheffing

16.  Kosten en lasten verminderen door:

–      Eén ontheffing voor alle maatregelen in het goedgekeurde Faunabeheerplan.

–      Ontheffingen (geen kosten is immers een algemeen belang, beheer wildsoorten en bij schadebestrijding wordt daar al door de grondgebruiker voor betaald, door zijn eigen bedrijfsrisico € 250 en € 300,– behandelkosten ( 1-10-2014) en 5% van de werkelijke schade)

–      Ontheffing gebruik; Machtiging moet geldig zijn voor de duur van de ontheffing (periodieke rapportage in FRS waarborgt gebruiksverplichting) en kosteloos zijn.

Print Friendly, PDF & Email

Reageren is niet mogelijk