Weinig kennis over gevolgen van ecosysteemdiensten op biodiversiteit

Onderzoekers van LEI Wageningen UR hebben in opdracht van het Planbureau voor de Leefomgeving voor een aantal gebieden in Engeland, Vlaanderen en Nederland vergeleken hoe ecosysteemdiensten worden benaderd. Engeland past ecosysteemdiensten vooral toe op landbouwgronden, terwijl Vlaanderen en Nederland de diensten vooral benaderen in relatie tot natuurgebieden. In alle onderzochte gebieden vinden belanghebbenden de technische taal die gebruikt wordt te complex en passen daarom alternatieven toe. Er blijkt weinig kennis te zijn over de effecten van de benutting van ecosysteemdiensten op de biodiversiteit. Ook is niet altijd helder of ecosysteemdiensten bijdragen aan de bescherming van biodiversiteit. 


De ecosysteemdienstenbenadering is een manier om natuur en biodiversiteit een integraal onderdeel te laten vormen van economische ontwikkelingen en afwegingen. In Engeland is onderzoek gedaan in vier gebieden; in Vlaanderen in één gebied. In Nederland zijn geen gebieden gevonden waar de ecosysteemdienstenbenadering het uitgangspunt vormde van een gebiedsontwikkeling. Hier zijn de werkwijzen van Dienst Landelijk Gebied (DLG) en Natuurmonumenten bekeken. Engeland past ecosysteemdiensten vooral toe op landbouwgronden. Vlaanderen en Nederland werken ecosysteemdiensten vooral uit in relatie tot natuurgebieden. Een partnerschap tussen verschillende belanghebbenden in een gebied levert op een kosteneffectieve manier een serie ecosysteemdiensten, waarbij de aanbieders van deze diensten gekoppeld zullen moeten worden met afnemers. 

Terminologie 
Belanghebbenden begrijpen de terminologie over ecosysteemdiensten niet altijd. Zowel in Engeland als in Vlaanderen spreekt men nu over ‘baten van natuur’. Nederland gebruikt deze taal vooralsnog niet in gebiedsprocessen; hier hanteert men het door DLG ontwikkelde raamwerk van het ‘people-planet-profit’-concept uit de duurzame ontwikkeling. 

Brede opvattingen
In de onderzochte gebieden wordt de waardering van diensten breed opgevat. In Vlaanderen en Engeland zijn belanghebbenden hierbij actief betrokken. Sommige diensten, zoals het leveren van hout of het vastleggen van koolstof, zijn helder voor belanghebbenden. De benutting van een bepaalde dienst, bijvoorbeeld wat men kan doen met de geproduceerde biomassa bij koolstofvastlegging, is veel onduidelijker. Ook culturele diensten blijken minder helder te zijn. Belanghebbenden zijn zich bewust van dit type dienst, maar richten zich vooral op cultuurhistorische waarden, die maar in beperkte mate aan ecosystemen gekoppeld kunnen worden. 

Verschillende modellen
De ecosysteemdienstenbenadering in de drie landen leidt tot drie verschillende ‘modellen’. In Engeland is sprake van een ‘praktijk-model’. De pilot-gebieden zijn experimenteerruimte van het nationale beleid. In Vlaanderen is sprake van een ‘parallel- model’; hier lopen de beleidsontwikkelingen in de gebieden en die op gewestelijk (nationaal) niveau gelijk op. Nederland heeft een ‘laissez faire model’. Het nationaal beleid leunt zwaar op ervaringen en input uit gebiedsprocessen, maar ontwikkelt zelf weinig. 

Kennis
Er blijkt opvallend weinig kennis te zijn over de gevolgen van ecosysteemdiensten op de biodiversiteit. Ook is het niet helder of ecosysteemdiensten bijdragen aan de bescherming van biodiversiteit. Vlaanderen en Engeland zien bescherming van biodiversiteit wel als voorwaarde voor de levering van ecosysteemdiensten. Nederland zet juist in op ecosysteemdiensten om de biodiversiteit te beschermen.

Zie voor meer informatie het rapport Van denken naar doen – Ecosysteemdiensten in de praktijk op de site van LEI Wageningen UR.

bron: LEI Wageningen UR, 20/11/14 

 

Print Friendly

Reageren is niet mogelijk