Brennekes en wilde zwijnen

Brennekes voor de zwijnen gooien?

Dat is zeker aan te bevelen als ze rennen. Als ze stilstaan is het beter gewoon op het blad te mikken.

Over het antwoord op de vraag of je met een Brenneke een wild zwijn kan schieten is iets meer te zeggen dan ‘Ja’.

Dat het in ons land niet mág is ook duidelijk.

Het waarom staat hieronder. Ook het antwoord op de vraag of er dan toch niet een mogelijkheid is om het wel te doen. En hoe verstandig dat dan wel is?

Dit artikel is niet bedoeld als een pleidooi om de kogelbuks voortaan maar thuis te laten. Maar het geeft informatie over een mogelijkheid om in bijzondere situaties grofwild te  bejagen met geweren en patronen waarvan wellicht niet iedereen op de hoogte is.

KAN HET?

Hoewel de getrokken loop al rond 1550 in sommige geweren werd toegepast, heeft het tot de ontwikkeling van de centraalvuurpatroon (medio 1800) geduurd eer die echt populair werd. Tot het einde van de vorige eeuw werden op jacht dan ook meestal bolvormige kogels gebruikt. En met succes! Oude ivoorjagers hebben met hun gladloops voorladers talloze olifanten geschoten. Daarom staat de effectiviteit van gladloops-projectielen niet ter discussie. Zelfs met de klassiek geworden Brenneke zijn van vrijwel alle wildsoorten op aarde wel exemplaren geschoten. Maar het staat ook niet ter discussie dat kogels verschoten uit een getrokken loop veel preciezer zijn, en een hogere trefenergie hebben.

Daarom zijn zij in de meeste gevallen te verkiezen boven gladloops-projectielen. Dat neemt echter niet weg dat er situaties zijn waarin het gebruik van deze patronen te verkiezen is boven dat van kogels uit een getrokken loop. Daarom zijn er op dat gebied ook voortdurend nieuwe ontwikkelingen geweest.

KUNT U HET?

Het kán dus, maar kunt U het? Als u met hagel hazen of konijnen kunt schieten, dan zal het met een Brenneke op een wild zwijn waarschijnlijk ook wel lukken.

Maar natuurlijk mag je dat niet zo maar aannemen: je moet het wel zeker weten. Oefenen dus. Eerst even op een gewone schietschijf op 50 meter kijken waar de kogels afkomen, en daarna naar de schietbioscoop van Marcel van Seventer in Harderwijk, of naar die van Michel Hendrix in Lottum. Alleen in een schietbioscoop kunnen de verschillende situaties zoals die zich bij een drukjacht op wilde zwijnen kunnen voordoen, worden nagebootst. Sommige jagers denken dat het oefenen op het ‘lopend varken’ op een schietbaan ook voldoende is, maar dat is het zeker niet. Op zo’n baan komt het varken altijd van dezelfde kant, dwars, en met dezelfde snelheid. Het is dus een kwestie van het eerste schot uiterst zorgvuldig afgeven, zien waar de kogel afkomt, en daarvoor bij alle volgende schoten corrigeren.

Succes verzekerd: iedereen kan binnen tien minuten slagen voor zo’n schietproef, destijds bij ons het ‘zwartwildbrevet’ genoemd. Dat is voor de praktijk maar van héél beperkte waarde. Naar de schietbioscoop dus. Want het moet bij u tussen de oren goed gaan zitten. Wéten dat je het kunt!

MAG HET?

Dan kun je dus met een gerust hard naar de drukjacht in Duitsland of andere landen. Overal. Maar niet in Nederland?

Daar mag het niet! Nou én? Als u bij de jacht op wilde zwijnen oog in oog komt te staan met een Bijzonder Opmerkzame Andersdenkende, dan bent u gegarandeerd uw akte kwijt. Is dat het waard? Voor mij niet, maar ik heb makkelijk praten: het zal nog wel even duren eer de wilde zwijnen naar Noord-Holland komen, en bovendien heb ik een kogelbuks. Maar geen dominees bloed. Dus als u bij de maïsjacht op wilde zwijnen Brennekes wilt gebruiken, daarmee heeft geoefend, en het risico wil lopen…….

Het is in elk geval effectief, niet onweidelijk, en minder gevaarlijk dan het gebruik van een kogelbuks.

WAAROM NIET?

Het verbod op het gebruik van Brennekes en andere gladloops-projectielen is destijds tot stand gekomen omdat zij qua nauwkeurigheid ver achterbleven bij kogelpatronen.

Bij afstanden boven de 50 meter gebeurde het vaak dat wild werd misgeschoten, of erger nog, ziek geschoten. Tegen het gebruik van Brennekes op bijvoorbeeld de drijfjacht op wilde zwijnen heeft nooit iemand een echt argument in kunnen brengen. Maar wel tegen het gebruik van de kaliber 12 op de jacht op het ree op afstanden van 100 meter of meer. Dat deed men soms omdat men zich geen apart kogelgeweer wenste aan te schaffen. Op zich is het algehele verbod dus tot op zekere hoogte begrijpelijk. Een typisch voorbeeld van een verbod dat tot stand is gekomen omdat een aantal jagers onoordeelkundig te werk ging.

Het resultaat is dat destijds in de Jachtwet en later in de Flora-en Faunawet voorschriften zijn opgenomen die helaas ook in de huidige Wet Natuurbescherming ( Besluit) zijn overgenomen. Voor de jacht op grofwild moeten de wapens een getrokken loop hebben, minimaal een kaliber van 5,58 mm (reeën) of 6,5 mm (andere grofwild soorten) en de kogels moeten een trefenergie op 100 meter hebben die voor reeën  minimaal 980 Joule moet zijn, en voor het overige grofwild minimaal 2.200 Joule.

Gewone jachtgeweren, in de kalibers 12, 16 en 20, hebben diameters van respectievelijk 18,5, 16,8 en 15,6 mm, en voldoen ruimschoots aan de kaliber eis, maar ze hebben gladde lopen. Bijna zonder uitzondering leveren moderne kogelpatronen weliswaar een E100 boven de 980 Joule, maar er is er maar één die ruim boven de 2.200 Joule komt.

Het gebruik van een jachtgeweer op de varkensdrijfjacht biedt zeker een aantal voordelen:

  • het is bijzonder handzaam en kan heel snel correct geschouderd worden.
  • Het grote kaliber van de kogels levert een gigantische stopkracht. Op korte afstanden, pak weg tot een 50 meter, overtreffen zij daarin de meeste kogelpatronen ruimschoots.
  • En ook voor bepaalde vormen van de jacht op het ree: de bers- en de drukjacht, kan het gebruik van een kaliber 12 zeker overwogen worden. Met name vanwege het gemak waarmee het wapen kan worden gehanteerd. 
  • Een ander aspect is dat de gladloopsprojectielen aanzienlijk minder ver gaan dan kogels verschoten uit een getrokken loop. Dat kan in bepaalde situaties ook een voordeel zijn.

MODERNE ONTWIKKELINGEN

Jachtgeweren met een volledig getrokken loop bestaan al tientallen jaren. De “Deerslayer” van Ithaca was de eerste, en sindsdien hebben onder andere ook Benelli, Browning, Marlin, Mossberg, Remington en Winchester vergelijkbare geweren op de markt gebracht. Zonder uitzondering enkelloops semi-automaten met een betrekkelijk korte loop van 50 tot 55 centimeter. Zeer handzame wapens, veelal voorzien van een vizier zoals bij kogelgeweren gebruikelijk is. Qua prijs zijn ze te vergelijken met gewone jachtgeweren.

BRENNEKES VOOR DE ZWIJNEN?

Zo hoort het, maar met een Brenneke lukt het ook De door Wilhelm Brenneke ontworpen kogel heeft een vilten prop die met behulp van een schroef aan de kogel is bevestigd. Hierdoor komt de massa van het projectiel geheel aan de voorkant te liggen, en wordt haar vlucht sterk gestabiliseerd. Brennekes zijn een stuk nauwkeuriger dan massief bolvormige loden kogels, maar omdat hun soortelijk gewicht door de viltprop in feite tot de helft is teruggebracht, worden zijn ook zeer sterk afgeremd. Zo heeft de Rottweil Brenneke (kaliber 12/70, 31,5 gram) een beginsnelheid van 470 m/ sec, maar op 100 meter nog maar 300 m/ sec, resulterend in een E100 van 1.420 Joule.

Behalve de Brenneke zijn er nog een heel groot aantal andere gladloops-projectielen.

Onder andere de Amerikaanse ‘rifled slugs’. De naam ‘slug’ is afgeleid van één van de betekenissen van dat woord, namelijk: ‘metaalklomp’. Het ‘rifled’ geeft aan dat er aan het oppervlak van de kogel een soort trekken en velden zijn gemaakt. Met de bedoeling om de kogel te laten roteren. In de praktijk blijft het echter bij de bedoeling, want dergelijke projectielen gaan niet of nauwelijks roteren, en hebben een heel bescheiden accuratesse. Een doorbraak op het gebied van de gladloops-projectielen was Federal’s ontwikkeling van de ‘sabot slug’: een aërodynamisch gevormd projectiel in twee halve plastic ‘sabots’ die bij het verlaten van de loop opzij geblazen worden. Het woord is afgeleid van het Franse ‘sabot’ dat klomp of handschoen betekent. De grote verbetering van deze projectielen is dat zij door hun stroomlijning veel minder weerstand opwekken, aanzienlijk accurater zijn en hun energie veel beter behouden. Met deze kogels werden voor het eerst consequent groepen verkregen met een doorsnede van 6,5 cm op 100 meter. Het principe van de ‘sabot’is door veel producenten van gladloopsprojectielen overgenomen, en er bestaan op dit moment een groot aantal varianten van.

Remington kwam als eerste met de ‘Solid Copper Sabot Slug’, een projectiel dat niet alleen zeer accuraat is, maar ook haar energie minder snel verliest dan de meeste andere sabots. Door haar speciale constructie heeft deze kogel bovendien een ongekende stopkracht.

Om meerdere redenen interessant is het kogelprojectiel dat door de Fransman Sauvestre werd ontwikkeld. Zijn kogel is ook een ‘sabot’, maar heeft bovendien een plastic staartstuk met geleidevinnen. Ook dit projectiel haalt de accuratesse van de andere sabots, maar haar energieverlies is aanzienlijk minder dan dat van de Brenneke of de rifled slugs, en over de doorslag bestaat geen verschil van mening: in Frankrijk heeft men er met succes alle daar voorkomende soorten grofwild mee geschoten, en in Afrika zijn er ook Kaapse buffels door gesneuveld. Zeer opmerkelijk is dat de kaliber 12/76 ‘magnum’ versie van deze patroon een zeer hoge aanvangssnelheid heeft (580 m/sec), waardoor de resterende energie op 100 meter niet minder dan 2560 Joule bedraagt. Het enige gladloops-projectiel dat de magische grens van 2200 Joule doorbreekt!

Laat duidelijk zijn dat de nauwkeurigheid van de moderne gladloops-projectielen niets te wensen overlaat. Voor kogelpatronen geldt een accuratesse van 2,5 centimeter op 100 meter als buitengewoon goed. Althans voor jagers. De diverse ‘sabot slugs’ halen 2,5 inch op 100 meter, 6,5 centimeter dus. En dat is in de praktijk nog steeds voortreffelijk te noemen. Te meer daar men zich met deze kogels juist zal beperken tot aanzienlijk kleinere afstanden!

En als men met dergelijke projectielen in Afrika rustig op buffels gaat jagen, dan hoeven wij ons niet echt af te vragen of het qua trefenergie wel weidelijk is om er wilde zwijnen mee te schieten.

In een paar woorden samengevat komt het dus op het volgende neer: moderne gladloops-projectielen hebben een veel grotere diameter dan kogels verschoten uit een getrokken loop, zijn veel zwaarder, hebben een aanzienlijk lagere mondingssnelheid, die ook veel sneller wordt verloren.

Vrijwel alle kogelpatronen geven hun kogels op 100 meter nog ongeveer 90% van hun mondings-snelheid, en daarmee nog ongeveer 80% van hun mondingsenergie. Gladloops-projectielen zoals Brennekes en ‘rifled slugs’ hebben op 100 meter nog maar ongeveer 40% van hun mondingenergie, en ‘sabot slugs’ tussen de 50% en 60%.

IS ER EEN LEGALE MOGELIJKHEID?

Conclusie: als u in Nederland per sé wilde zwijnen of ander grofwild wilt schieten met Brennekes of andere gladloops-projectielen, dan moet u daarvoor een jachtgeweer kopen met een volledig getrokken loop, en kiezen voor een patroon die aan de minimale eisen voor de trefenergie op 100 meter voldoet. Het kan dus wel, maar u moet zich wel afvragen of het niet veel verstandiger is om gewoon een eenvoudige—al dan niet gebruikte—kogelbuks te kopen.

In een kaliber waarmee je in principe alles wat er op de wereld rondloopt zou kunnen bejagen. Verstandige keuzes daarvoor zijn bij voorbeeld;

  • de kalibers 7×64, .270,
  • .308 of
  • .30-06.

Alle producenten van kogelpatronen maken ze in deze kalibers, en ook als ‘loodvrije’ patronen. De huidige Wet Natuurbescherming kent vele beperkingen die ons jagers er soms toe bewegen om het recht letterlijk en figuurlijk in eigen hand te houden, maar het blijft altijd een overweging of het doel de middelen wel heiligt.

Brennekes voor wilde zwijnen: Wees braaf, en als dat niet lukt: wees dan voorzichtig!’

 

Martin Tulp

( Jacht&Beheer NOJG Oktober 2017) 

Print Friendly, PDF & Email