Omzettingstabel wet Natuur hoofdstuk 3 naar Omgevingswet (concept juli 2016)

Wet natuurbescherming Hoofdstuk 3 en 1 gedeeltelijk

Omgevingswet (Ow)

Artikel Wet Natuurbescherming Omschrijving Artikel wetsvoorstel Artikel Omgevingswet (bestaand)
3.1, eerste, tweede, derde en vierde lid Verbod opzettelijk doden en vangen vogels. Opzettelijk beschadigen nesten, eieren en rustplaatsen van vogels, rapen van eieren van vogels, opzettelijk storen van vogels artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e , in samenhang met de definitie van “flora- en fauna-activiteit”, onderdeel a (bijlage bij artikel 1.1)
3.1, vijfde lid Uitzondering verbod storen vogels als er geen wezenlijke invloed op de staat van instandhouding is Krachtens artikel 5.1, eerste lid Bij algemene maatregel van bestuur
3.2, eerste lid Verbod handel vogels artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e , in samenhang met de definitie van “flora- en fauna-activiteit”, onderdeel c (bijlage bij artikel 1.1)
3.2, tweede lid Uitzondering verbod handel vogels Krachtens artikel 5.1, eerste lid Bij algemene maatregel van bestuur
3.2, derde lid Uitzondering verbod op handel vogels bij algemene maatregel van bestuur Krachtens artikel 5.1, eerste lid Bij algemene maatregel van bestuur
3.2, vierde lid AMvB: regels handel vogels Krachtens artikel 5.1, eerste lid Bij algemene maatregel van bestuur
3.2, vijfde lid Eisen aan uitzondering verbod handel vogels (lid 3) Krachtens artikel 5.1, eerste lid Bij algemene maatregel van bestuur
3.2, zesde lid Verbod houden, vervoeren vogels (buiten handel) artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e , in samenhang met de definitie van “flora- en fauna-activiteit”, onderdeel d (bijlage bij artikel 1.1)
3.3, eerste lid Bevoegdheid gedeputeerde staten ontheffing verboden ter bescherming vogels Krachtens artikel 5.10, eerste lid, onderdeel e. Ontheffing = omgevingsvergunning
behalve verboden diverse activiteiten in het kader van de handel
Bevoegdheid gedeputeerde staten ontheffing verboden ter bescherming vogels voor het onder zich hebben en het vervoer anders dan voor handel Krachtens artikel 5.10, eerste lid, onderdeel e.
3.3, tweede lid Bevoegdheid provinciale staten vrijstelling verboden ter bescherming vogels (behalve verboden handel) Krachtens artikel 5.2, eerste lid
Bevoegdheid provinciale staten vrijstelling verboden ter bescherming vogels voor het onder zich hebben en het vervoer anders dan voor handel Krachtens artikel 5.2, eerste lid
3.3, derde lid Bevoegdheid minister EZ ontheffing/vrijstelling verboden handel en vervoer (buiten handel) ter bescherming vogels – Bevoegdheid omgevingsvergunning (ontheffing): krachtens artikel 5.11, eerste lid, onderdeel f;
– Bevoegdheid vrijstelling:
Krachtens artikel 5.2, tweede lid
3.3, vierde lid Eisen aan verlening ontheffing en vrijstelling Vrijstelling (minister): krachtens artikel 5.2, tweede lid Ontheffing: Krachtens artikel 5.18 en 5.34
Vrijstelling (ps): krachtens artikel 5.2, eerste lid
3.3, vijfde lid Eisen aan voorschriften ontheffing/vrijstelling (w.o. middelen) Vrijstelling: krachtens artikel 5.2, tweede lid Ontheffing: Krachtens artikel 5.18 en 5.34
Vrijstelling (ps): krachtens artikel 5.2, eerste lid
Bij algemene maatregel van bestuur: aanwijzing middelen, installaties of methodes om te vangen of doden Aanwijzing vogelmiddelen: krachtens artikel 2.50, eerste lid
3.3, zesde lid Uitzondering op de soortenbeschermingsverboden ingeval de flora- en fauna-toets in het kader van een ander besluit wordt uitgevoerd. Krachtens artikel 5.1, eerste lid
3.3, zevende lid, onderdeel a Uitzondering op de soortenbeschermingsverboden ingeval de handeling een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel voor een Natura 2000-gebied is Krachtens artikel 5.1, eerste lid
3.3, zevende lid, onderdeel b Uitzondering op de soortenbeschermingsverboden ingeval de handelingen plaatsvindt overeenkomstig een Natura 2000-beheerplan of een programma (programmatische aanpak) Krachtens artikel 5.1, eerste lid
3.3, achtste lid Geen afzonderlijke flora- en fauna-ontheffing voor activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning is vereist. Niet meer nodig.
3.4, eerste lid, onderdeel a Verbod gebruik vang- of dodingsmiddelen vogels artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e , in samenhang met de definitie van “flora- en fauna-activiteit”, onderdeel b (bijlage bij artikel 1.1)
3.4, eerste lid, onderdeel b Verbod gebruik vervoermiddelen vogels artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e , in samenhang met de definitie van “flora- en fauna-activiteit”, onderdeel d (bijlage bij artikel 1.1)
3.4, tweede lid Bevoegdheid gedeputeerde staten om ontheffing te verlenen van het verbod op het gebruik van middelen of vervoermiddelen; bevoegdheid provinciale staten om vrijstelling te verlenen van deze verboden Vrijstelling: artikel 2.49, eerste lid Ontheffing: Krachtens artikel 5.10, eerste lid, onderdeel e.
3.4, derde lid Bevoegdheid minister van Economische Zaken voor het verlenen van ontheffing voor het gebruik van motorboten op open zee Krachtens artikel 5.11, eerste lid, onderdeel g.
3.4, vierde lid Aanwijzen installaties, middelen, methoden Krachtens artikel 2.50, tweede lid
3.5, eerste, tweede, derde, vierde lid Verbod opzettelijk doden of vangen dieren Europese soorten artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e , in samenhang met de definitie van “flora- en fauna-activiteit”, onderdeel f (bijlage bij artikel 1.1)
Verbod opzettelijk storen dieren Europese soorten Verbod opzettelijk rapen of vernielen eieren dieren Europese soorten
Verbod beschadigen voortplantings- of rustplaatsen Europese soorten
3.5, vijfde lid Verbod opzettelijk vernielen planten dieren Europese soorten artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e , in samenhang met de definitie van “flora- en fauna-activiteit”, onderdeel n (bijlage bij artikel 1.1)
3.6, eerste lid Verbod handel dieren en planten Europese soorten artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e , in samenhang met de definitie van “flora- en fauna-activiteit”, onderdelen h en p (bijlage bij artikel 1.1)
3.6, tweede lid Verbod houden dieren en planten Europese soorten buiten handel artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e , in samenhang met de definitie van “flora- en fauna-activiteit”, onderdelen i en q (bijlage bij artikel 1.1)
3.6, derde lid Uitzondering gefokte dieren en gekweekt planten Krachtens artikel 5.1, eerste lid
3.7, eerste en tweede lid Regels over onttrekken aan natuur en exploitatie – aanwijzing: artikel 2.46, vierde en vijfde lid;
– algemene regels: artikel 4.33
– vergunningplicht:
Krachtens artikel 5.1, tweede lid, onderdeel h , in samenhang met de definitie van “flora- en fauna-activiteit”, onderdeel r (bijlage bij artikel 1.1).
Beoordelingsregels krachtens artikel 5.29e
3.7, derde lid Medebewind provincies Krachtens artikel 2.51, tweede lid
3.8, eerste lid Bevoegdheid gedeputeerde staten ontheffing verboden ter bescherming soorten Europees belang Krachtens artikel 5.10, eerste lid, onderdeel e.
behalve verboden diverse activiteiten in het kader van de handel
Bevoegdheid gedeputeerde staten ontheffing verboden ter bescherming soorten Europees belang voor het onder zich hebben en het vervoer anders dan voor handel Krachtens artikel 5.10, eerste lid, onderdeel e.
3.8, tweede lid Bevoegdheid provinciale staten vrijstelling verboden ter bescherming soorten Europees belang (behalve verboden handel) Vrijstelling: krachtens artikel 5.2, eerste lid
Bevoegdheid provinciale staten vrijstelling verboden ter bescherming soorten Europees belang voor het onder zich hebben en het vervoer anders dan voor handel Vrijstelling: krachtens artikel 5.2, eerste lid
3.8, derde lid Bevoegdheid minister EZ ontheffing/vrijstelling verboden handel en vervoer (buiten handel) ter bescherming soorten Europees belang – Bevoegdheid omgevingsvergunning (ontheffing): krachtens artikel 5.11, eerste lid, onderdeel f;
– Bevoegdheid vrijstelling:
Krachtens artikel 5.2, tweede lid,
3.8, vierde lid Medebewind gedeputeerde staten en provinciale staten voor verlenen ontheffing of vrijstelling van regels onttrekking of exploitatie op grond van artikel 3.7 Omgevingsvergunning (ontheffing) krachtens artikel 5.10, eerste lid, onderdeel e
Vrijstelling: krachtens artikel 5.2, eerste lid
3.8, vijfde lid Eisen aan verlening ontheffing en vrijstelling Vrijstelling (m): krachtens artikel 5.2, tweede lid Ontheffing: Krachtens artikel 5.18 en 5.34
Vrijstelling (Ps): artikel 5.2, eerste lid
3.8, zesde lid Uitzondering op de soortenbeschermingsverboden ingeval de flora- en fauna-toets in het kader van een ander besluit wordt uitgevoerd. Krachtens artikel 5.1, eerste lid Bij algemene maatregel van bestuur te regelen
3.8, zevende lid, onderdeel a Uitzondering op de soortenbeschermingsverboden ingeval de handeling een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel voor een Natura 2000-gebied is Krachtens artikel 5.1, eerste lid Bij algemene maatregel van bestuur te regelen
3.8, zevende lid, onderdeel b Uitzondering op de soortenbeschermingsverboden ingeval de handelingen plaatsvindt overeenkomstig een Natura 2000-beheerplan of een programma (programmatische aanpak) Krachtens artikel 5.1, eerste lid Bij algemene maatregel van bestuur te regelen
3.8, achtste lid Geen afzonderlijke flora- en fauna-ontheffing voor activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning is vereist. Niet meer nodig.
3.9, eerste lid, onderdeel a Verbod gebruik vang- of dodingsmiddelen dieren van soorten van Europees belang artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e , in samenhang met de definitie van “flora- en fauna-activiteit”, onderdeel g (bijlage bij artikel 1.1)
3.9, eerste lid, onderdeel b Verbod gebruik vervoermiddelen voor vangen of doden dieren van soorten van Europees belang artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e , in samenhang met de definitie van “flora- en fauna-activiteit”, onderdeel b (bijlage bij artikel 1.1)
3.9, tweede lid Bevoegdheid gedeputeerde staten om ontheffing te verlenen van het verbod op het gebruik van middelen of vervoermiddelen; bevoegdheid provinciale staten om vrijstelling te verlenen van deze verboden Vrijstelling: – krachtens artikel 2.49, eerste lid Ontheffing: Krachtens artikel 5.10, eerste lid, onderdeel e.
3.9, derde lid Aanwijzen installaties, middelen, methoden Krachtens artikel 2.50, tweede lid
3.10, eerste lid, onderdeel a Verbod opzettelijk doden of vangen dieren van soorten, aangewezen in de bijlage bij de wet, onderdeel A artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e , in samenhang met de definitie van “flora- en fauna-activiteit”, onderdeel j (bijlage bij artikel 1.1)
– aanwijzing: krachtens artikel 2.46, eerste en tweede lid
3.10, eerste lid, onderdeel b Verbod opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen dieren van soorten, aangewezen in de bijlage bij de wet, onderdeel A artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e , in samenhang met de definitie van “flora- en fauna-activiteit”, onderdeel j (bijlage bij artikel 1.1)
3.10, eerste lid, onderdeel c Verbod op opzettelijk plukken of vernielen van planten van soorten, aangewezen in de bijlage bij de wet, onderdeel B artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e , in samenhang met de definitie van “flora- en fauna-activiteit”, onderdeel n (bijlage bij artikel 1.1)
– aanwijzing: krachtens artikel 2.46, eerste en derde lid
3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, eerste lid Bevoegdheid gedeputeerde staten ontheffing verboden ter bescherming soorten Krachtens artikel 5.10, eerste lid, onderdeel e
3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, tweede lid Bevoegdheid provinciale staten vrijstelling verboden ter bescherming soorten Krachtens artikel 5.2, eerste lid
3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, vijfde lid Eisen aan verlening ontheffing en vrijstelling Ontheffing: Krachtens artikel 5.18 en 5.34
Vrijstelling: krachtens artikel 5.2, eerste lid
3.10, tweede lid, onderdelen a tot en met g, in samenhang met artikel 3.8, vijfde lid Eisen aan verlening ontheffing en vrijstelling Ontheffing: Krachtens artikel 5.18 en 5.34
Vrijstelling: krachtens artikel 5.2, eerste lid
3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, zesde lid Uitzondering op de soortenbeschermingsverboden ingeval de flora- en fauna-toets in het kader van een ander besluit wordt uitgevoerd. Krachtens artikel 5.1, eerste lid
3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, zevende lid Uitzondering op de soortenbeschermingsverboden ingeval de handeling een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel voor een Natura 2000-gebied is Krachtens artikel 5.1, eerste lid
3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, achtste lid Geen afzonderlijke flora- en fauna-ontheffing voor activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning is vereist. Niet meer nodig.
3.10, derde lid Uitzondering op verboden Krachtens artikel 5.1, eerste lid Bij algemene maatregel van bestuur te regelen
3.11, eerste lid Meldingsplicht ter vervanging van soortenbeschermingsverboden art. 3.10 en ontheffing bij ministeriële regeling Krachtens artikel 5.1, eerste lid en artikel 4.3, tweede lid
3.11, tweede lid Nadere regels provinciale staten over melding Worden Beleidsregels provincies (16.88 voorziet niet in bevoegdheid PS)
3.12, eerste lid Verplichting faunabeheereenheden die faunabeheerplannen vaststellen. Krachtens artikel 2.48
Verplichting dat populatiebeheer, schadebestrijding en jacht overeenkomst het faunabeheerplan geschieden
3.12, tweede lid Eisen aan faunabeheereenheid en het bestuur Krachtens artikel 2.48
3.12, derde lid Verplichting faunabeheereenheden om faunabeheerplannen vast te stellen. Krachtens artikel 2.48
Voor door de Minister van EZ aangewezen diersoorten met een grote omvang van hun leefgebied wordt een gezamenlijk faunabeheerplan vastgesteld door de betrokken faunabeheereenheden.
3.12, vierde lid Eisen aan de maatregelen in een faunabeheerplan Krachtens artikel 2.48
3.12, vijfde lid Eisen aan onderbouwing faunabeheerplan Krachtens artikel 2.48
3.12, zesde lid Verplichting faunabeheereenheid om eerst wildbeheereenheden te horen over het vast te stellen faunabeheerplan Krachtens artikel 2.48
3.12, zevende lid Vereiste van goedkeuring faunabeheerplan door gedeputeerde staten Krachtens artikel 2.48
Bevoegdheid: artikel 2.48, vierde lid
3.12, achtste lid Verplichting faunabeheereenheid om jaarlijks verslag uit te brengen aan gedeputeerde staten Krachtens artikel 2.48
3.12, negende lid Nadere regels over faunabeheereenheden en faunabeheerplannen van provinciale staten Krachtens artikel 2.48, derde lid
3.12, tiende lid Uitzondering vereisten faunabeheereenheden en faunabeheerplannen op beheer en schadebestrijding populaties exoten, verwilderde dieren Krachtens artikel 2.48
3.13, eerste lid Verplichting gegevensverstrekking door jachtaktehouders aan faunabeheereenheden Krachtens artikel 4.32
3.13, tweede lid Verplichting faunabeheereenheden om gegevens openbaar te maken Krachtens artikel 2.48
3.14, eerste lid Verplichting jachthouders met jachtakte om zich aan te sluiten bij een wildbeheereenheid. Krachtens artikel 4.31
Taak van de wildbeheereenheid.
Andere mogelijke leden van een wildbeheereenheid
3.14, tweede lid Bij provinciale verordening regels over wildbeheereenheden: omvang begrenzing werkgebied en uitzonderingsgevallen aansluitingsplicht Krachtens artikel 2.48
3.15, eerste lid Bij algemene maatregel van bestuur aanwijzing soorten van dieren die in het gehele land schade veroorzaken (landelijke lijst) Krachtens artikel 2.47, eerste lid
3.15, tweede lid Bevoegdheid Minister van EZ verlening vrijstelling voor schadebestrijding dieren landelijke lijst door grondgebruikers Krachtens artikel 5.2, tweede lid.
3.15, derde lid Bevoegdheid provinciale staten aanwijzing soorten van dieren die in hun provincie schade veroorzaken Krachtens artikel 2.47, tweede lid
Beperkingen aan aanwijzing krachtens artikel 2.14
3.15, vierde lid Bevoegdheid provinciale staten verlening vrijstelling alleen voor grondgebruikers Krachtens artikel 5.2, eerste lid
3.15, vijfde lid Beperkingen aan vrijstelling (m) Krachtens artikel 5.2, tweede lid (ps) Krachtens artikel 5.2, eerste lid
3.15, zesde lid Beperking soorten schade die mag worden bestreden (m) Krachtens artikel 5,2, tweede lid (ps) Krachtens artikel 5.2, eerste lid
3.15, zevende lid Bevoegdheid grondgebruiker om schadebestrijdingshandeling door anderen te laten uitoefenen (m) Krachtens artikel 5.2, tweede lid (ps) Krachtens artikel 5.2, eerste lid
3.15, achtste lid Overlegverplichting Rijk en provincies voor algemene maatregel van bestuur Artikel 2.2, derde lid
3.16, eerste lid Bij algemene maatregel van bestuur aanwijzing soorten van dieren die in het gehele land overlast veroorzaken (landelijke lijst) Krachtens artikel 2.47, eerste lid
3.16, tweede lid Bevoegdheid Minister van EZ verlening vrijstelling voor overlastbestrijding dieren landelijke lijst door gemeenten binnen bebouwde kom Krachtens artikel 5.2, tweede lid
3.16, derde lid Bevoegdheid provinciale staten aanwijzing van soorten dieren die in hun provincie overlast veroorzaken Krachtens artikel 2.47, tweede lid
3.16, vierde lid Bevoegdheid provinciale staten verlening vrijstelling voor overlastbestrijding dieren provinciale lijst door gemeenten binnen bebouwde kom Krachtens artikel 5.2, eerste lid
3.16, vijfde lid Beperkingen aan vrijstelling (m) Krachtens artikel 5.2, tweede lid (ps) Krachtens artikel 5.2, eerste lid
3.17, eerste lid Bevoegdheid gedeputeerde staten verlening ontheffing voor populatiebeheer; Krachtens artikel 5.10, eerste lid, onderdeel e,
Voorwaarden Krachtens artikel 5.18 (voorwaarden)
3.17, tweede lid Ontheffing voor faunabeheereenheid die handelt overeenkomstig een faunabeheerplan Krachtens artikel 5.1, eerste lid, onderdeel g Krachtens artikel 5.34.
3.17, derde lid Faunabeheereenheid kan wildbeheereenheden of anderen toestemming geven om handelingen uit te oefenen Krachtens artikel 5.34, 5.37
3.17, vierde lid Ontheffing populatiebeheer in plaats van aan faunabeheereenheid aan een wildbeheereenheid of anderen Krachtens artikel 5.34.
3,17, vijfde lid Ontheffing populatiebeheer anders dan op basis van een faunabeheerplan Krachtens artikel 5.34.
3.18, eerste lid Bevoegdheid gedeputeerde staten verlening opdracht tot populatiebeheer Krachtens artikel 5.1, eerste lid, onderdeel g Krachtens artikel 5.10, eerste lid, onderdeel e Wanneer opdracht wordt verleend, zal gedeputeerde staten aan de opdrachtnemer een “eigen dienst” omgevingsvergunning verlenen.
3.18, tweede lid, onderdeel a Bevoegdheid gedeputeerde staten om te bepalen dat bij de uitvoering van de opdracht tot populatiebeheer de betrokkenen toegang hebben tot gronden zo nodig met behulp van sterke arm gedogen: 10.10a, tweede lid Sterke arm toegang: via bestuursdwang.
3.18, tweede lid, onderdeel b Bevoegdheid gedeputeerde staten om bij opdracht te eisen dat opdracht overeenkomstig faunabeheerplan wordt uitgevoerd Krachtens artikel 5.34.
3.18, derde lid Bevoegdheid gedeputeerde staten om te bepalen wat met bemachtigde dieren gebeurt Krachtens artikel 5.34.
3.18, vierde lid, in samenhang met eerste, tweede en derde lid Bevoegdheid gedeputeerde staten verlening opdracht tot populatiebeheer exoten of verwilderde dieren Het vangen of doden van exoten en verwilderde dieren is geen flora- en fauna-activiteit en valt daarom niet onder het beschermingsregime van artikel 5.1.
3.19 Aanwijzing door de Minister van EZ van te bestrijden soorten invasieve exoten, opdracht bestrijding Vindt plaats via uitvoering van verordening 1143/2014 (artikel 4.36)
3.20, eerste lid Hoofdregel uitoefening jacht Krachtens artikel 4.3 en 4.31
3.20, tweede lid Aanwijzing bejaagbaar wild Krachtens artikel 4.3 en 4.31
3.20, derde lid Verplichting jachthouder om redelijke wildstand op zijn jachtveld te handhaven of te bereiken en om schade door wild te voorkomen Krachtens artikel 4.3 en 4.31
3.20, vierde lid Voorwaarden waaronder jachtopzichters en anderen buiten het gezelschap van de jachthouder de jacht mogen uitoefenen Krachtens artikel 4.3 en 4.31
3.21, eerste lid Verbod om bij de jacht andere dan de aangewezen middelen te gebruiken Krachtens artikel 4.3 en 4.31
3.21, tweede lid Verbod om zich in het jachtveld te bevinden met niet aangewezen jachtmiddelen Krachtens artikel 4.3 en 4.31
3.21, derde lid Verbod op uitoefening van de jacht met het geweer binnen de bebouwde kom Krachtens artikel 4.3 en 4.31
3.21, vierde lid Bevoegdheid om bij algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van Benelux-regelgeving regels te stellen over Krachtens artikel 4.3 en 4.31
de uitoefening van de jacht en
het vervoer en verhandelen van wild
3.21, vijfde lid Bevoegdheid om bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen over de uitoefening van de jacht, waaronder diverse verboden Krachtens artikel 4.3 en 4.31
3.21, zesde lid Verbod op jacht door middel van eendenkooien, tenzij dieren na het vangen weer worden vrijgelaten of worden gedood Krachtens artikel 4.3 en 4.31
3.22, eerste lid Verbod op de uitoefening van de jacht als de jacht niet is geopend Krachtens artikel 4.3 en 4.31
3.22, tweede lid Opdracht om bij ministeriële regeling de jacht te openen Krachtens artikel 2.49, eerste lid
3.22, derde lid Beperkingen aan de opening van jacht op aangewezen vogelsoorten ter uitvoering van de Vogelrichtlijn Krachtens artikel 2.24
3.22, vierde lid Bevoegdheid gedeputeerde staten om de jacht geheel of gedeeltelijk te sluiten vanwege bijzondere weersomstandigheden Krachtens artikel 2.49, tweede lid
3.22, vijfde lid Beperking aan de opening van de jacht, wanneer staat van instandhouding in het geding is Krachtens artikel 2.24
3.22, zesde lid Overlegverplichting Rijk met provincies over opening van de jacht Artikel 2.2, derde lid
3.23, eerste lid Regeling wie de “jachthouder” is Krachtens artikel 4.3 en 4.31
3.23, tweede lid Bij huurovereenkomst jacht mag niet worden afgeweken van BW-regel “koop breekt geen huur” Artikel 4.31, tweede lid, onderdeel d;
Krachtens artikel 4.3 en 4.31
3.23, derde lid Nadere regels aan eisenhuurovereenkomst jacht Krachtens artikel 4.3 en 4.31
3.24, eerste lid Verplichting om te voorkomen dat dieren onnodig lijden als zij worden gedood Krachtens artikel 4.3 en 4.32
3.24, tweede lid Verbod om zich buiten gebouwen te bevinden met bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen Krachtens artikel 4.3 en 4.32
3.24, derde lid Bij het aanwijzen van middelen waarvoor het verbod geldt om zich ermee buiten gebouwen te bevinden, wordt rekening gehouden met het voorkomen van onnodig lijden van dieren Krachtens artikel 4.3 en 4.32
3.24, vierde lid Bevoegdheid om bij algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van Benelux-regels regels te stellen over het gebruik van middelen Krachtens artikel 4.3 en 4.32
3.24, vijfde en zesde lid Verbod om zich in een veld te bevinden met een dier dat dieren opspoort, vangt, dood etcetera, en uitzondering daarop. Krachtens artikel 4.3 en 4.32
3.25, eerste lid Bij het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen van de soortenbeschermingsverboden en bij het geven van een opdracht waarbij mag worden afgeweken van die verboden, moet het bevoegd gezag de middelen aanwijzen die mogen worden gebruikt Algemene regels (m): krachtens artikel 5.2, tweede lid Omgevingsvergunning: krachtens artikel 5.34, tweede lid
Algemene regels (ps): Krachtens artikel 5.2, eerste lid
3.25, tweede lid Bij het verlenen van vrijstelling voor schadebestrijding door grondgebruikers moet het bevoegd gezag de middelen aanwijzen die mogen worden gebruikt Algemene regels (m): krachtens artikel 5.2, tweede lid Algemene regels (ps): Krachtens artikel 5.2, eerste lid
3.25, derde lid Bij vrijstellingen en ontheffingen ten behoeve van schadebestrijding moet het doden van dieren zoveel mogelijk worden voorkomen, en anders nadelige gevolgen voor welzijn zoveel mogelijk worden vermeden en beperkt Algemene regels (m): krachtens artikel 5.2, tweede lid Omgevingsvergunning: krachtens artikel 5.34, tweede lid
Algemene regels (ps): Krachtens artikel 5.2, eerste lid
3.25, vierde lid Bevoegdheid om vrijstelling of ontheffing te verlenen van regels over het gebruik van middelen Artikel 4.5 In plaats van ontheffingen of vrijstellingen kan worden gewerkt met maatwerkvoorschriften.
Bevoegd gezag zijn gedeputeerde staten (gewijzigd artikel 4.11) of in uitzonderingsgevallen de Minister van EZ (krachtens gewijzigd artikel 4.12)
3.26, eerste lid Voorwaarden waaronder het geweer mag worden gebruikt Krachtens artikel 4.3 en 4.32
Artikel 5.1, eerste lid, onderdeel h
3.26, tweede lid Bij algemene maatregel van bestuur nadere regels over geweren Krachtens artikel 4.3 en 4.32
3.26, derde lid Bevoegdheid om vrijstelling of ontheffing te verlenen van regels over het gebruik van het geweer Artikel 4.5 In plaats van ontheffingen of vrijstellingen kan worden gewerkt met maatwerkvoorschriften.
Bevoegd gezag zijn gedeputeerde staten (gewijzigd artikel 4.11) of in uitzonderingsgevallen de Minister van EZ (krachtens gewijzigd artikel 4.12)
3.27, eerste lid Verbod op het dragen van een geweer in het veld zonder jachtakte Krachtens artikel 4.3 en 4.32
3.27, tweede lid Verbod op het dragen van een geweer op gronden waar men niet tot het gebruik van het geweer gerechtigd is Krachtens artikel 4.3 en 4.32
3.28, eerste lid Verlening jachtakte door korpschef politie Krachtens artikel 5.1, eerste lid, onderdeel h .
Bevoegd gezag: artikel 5.9a
3.28, tweede lid Eisen voor verlening jachtakte Artikel 5.29a Krachtens artikel 5.18
3.28, derde lid Gronden voor weigering aangevraagde jachtakte Artikel 5.29a Krachtens artikel 5.18
3.28, vierde lid Bij algemene maatregel van bestuur regels jachtexamen Krachtens artikel 2.49, vierde lid
3.28, vijfde lid Logeerakte Artikel 5.29a Krachtens artikel 5.18
3.28, zesde lid Eisen aan logeerakte Artikel 5.29a Krachtens artikel 5.18
3.28, zevende lid Bij algemene maatregel van bestuur regels over jachtakte Artikel 5.29a Krachtens artikel 5.18
Krachtens artikel 16.88, tweede en derde lid
3.29, eerste lid Bij algemene maatregel van bestuur regels over verzekering aansprakelijkheid gebruik geweer Krachtens artikel 4.3 en 4.32
3.29, tweede lid Recht op vergoeding schade benadeelde op verzekeraar Artikel 23.8a, eerste lid
3.29, derde lid Beperking toepassing bepalingen Burgerlijk Wetboek Artikel 23.8a, tweede lid
3.29, vierde lid Verhaalsrecht verzekeraar op aansprakelijke Artikel 23.8a, derde lid
3.29, vijfde lid Verzekeraar verplicht om aan benadeelde ook het deel van de schade te vergoeden dat uiteindelijk door aansprakelijke zelf gedragen moet worden op grond van de verzekeringsovereenkomst Artikel 23.8a, vierde lid
3.30, eerste lid Voorwaarden waaronder jachtvogels mogen worden gebruikt Krachtens artikel 4.3 en 4.32
Artikel 5.1, eerste lid, onderdeel i
3.30, tweede lid Eisen valkeniersakte Krachtens artikel 5.1, eerste lid, onderdeel h
Bevoegd gezag: krachtens artikel 5.11
Examens: krachtens artikel 2.49, vierde lid
3.30, derde lid Voorwaarden aan gebruik eendenkooien Krachtens artikel 4.3 en 4.32
3.30, vierde lid Eisen aan kooikers examen Krachtens artikel 2.48, vijfde lid
3.30, vijfde lid Verbod i.v.m. afpalingsrecht Krachtens artikel 4.3 en 4.32
3.30, zesde lid Uitzondering verbod i.v.m. afpalingsrecht Krachtens artikel 4.3 en 4.32
3.30, zevende lid Verplichting tot vergoeding schade aan kooikers als gevolg van toegestane inbreuken op afpalingsrecht Krachtens artikel 4.3 en 4.32
3.30, achtste lid Beperking afpalingsrecht tot oude gevallen (VOOR 01-04-1977) Krachtens artikel 4.3 en 4.32
3.30, negende lid Bij algemene maatregel van bestuur regels over afpaling eendenkooi Krachtens artikel 4.3 en 4.32
3.31 Gedragscodes Bevoegdheid goedkeuring artikel 2.51, eerste lid Uitzondering krachtens artikel 5.1, eerste lid, slot
Procedures krachtens artikel 16.88
3.32, eerste lid Verbod bijvoeren artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e , in samenhang met de definitie van “flora- en fauna-activiteit”, onderdeel k (bijlage bij artikel 1.1)
3.32, tweede lid Ontheffing gedeputeerde staten op verbod bijvoeren artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e , in samenhang met de definitie van “flora- en fauna-activiteit”, onderdeel k (bijlage bij artikel 1.1) Bevoegdheid krachtens artikel 5.10, eerste lid
3.33, eerste lid Verbod drijven wild artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e , in samenhang met de definitie van “flora- en fauna-activiteit”, onderdeel l (bijlage bij artikel 1.1)
3.33, tweede lid Bij provinciale verordening regels waaronder verbod niet van toepassing is Krachtens artikel 5.2, tweede eerste lid
3.33, derde lid Bevoegdheid algemene maatregel van bestuur over voorschriften aan ontheffingen, vrijstellingen of opdrachten ingeval nodig ter uitvoering van Europese of internationale regels
3.34, eerste lid Verbod op uitzetten dieren of eieren artikel 5.1, eerste lid, onderdeel g , in samenhang met de definitie van “flora- en fauna-activiteit”, onderdeel m (bijlage bij artikel 1.1)
3.34, tweede lid Uitzondering op verbod uitzetten dieren voor vissen als bedoeld in Visserijwet Krachtens artikel 5.1, eerste lid
3.34, derde lid Ontheffing en vrijstelling door provincies van verbod uitzetten Bevoegdheid krachtens artikel 5.10, eerste lid
3.34, vierde lid Verbod bij algemene maatregel van bestuur aangewezen exoten planten te zaaien of planten Vindt plaats via uitvoering van verordening 1143/2014 (artikel 4.36)
3.34, vijfde lid Bevoegdheid Minister EZ in plaats van provincies om ontheffing of vrijstelling te verlenen voor uitzetten i.v.m. herintroductie soortenherintroductie Bevoegdheid krachtens artikel 5.11, eerste lid Via algemene maatregel van bestuur
Bevoegdheid Minister EZ in plaats van provincies om ontheffing of vrijstelling te verlenen voor het uitzetten van exoten planten Vindt plaats via uitvoering van verordening 1143/2014 (artikel 4.36. nieuw)
Overeenstemming met provincies vereist 2.2, derde lid
3.35 Verbod doden en verwerken walvissen Artikel 4.3 en 4.35
3.36 Aanwijzing Europese regelgeving inzake handel dieren en planten en inzake invasieve exoten bijlage bij artikel 1.1: definities van:
– cites-basisverordening, citesverordeningen, exoten-basis-verordening, exotenverordeningen, wildklemverordening, zeehondenrichtlijn, zeehonden-basisverordening, zeehondenverordeningen.
3.37, eerste lid Verbod om in strijd handelen met rechtstreeks werkende voorschriften van verordeningen, aan te wijzen bij regeling Vergunningen handel of bezit: krachtens artikel 5.1, tweede lid, onderdeel g.
Vergunningen exoten: artikel 5.1, eerste lid, onderdeel g , in samenhang met de definitie van “flora- en fauna-activiteit”, onderdeel s (bijlage bij artikel 1.1)
Krachtens artikelen 4.3 en 4.34 (handel en bezit) en 4.36 (exoten)
3.37, tweede lid Bevoegdheid ministeriële regeling voor uitvoering van onderdelen verordeningen (technisch) Artikel 4.3, derde lid
3.37, derde lid Aanwijzing bevoegde autoriteit Via artikelen 4.11/4.12
3.38, eerste lid Bevoegdheid algemene maatregel van bestuur nadere regels handel en bezit Vergunningen handel of bezit: krachtens artikel 5.1, tweede lid, onderdeel g.
Beoordelingsregels: krachtens artikel 5.29d
Vergunningen exoten: artikel 5.1, eerste lid, onderdeel g , in samenhang met de definitie van “flora- en fauna-activiteit”, onderdeel s (bijlage bij artikel 1.1)
Beoordelingsregels: krachtens artikel 5.29b
Algemene regels krachtens artikelen 4.3 en 4.34 (handel en bezit) en 4.36 (exoten)
Taak privaatrechtelijke rechtspersonen voor uitgifte ringen, merken en merktekens: krachtens artikel 2.51, derde lid
3.38, tweede lid Medebewind provincies bij uitvoering exotenverordening Krachtens artikel 2.18, vierde lid, onderdeel f, onder 3°
3.39 Verbod verhandelen en bezit bij algemene maatregel van bestuur aangewezen exoten Vindt plaats via uitvoering van verordening 1143/2014 (artikel 4.36)
3.40 Bevoegdheid van Minister EZ om ontheffing of vrijstelling te verlenen van regels handel, bezit dieren en planten en exotenregels, mits overeenkomstig de toepasselijke EU-regelgeving.
3.41, eerste lid CITES-autoriteit 17.5a, eerste lid
3.41, tweede lid Samenstelling CITES-autoriteit 17.5a, tweede lid
3.41, derde lid Termijn benoeming leden 17.5a, derde lid
6.2, tweede lid Bevoegdheid korpschef voor heffen leges jachtakte overeenkomstig tarief dat is vastgesteld door Minister EZ Artikel 13.1 tweede lid
8.1, eerste lid Administratief beroep tegen weigering of intrekking jachtakte, bij Minister V&J Artikel 16.87a
1.1, eerste lid Begripsbepaling “staat van instandhouding van een soort”
Begripsbepaling “valkeniersakte” Ander begrip: omgevingsvergunning voor valkeniersactiviteit
Begripsbepaling “Verdrag van Bern” bijlage behorende bij artikel 1.1, onderdeel B,
Begripsbepaling “Verdrag van Bonn” bijlage behorende bij artikel 1.1, onderdeel B,
Begripsbepaling “Vogelrichtlijn” bijlage behorende bij artikel 1.1, onderdeel B,
Begripsbepaling “wildbeheereenheid” Op te nemen in uitvoeringsregelgeving
1.1, tweede lid Verduidelijking begrip “binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen” bijlage behorende bij artikel 1.1, onderdeel A,
Verduidelijking begrip “dieren”
Verduidelijking begrip “eieren”
Verduidelijking begrip “grond” Op te nemen in uitvoeringsregelgeving
Verduidelijking begrip “planten”
Verduidelijking begrip “veld” Op te nemen in uitvoeringsregelgeving
Verduidelijking begrip “vellen” Op te nemen in uitvoeringsregelgeving
Verduidelijking begrip “verhandelen” bijlage behorende bij artikel 1.1, onderdeel A
1.1, derde lid Doorwerking bepalingen van begrippen van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn
1.2, eerste lid Toepassing van de wet in de EEZ artikel 1.5, eerste en tweede lid
1.2, tweede lid Uitzondering voor handelingen waarop het gemeenschappelijk visserijbeleid van toepassing is Krachtens artikel 5.1, eerste lid
1.3, eerste lid Gedeputeerde staten als bevoegd gezag voor het nemen van een besluit over projecten of handelingen zijn gedeputeerde staten van de provincie waar het project of de handelingen plaatsvindt. Volgt uit het systeem van de Omgevingswet
1.3, tweede lid Provinciale staten als bevoegd gezag voor het nemen van een besluit over projecten of handelingen zijn provinciale staten van de provincie waar het project of de handelingen plaatsvindt. Volgt uit het systeem van de Omgevingswet
1.3, derde lid Afstemming door provincies bij besluiten over projecten of handelingen met grensoverschrijdende gevolgen. artikel 2.2, eerste lid
1.3, vierde lid Afstemming door provincies bij besluiten over projecten of handelingen die in twee of meer provincies plaatsvinden artikel 2.2, eerste lid
1.3, vijfde lid Gevallen waarin een minister in plaats van gedeputeerde of provinciale staten het bevoegd gezag is voor:
a.     de verlening van vergunningen ten behoeve van projecten met mogelijk significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied (artikelen 2.7, tweede en derde lid, en 2.8, derde lid), met inbegrip van procedurele stappen, te weten de indiening van een verzoek tot het starten van een adviesaanvraag bij de Europese Commissie in het kader van de zogenoemde ‘adc-toets’ (artikel 2.8, zesde lid), de indiening van het verzoek om de Europese Commissie op de hoogte te stellen van de compenserende maatregelen (artikel 2.8, zevende lid), en het stellen van de bijzondere voorschriften ter vermindering van de depositie van schadelijke stoffen (artikel 5.5, eerste lid); a. krachtens artikel 5.11
b.     het vaststellen van generieke voorschriften ter vervanging van de vergunningplicht voor de hiervoor genoemde projecten (artikel 2.9, tweede lid); b. krachtens artikel 5.2, tweede lid
c.     de verlening van ontheffingen van verboden ter bescherming van vogels (artikel 3.3, eerste lid); c. krachtens artikel 5.11
d.     de verlening van vrijstellingen van verboden ter bescherming van vogels (artikel 3.3, tweede lid); d. krachtens artikel 5.2, tweede lid
e.     de verlening van ontheffingen van het verbod op het gebruik van niet-selectieve vangmiddelen (artikel 3.4, tweede lid, en 3.9, tweede lid); e. krachtens artikel 5.11
f.      de verlening van vrijstellingen van het verbod op het gebruik van niet-selectieve vangmiddelen (artikel 3.4, tweede lid, en 3.9, tweede lid); f. krachtens artikel 5.2, tweede lid
g.     de verlening van ontheffingen van verboden ter bescherming van dieren en planten van soorten van Europees belang (artikel 3.8, eerste lid); g. krachtens artikel 5.11
h.     de verlening van vrijstellingen van verboden ter bescherming van dieren en planten van soorten van Europees belang (artikel 3.8, tweede lid); h. krachtens artikel 5.2, tweede lid
i.      de verlening van ontheffingen van de verboden ter bescherming van dieren en planten van nationaal belang (artikel 3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, eerste lid); i. krachtens artikel 5.11
j.      de verlening van vrijstellingen van de verboden ter bescherming van dieren en planten van nationaal belang (artikel 3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, tweede lid); j. krachtens artikel 5.2, tweede lid
k.     de behandeling van meldingen van bepaalde handelingen die schadelijk zijn voor dieren en planten, genoemd in de bijlage bij dit wetsvoorstel en het stellen van regels ten aanzien van die melding (artikel 3.11, eerste en tweede lid); k. krachtens artikel 4.12
l.      de goedkeuring van faunabeheerplannen, het ontvangen van verslagen over de uitvoering van het faunabeheerplan en het stellen van regels aan faunabeheereenheden en faunabeheerplannen (artikel 3.12, zevende, achtste en negende lid); l. krachtens artikel 2.48, vijfde lid
m.   het stellen van regels aan   wildbeheereenheden (artikel 3.14, tweede lid); m. krachtens artikel 2.48, vijfde lid
n.     het aanwijzen van soorten die in delen van het land schade veroorzaken en het verlenen van vrijstellingen ten behoeve van de bestrijding van deze dieren (artikel 3.15, derde en vierde lid); n. krachtens artikel 2.47, derde lid
o.     het aanwijzen van soorten die in delen van het land overlast veroorzaken en het verlenen van vrijstellingen ten behoeve van de bestrijding van deze dieren (artikel 3.16, derde en vierde lid); o. krachtens artikel 2.47, derde lid
p.     het verlenen van ontheffingen ten behoeve van de beperking van de omvang van een populatie (artikel 3.16, eerste lid); p. krachtens artikel 5.11
q.     het geven van een opdracht ter beperking van de omvang van een populatie (artikel 3.18); q. artikel 2.19, vierde lid, onderdeel a, onder 3°
r.      het sluiten van de jacht bij bijzondere weersomstandigheden (artikel 3.22, vierde lid); r. krachtens artikel 2.49, derde lid
s.     het aanwijzen van middelen ten behoeve van de bestrijding van schadeveroorzakende dieren die in delen van het land schade veroorzaken (artikel 3.25, tweede lid); s. krachtens artikel 2.47, derde lid
t.      het verlenen van ontheffingen van het verbod om het geweer te gebruiken op een jachtveld dat niet voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels (artikel 3.26, derde lid); t. krachtens artikel 4.12, eerste lid, onderdeel h
u.     het verlenen van ontheffingen om wild bij te voeren (artikel 3.32, tweede lid); u. krachtens artikel 5.11
v.     het toestaan van de methode van één-op-één drijven om wilde zwijnen te vangen of doden (artikel 3.33, tweede lid); v. krachtens artikel 5.11
w.    het verlenen van ontheffingen op het verbod op het uitzetten van dieren of eieren (artikel 3.34, derde lid); w. krachtens artikel 5.11
x.     de behandeling van meldingen van houtkap en het stellen van regels ten aanzien van die melding (artikel 4.2, eerste en tweede lid); x. krachtens artikel 4.12, eerste lid, onderdeel m
y.     het verbieden van houtkap ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden (artikel 4.2, derde lid); y. krachtens artikel 2.52, derde lid
z.     het stellen van regels over de bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanting (artikel 4.3, derde lid); z. krachtens artikel 2.52, derde lid
aa.  het verlenen van ontheffingen om de herbeplanting op een andere dan de oorspronkelijke grond te laten plaatsvinden en het stellen van regels aan die herbeplanting (artikel 4.5, eerste lid); aa. krachtens artikel 4.12, eerste lid, onderdeel m
bb.  het verlenen van ontheffingen van de meldingsplicht bij houtkap en de herbeplantingsplicht (artikel 4.5, derde en vierde lid); bb. krachtens artikel 4.12, eerste lid, onderdeel m
cc.  het verlenen van vrijstellingen van de meldingsplicht bij houtkap en de herbeplantingsplicht (artikel 4.5, derde en vierde lid); cc. krachtens artikel 4.12, eerste lid, onderdeel m
dd.  het opleggen van verplichtingen ten aanzien van handelingen ter bescherming van Natura 2000-gebieden (artikel 2.4, eerste, tweede en derde lid) en de daarbij te stellen bijzondere voorschriften ter vermindering van de depositie van schadelijke stoffen (artikel 5.5, tweede lid). dd. artikel 2.44, derde lid
1.3, zesde lid Ingeval een minister bevoegd is om regels te stellen in plaats van provinciale staten, geschiedt dat bij ministeriële regeling.
1.3, zevende lid Provinciale staten kunnen hun regelgevende bevoegdheid delegeren aan gedeputeerde staten artikel 2.8
1.4 Doorwerking wijziging bindende EU-rechtshandelingen artikel 23.2
1.5, eerste lid Vaststelling nationale natuurvisie artikel 3.1, derde lid, in samenhang met artikel 1.2, tweede lid, onderdeel h.
1.5, tweede en derde lid Inhoudelijke eisen aan nationale natuurvisie De Omgevingswet stelt geen eisen aan de inhoud van de omgevingsvisie.
1.5, vierde lid Rode lijsten 2.46, zesde lid
1.5, vijfde lid Kwantificering instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden 2.43, eerste lid
1.5, zesde lid Onderdelen van de natuurvisie kunnen worden opgenomen in een andere visie. Deze bepaling is niet meer nodig omdat de natuurvisie onderdeel is van de omgevingsvisie.
1.6, eerste lid Verplichting tot actualisatie nationale natuurvisie De Omgevingswet voorziet niet in een verplichting tot actualisatie, zie memorie van toelichting bij het voorstel voor een Omgevingswet (Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 120).
1.6, tweede lid Procedure voorbereiding van vaststelling of wijziging van een natuurvisie. artikel 16.26, 16.23, eerste lid.
Zienswijzen kunnen door een ieder naar voren worden gebracht.
1.6, derde lid Verplichting van de minister van Economische Zaken om de nationale natuurvisie aan de Staten-Generaal te zenden en zorg te dragen voor publicatie in de Staatscourant artikel 16.3 (bekendmaking) In de Omgevingswet is niet voorzien in een verplichting om de nationale omgevingsvisie aan de Staten-Generaal te zenden.
1.6, vierde lid Betrokkenheid andere minister bij vaststelling nationale natuurvisie. artikel 2.2, eerste lid.
1.7, eerste lid Vaststelling provinciale natuurvisie artikel 3.1, tweede lid, in samenhang met artikel 1.2, tweede lid, onderdeel h.
1.7, tweede en derde lid Inhoudelijke eisen aan provinciale natuurvisie De Omgevingswet stelt geen eisen aan de inhoud van de omgevingsvisie.
1.7, vierde lid Onderdelen van de natuurvisie kunnen worden opgenomen in een andere visie. Deze bepaling is niet meer nodig omdat de natuurvisie onderdeel is van de omgevingsvisie.
1.7, vijfde lid Verplichting tot actualisatie van provinciale natuurvisie. artikel 16.26, 16.23, eerste lid. De Omgevingswet voorziet niet in een verplichting tot actualisatie, zie memorie van toelichting bij het voorstel voor een Omgevingswet (Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 120).
Procedure voorbereiding van vaststelling of wijziging van een natuurvisie.
Zienswijzen kunnen door een ieder naar voren worden gebracht.
1.7, zesde lid Verplichting zorg te dragen voor publicatie in de Staatscourant artikel 16.3
1.8, eerste lid Opdracht aan de minister van Economische Zaken om toe te zien op de staat van instandhouding van natuurwaarden, beschermd door de vogelrichtlijn of de habitatrichtlijn artikel 20.1, vierde luid
artikel 20.4, onderdelen h en i
1.8, tweede lid Opdracht aan de minister van Economische Zaken om onderzoek en wetenschappelijk werk als bedoeld in de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn te bevorderen. artikel 20.18, derde lid
1.8, derde lid Verplichting aan minister van Economische Zaken om de door de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn vereiste gegevens te verstrekken aan de Europese Commissie. artikel 20.6, eerste lid Bij algemene maatregel van bestuur te regelen.
Verplichting van gedeputeerde staten om de daarvoor benodigde gegevens, betreffende besluiten of maatregelen van de provincie,   te verstrekken aan de minister.
1.9, eerste lid Opdracht aan Planbureau voor de Leefomgeving om eens per vier jaar een wetenschappelijk rapport uit te brengen over de toestand en de verwachte ontwikkelingen ten aanzien van natuur, bos en landschap. artikel 20.18, eerste lid Bij ministeriële regeling zullen natuur, bos en landschap als onderdelen van de fysieke leefomgeving worden aangewezen ten aanzien waarvan de ontwikkeling van de kwaliteit ervan moet worden beschreven in het rapport.
1.9, tweede lid Opdracht aan Planbureau voor de Leefomgeving om eens in de twee jaar een wetenschappelijk rapport uit te brengen over de stand van zaken in de beleidsuitvoering, voortgang en ontwikkelingen ten aanzien van natuur, bos en landschap. Behoeft geen wettelijke regeling.
1.9, derde lid Bevoegdheid minister van Economische Zaken om Planbureau aanwijzingen te geven in verband met de rapportages Behoeft geen wettelijke regeling.
1.9, vierde lid Aanwijzen door ministers aan overheidsinstellingen die door het planbureau worden betrokken bij de op te stellen rapporten Behoeft geen wettelijke regeling.
1.9, vijfde lid Opdracht aan de minister van Economische Zaken om rapporten van het planbureau aan de Staten-Generaal te zenden.
1.10, eerste lid Doelstellingen Wet natuurbescherming gewijzigd artikel 1.3, aanhef De doelbepaling van de Wet natuurbescherming komt inhoudelijk overeen met die van de Omgevingswet, alleen mist in de Omgevingswet een verwijzing naar de intrinsieke waarde van de natuur als een van de beweegredenen voor de regelgeving. Dit wetsvoorstel voorziet daarom in een aanvulling van de doelbepaling van de Omgevingswet.
1.10, tweede lid Verplichting voor bestuursorganen om taken en bevoegdheden uit te oefenen met het oog op de doelstellingen van de wet artikel 2.1, eerste en tweede lid.
1.10, derde lid Verplichting bestuursorganen om bij het treffen van maatregelen rekening te houden met vereisten van economisch, sociaal en cultureel gebied en regionale en lokale bijzonderheden artikel 2.1, derde lid Te regelen bij algemene maatregel van bestuur.
1.11, eerste lid Zorgplicht artikel 1.6
1.11, tweede lid Nadere uitwerking van de zorgplicht artikel 1.7
1.11, derde lid Zorgplicht is niet van toepassing op handelen en nalaten in overeenstemming met de Wet natuurbescherming of de Visserijwet 1963 artikel 1.8 In de memorie van toelichting verduidelijkt.
1.12, eerste lid Inspanningsverplichting van provincies om, ieder in hun provincie, gezamenlijk zorg te dragen voor het nemen van de nodige maatregelen voor actieve soortenbescherming Taak: artikel 2.18, eerste lid, onderdeel f, onder 1°
Uitwerking krachtens artikel 2.31a, derde lid
1.12, tweede lid Taak provincies om zorg te dragen voor de totstandkoming en instandhouding van het ‘natuurnetwerk Nederland’ en aanwijzing van gebieden die tot dit netwerk behoren en de selectie. Taak: artikel 2.18, eerste lid, onderdeel f, onder 1° Bevoegdheid aanwijzing: artikel 2.43, derde lid, onderdeel a Uitwerking krachtens artikel 2.31a, eerste lid, onderdeel c
1.12, derde lid Taak provincies om zorg te dragen voor ‘bijzondere provinciale natuurgebieden’ en ‘bijzondere provinciale landschappen’ en de selectie Bevoegdheid aanwijzing: artikel 2.43, derde lid, onderdeel b
Uitwerking krachtens artikel 2.31a, eerste lid, onderdeel c
1.12, vierde lid Monitoring door minister van Economische Zaken en gedeputeerde staten over de geleverde inspanning voor het behalen van de doelstellingen van de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn. Artikel 20.1, vierde lid Artikel 20.2, derde lid Te regelen bij algemene maatregel van bestuur.
Verplichting minister van Economische Zaken om de Staten-Generaal te informeren over de voortgang betreffende het natuurnetwerk Nederland, op basis van informatie van gedeputeerde staten.
Print Friendly, PDF & Email

Reageren is niet mogelijk