Beantwoording Kamervragen (SGP) over gebruik van lokmiddelen bij schadebestrijding van landelijk vrijgestelde soorten

Geachte Voorzitter,

Hierbij ontvangt u de beantwoording van de vragen van de heer Dijkgraaf (SGP) over het gebruik van lokmiddelen bij de bestrijding van landelijk vrijgestelde soorten (kenmerk 2017Z11206, ingezonden 30 augustus 2017).

1

Heeft u kennisgenomen van de reactie van de Jagersvereniging op het bericht van uw ministerie dat bij de jacht op soorten die landelijk vrijgesteld zijn voor schadebestrijding geen enkel lokmiddel gebruikt mag worden, en dus ook geen lokfluiten, kunstmatige lokvogels en niet vergiftigend of verdovend lokvoer? 1

1 https://www.jagersvereniging.nl/jagersvereniging-waarschuwt-leden-totaalverbod-op-gebruik-lokmiddelen-landelijke-vrijstelling/

Antwoord

Ja.

2

Hoe is deze interpretatie van de jachtregelgeving te rijmen met uw uitspraken tijdens het debat over het verslag van het schriftelijk overleg over de ontwerpuitvoeringsregelgeving Wet natuurbescherming (op 8 juni 2016), waarin u aangaf dat hulpmiddelen die niet in de Vogelrichtlijn genoemd worden, niet gereguleerd hoeven te worden en dus gebruikt mogen worden?

3

Hoe is de genoemde interpretatie van de jachtregelgeving te rijmen met de toelichting op zowel de Wet natuurbescherming als het bijbehorende Besluit als de Regeling, waarin gedoeld wordt op uitvoering van Europese regels c.q. het verbieden van hulpmiddelen voor het massaal of niet selectief vangen of doden van dieren?

4

Deelt u de mening dat bij inzet van lokfluiten geen sprake is van massaal of niet selectief vangen of doden van dieren?

5

Deelt u de mening dat bij inzet van kunstmatige lokvogels geen sprake is van massaal of niet selectief vangen of doden van dieren dan wel van mogelijke dierenwelzijnsproblemen?

6

Deelt u de mening dat bij inzet van niet vergiftigend of verdovend lokvoer geen sprake is van massaal of niet selectief vangen of doden van dieren?

Antwoorden op vragen 2, 3, 4, 5 en 6

Artikel 3.3, vijfde lid, aanhef in samenhang met onderdeel a, van de Wet natuurbescherming bepaalt, ter implementatie van artikel 9, tweede lid, van de Vogelrichtlijn, dat bij het verlenen van een vrijstelling of ontheffing voorschriften of regels moeten worden gesteld over de middelen, methoden en installaties die voor het vangen of doden van vogels mogen worden gebruikt. Daarbij mag alleen het gebruik van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen, methoden en installaties worden toegestaan. De desbetreffende middelen en methoden zijn aangewezen in artikel 3.9 van het Besluit natuurbescherming; voor de aanwijzing van installaties bestaat geen aanleiding. Overigens behelst deze aanwijzing op zichzelf geen vrijstelling voor het gebruik van deze middelen.

Bij het opstellen van de lijst met middelen en methoden in artikel 3.9 van het Besluit natuurbescherming is mede acht geslagen op de middelen en methoden voor het vangen en doden van vogels die zijn aangewezen in bijlage IV van de Vogelrichtlijn, als middelen en methoden die in elk geval moeten worden beschouwd als middelen en methoden voor het massale of niet-selectieve vangen of doden van vogels of waardoor een soort plaatselijk kan verdwijnen, waarvan het gebruik in beginsel verboden is op grond van artikel 8 van de Vogelrichtlijn. In die bijlage zijn verschillende middelen aangewezen die te beschouwen zijn als hulpmiddelen: blindgemaakte of verminkte levende vogels gebruikt als lokvogels, bandopnemers, kunstmatige lichtbronnen, spiegels, inrichtingen voor de verlichting van het doel, vizierinrichting met een beeldomkeerder, een elektronische beeldversterker voor het schieten ’s nachts en vergiftigd of verdovend lokaas.

Zoals de staatssecretaris van Economische Zaken in het schriftelijk overleg over de uitvoeringsregelgeving heeft aangegeven2, zijn hulpmiddelen op zichzelf bij normaal gebruik niet geschikt voor het vangen of doden van vogels; pas in combinatie met een ander middel kan er sprake zijn van het vangen of doden van vogels. Nu in de Vogelrichtlijn zelf deze hulpmiddelen worden beschouwd als methode voor het vangen of doden van vogels, is het gebruik van deze hulpmiddelen ook aangewezen als methode in artikel 3.9, tweede lid, van het Besluit natuurbescherming, voor zover het gebruik aan de orde kan zijn bij het bestrijden of beheren van vogels.

Een complicerende factor is dat bepaalde lokmiddelen enkel in een bepaalde hoedanigheid in bijlage IV van de Vogelrichtlijn zijn aangewezen. Dit geldt voor blindgemaakte of verminkte levende vogels gebruikt als lokvogels, bandopnemers en vergiftigd of verdovend lokaas. Alleen in deze hoedanigheid is het gebruik van deze middelen te beschouwen als methode voor het massale of niet-selectieve vangen of doden van vogels of waardoor een soort plaatselijk kan verdwijnen. In andere hoedanigheden (niet levende lokvogels, akoestische middelen als lokfluiten, niet vergiftigd of verdovend lokvoer) zijn deze middelen dus niet te beschouwen als middelen en methoden voor het massale of niet-selectieve vangen of doden van vogels of waardoor een soort plaatselijk kan verdwijnen. Dat neemt echter niet weg dat beargumenteerd kan worden, dat in het licht van de Vogelrichtlijn het gebruik ervan wel moet worden beschouwd als methode voor het vangen of doden van vogels en dat deze methoden dus in artikel 3.9 van het Besluit natuurbescherming moeten zijn aangewezen om het gebruik ervan te kunnen toestaan bij ontheffing of vrijstelling. Omwille van de duidelijkheid voor de praktijk en in het licht van de strikte uitleg die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op dit punt geeft aan de Vogelrichtlijn is er dan ook voor gekozen deze lokmiddelen in het algemeen – dat wil zeggen het gebruik van lokvogels, middelen die lokgeluiden maken en lokvoer – aan te wijzen in artikel 3.9, tweede lid, van het Besluit natuurbescherming als methode voor het vangen en doden van vogels.

7

Is de juiste interpretatie van de Wet natuurbescherming, het bijbehorende Besluit en de bijbehorende Regeling voor wat betreft lokmiddelen, dat bij schadebestrijding van vogels alleen middelen en methoden voor het massaal of niet selectief vangen of doden van vogels onder de reikwijdte van de regelgeving vallen, en dat het gebruik van lokfluiten, kunstmatige lokvogels en niet vergiftigend of verdovend lokvoer derhalve niet gereguleerd wordt?

8

Deelt u de mening dat inzet van lokfluiten, kunstmatige lokvogels en lokvoer van groot belang is voor effectieve, selectieve en zo diervriendelijk mogelijke jacht op vogels, en derhalve ook voor goede schadebestrijding en het tegengaan van predatie van weidevogels en andere bedreigde dier- en vogelsoorten?

9

Bent u voornemens op korte termijn de interpretatie van genoemde regelgeving te verduidelijken dan wel de genoemde regelgeving aan te passen, zodat gebruik van lokfluiten, kunstmatige lokvogels en niet vergiftigend of verdovend lokvoer bij schadebestrijding mogelijk gemaakt wordt?

Antwoorden op vragen 7, 8 en 9

Zoals is geantwoord op de vragen van mevrouw Lodders (VVD) op 31 augustus 2017 over ditzelfde onderwerp, zullen op korte termijn door middel van een wijziging van de Regeling natuurbescherming de methoden vangen en doden met gebruikmaking van niet-levende lokvogels, akoestische middelen waarmee lokgeluiden kunnen gemaakt en niet vergiftigd of verdovend lokvoer worden aangewezen als methoden die mogen worden gebruikt ter uitvoering van de landelijke vrijstelling voor bestrijding van schade veroorzaakt door Canadese ganzen, houtduiven, kauwen en zwarte kraaien. Overigens kan voor het gebruik van deze methode ontheffing worden aangevraagd bij provincies.

Bij het verlenen van ontheffing of vrijstelling voor bestrijding of beheer ten aanzien van andere soorten dan vogels geldt geen beperking ten aanzien van de te gebruiken methoden, mits – overeenkomstig artikel 3.24, eerste lid, van de Wet natuurbescherming – onnodig lijden van de dieren wordt voorkomen; ten aanzien van deze soorten moeten enkel de middelen voor het vangen en doden worden aangewezen bij het verlenen van vrijstelling of ontheffing.

(w.g.) H.G.J. Kamp

Minister van Economische Zaken


2 Kamerstukken II 2015/16, 33 348, nr. 190, blz. 27-28.

Minister Kamp (EZ) beantwoordt de vragen van het Kamerlid Dijkgraaf (SGP) over het gebruik van lokmiddelen bij de bestrijding van landelijk vrijgestelde soorten.

Print Friendly, PDF & Email
Geplaatst in Faunabeheer, Schadebestrijding, Wet Natuurbescherming Alg. en getagd met , , , .