Schadebestrijding landelijk- en provinciale vrijgestelde soorten in Gelderland voorlopig niet meer toegestaan


De FBE Gelderland meldt dat met ingang van 18 augustus a.s. schadebestrijding op de landelijk- en provinciale vrijgestelde soorten in Gelderland niet meer is toegestaan. Het is momenteel nog onbekend tot hoelang deze intrekking zal gelden. 

Voor konijn geldt dat het jachtseizoen van 15 augustus 2021 tot en met 31 januari 2022 nog van kracht blijft. Datzelfde geldt ook voor de jacht op houtduif in de periode van 15 oktober 2021 tot en met 31 januari 2022

Uitspraak hoger beroep behandeld tegen het goedkeuringsbesluit van FBP Algemene Soorten Faunabeheereenheid Gelderland. 

 
Van deze uitspraak van de rechtbank Gelderland hebben we vanochtend kennis kunnen nemen (13 augustus 2021 (zaaknummer: AWB 19/1863, AWB 19/1864 en 20/475;)

Goedkeuring van een faunabeheerplan ( Gelderland).

Het college van gedeputeerde staten van Gelderland moet bij de goedkeuring van het faunabeheerplan beoordelen of aan de vrijstellingsvoorwaarden uit de Wnb is voldaan. Een van de voorwaarden om op grond van artikel 3.15 van de Wet natuurbescherming van de in artikel 3:1, eerste lid, en in artikel 3:10, eerste lid, bedoelde soorten vrijstelling te verlenen van het verbod om deze opzettelijk te doden, is dat deze soorten schade veroorzaken. Verder moet onder meer zijn voldaan aan de voorwaarden dat er geen andere bevredigende oplossing is, de afwijking gerechtvaardigd is op grond van één van de in de betrokken bepalingen genoemde belangen en geen sprake is van een verslechtering van de staat van instandhouding.

Aan de hand van deze voorwaarden dient verweerder te toetsen of aan de landelijke en provinciale vrijstelling uitvoering kan worden gegeven in het werkgebied van de Faunabeheereenheid, dat, met uitzondering van Kroondomein Het Loo, de gehele provincie Gelderland omvat

De uitspraak betreft bezwaar omtrent het gebruik van vrijstellingen (provinciale en landelijke). Hoewel het bezwaar deels niet ontvankelijk is verklaart doet de rechtbank de volgende uitspraak:

“ Het gebruik van een vrijstelling moet ingevolge artikel 3.12, eerste lid, van de Wnb gebeuren volgens een faunabeheerplan. Deze eis is ook opgenomen in artikel 3.2 van de Rnb, dat geldt voor het gebruikmaken van landelijke vrijstellingen. Dit betekend dat de landelijke en provinciale vrijstellingen van het verbod om te doden pas na goedkeuring van het faunabeheerplan ook daadwerkelijk effect hebben.” (AWB19/1863)

Gedurende het Hogere beroep Faunabeheerplan  “algemene soorten” van Noord-Holland heeft de RvS het Ministerie gevraagd toelichting te geven over de besluitvorming/onderbouwing die leidt tot een landelijke vrijstelling. Het Ministerie heeft 2 maanden de tijd om hierop te antwoorden.

De eiseres heeft in de rechtszaak van Gelderland aangevoerd dat het Fauna Beheer Plan (FBP) jacht en vrijgestelde soorten ten onrechte is goedgekeurd omdat hierin voor de vrijgestelde soorten niet onderbouwt is wat/waar en hoeveel de schade is; er niet getoetst is op alternatieven en ook is niet onderbouwd onder welke voorwaarden afschot mag plaats vinden. Het door Gelderland aangevoerde verweer hierop is dat toetsing aan de voorwaarden van de Wnb niet aan de orde is. “Deze door de minister respectievelijk provinciale staten van Gelderland vastgestelde vrijstellingen zijn een gegeven. Volstaan kan worden met een toets of wordt voldaan aan artikel 3.78 van de Omgevingsverordening”.

De rechtbank beoordeeld bovenstaande door te verwijzen naar de bestuursrechtspraak van de RvS op 7 april 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:745). In deze zaak ging het om de uitvoering van een provinciale vrijstelling voor het opzettelijk doden van smienten. De afdeling heeft in die uitspraak overwogen dat gewaarborgd dient te worden dat de vraag of een vrijstelling van het verbod om te doden en de wijze waarop daar uitvoering aan wordt gegeven aan de voorwaarden van de Wnb voldoen, aan de rechter kan worden voorgelegd

De rechtbank is, anders dan provincie Gelderland, van oordeel dat deze uitspraak niet alleen geldt in het geval van provinciaal vrijgestelde soorten, maar ook van toepassing is bij landelijk vrijgestelde soorten. De uitspraak van de Afdeling is weliswaar gedaan in een zaak waarin een provinciale vrijstelling was verleend maar de uitspraak bevat geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat deze lijn niet geldt bij landelijke vrijstellingen. Ook in deze gevallen is de vrijstelling om soorten te mogen doden een uitzondering op het uitgangspunt dat het verboden is soorten te doden en mag een vrijstelling alleen onder bepaalde voorwaarden worden verleend. Ook in deze gevallen moet de vraag of de vrijstelling en de wijze waarop daar uitvoering aan wordt gegeven aan die voorwaarden voldoen, aan de rechter kunnen worden voorgelegd.

Kort gezegd (Landelijke en Provinciale) Vrijstellingen zijn ontvankelijk voor bezwaar en beroep.

De eisen die ten grondslag liggen aan een vrijstelling dienen overeen te komen met de eisen die in de Wnb aan de verlening van die vrijstelling worden gesteld. “Als de eisen die aan de uitvoering van de vrijstelling in een FBP zijn gesteld in de provinciale verordening niet overeenkomen met de eisen die in de Wnb aan de verlening van die vrijstelling worden gesteld, zal bij de beoordeling van de goedkeuring van een FBP aan de hand van de Wnb moeten worden getoetst of aan de door PS verleende vrijstelling uitvoering kan worden gegeven.” Dit betekend dat de voorwaarden zoals omschreven in artikel 3.3 lid 4 en 3.15:

A. er bestaat geen andere bevredigende oplossing;

B. zij is nodig:

door vogels veroorzaakte:

1.belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren, of

2.schade aan flora of fauna;

door dieren van soorten als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, veroorzaakte:

1.schade aan de wilde flora of fauna, of natuurlijke Habitats, of

2.ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom, en door dieren van soorten als bedoeld in 3.10, eerste lid, met uitzondering van soorten als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, veroorzaakte schade behorende tot bij de vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, onderscheidenlijk de verordening, bedoeld in het vierde lid, omschreven categorieën van schade.

C. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.

Bovenstaande geld voor zowel provinciale als landelijke vrijstellingen (uitspraak 4.3 AWB 19/1863). In toekomstige faunabeheerplannen dienen FBE’s te onderbouwen dat landelijke en provinciale vrijstellingen voldoen aan de voorwaarden van artikel 3.15 van de Wnb voor hun werkgebied (zie bovenstaande voorwaarden). 

De vrijstelling is qua onderbouwingseisen nu gelijk getrokken met de ontheffing in Gelderland. We moeten er rekening mee houden dat dit op zeer korte termijn ook gaat gelden voor alle provincies met betrekking tot de soorten die genoemd zijn in het FBP algemene soorten die op de landelijke en/of provinciale lijst staan.  

Dit heeft grote gevolgen voor het faunabeheer in algemene zin maar ook voor ons als FBE’s: de onderbouwingen worden complexer, intensiever en soms is er simpelweg geen data voor onderbouwing, omdat er voor de landelijk vrijgestelde diersoorten geen schade wordt uitgekeerd en dus ook niet wordt bijgehouden. Grondgebruikers kunnen dan niet meer beheren en schade bestrijden indien er schade is of te verwachten, waardoor voor deze schade dus ook de tegemoetkomingen hoger zullen zijn vanuit de Provincies.

 

image_pdfimage_print
Voeg toe aan je favorieten: Permalink.

Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.