Artikel 3.3 B-Wnb

Artikel 3.3

  1. De toestemming, bedoeld in artikel 3.20, vierde lid, van de wet:
    1. is voorzien van een aantekening van de korpschef, waaruit blijkt dat het jachtveld waarop de jacht wordt uitgeoefend, voldoet aan artikel 3.12, voor zover bij de uitoefening van de jacht gebruik wordt gemaakt van een geweer;
    2. is voorzien van de namen van degenen aan wie de toestemming wordt verleend, en ingeval de toestemming wordt gegeven aan natuurlijke personen, hun voornamen en geboortedata, en
    3. heeft een geldigheidsduur die uiterlijk verstrijkt op 31 maart volgende op de datum van ondertekening van de toestemming.
  2. Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing indien de toestemming wordt verleend aan de jachtopzichter.
  3. Het eerste lid, aanhef en onderdeel b, is niet van toepassing ten aanzien van derden, indien:
    1. deze derde de jacht uitoefent in het gezelschap van degene aan wie de jachthouder toestemming heeft verleend;
    2. de jachthouder de uitoefening van de jacht door derden in de desbetreffende toestemming uitdrukkelijk heeft toegestaan, en
    3. aan degene aan wie de jachthouder de toestemming heeft verleend, een jachtakte of valkeniersakte is verleend die op het tijdstip van uitoefening van de jacht geldig is.
Print Friendly

Reageren is niet mogelijk