Van FF-wet naar Wet natuurbescherming

jager-op-pad

Historie van de jachtwetgeving

  1. 1. De Jachtwet (1951)

De grondeigenaar, de grondgebruiker of pachter van de jachtrechten was verant- woordelijk voor een passende populatie. De wildlijst bestond uit 29 soorten. Naar eigen inzicht in het jachtveld wild schieten was toen een gegeven. Deze jachtwet had als uitgangspunt: ja, jagen mag, mits voldaan wordt aan de gestelde regels.

  1. 2. Flora- en Faunawet (2002)

Deze wet vervong de Vogelwet 1936, de Jachtwet 1954, de nuttige Dierenwet 1924 en de Wet bedreigde uitheemse diersoorten 1975. De Flora- en Faunawet (FFW) is door de Tweede Kamer aangenomen op 4 november 1997, maar pas op 1 april 2002 van kracht geworden. Er was vertraging met invoering, omdat de algemene maatregelen van bestuur zolang op zich lieten wachten. Deze jachtwet kende als uitgangspunt: nee, jagen mag niet, tenzij

De Flora- en faunawet wet kende drie vormen van jagen:

  1. Jacht, betreft het jagen op wildsoorten in het jachtseizoen
  2. Populatiebeheer op basis van ontheffingen en aanwijzing
  3. Schadebestrijding op basis van vrijstellingen art 65 FF-wet

Iedereen met een jachtakte en jachtveld mag nu in het jachtseizoen op wild: wilde eend, haas, fazant, houtduif en konijn jagen. De patrijs staat op de rode lijst; hier mocht niet op gejaagd worden.

Bij Ministeriële regeling werd bepaald in hoeverre de jacht op wild is geopend.

Op de landelijke vrijstellingslijst die door de minister worden aangewezen staan;

  • Canadese gans; houtduif; konijn; kauw; zwarte kraai en vos.

Deze soorten mochten heel het jaar door bestreden worden, dit geldt nu ook in de Wet natuurbescherming. Provincies hebben geen zeggenschap over het verbieden van de jacht of over de landelijke vrijstellingslijst. Alleen bij extreme weersomstandigheden mag de provincie de jacht tijdelijk verbieden. Wel kan Gedeputeerde Staten personen of een faunabeheereenheid aanwijzen om bij schade aan gewassen de populatie van niet-wildsoorten te beperken. Dit heeft na invoering van de FF-Wet geleid tot veel meer bureaucratie en tot juridische bezwaarprocedures tegen de verleende ontheffingen.

De tijden veranderen, er wordt anders gekeken naar het jagen. De Overheid heeft hierop haar visie op de natuur bijgesteld, daarom is de huidige Flora-en Faunawet (FF-wet) alweer na 14 jaar vervangen door de nieuwe Wet natuurbescherming met ingang van 1 januari 2017. Met deze voorlichting willen wij U proberen een beeld te geven wat er gewijzigd is en wat er op het gebied van de jacht, beheer en schadebestrijding verandert is.

Wet Natuurbescherming (Wnb)

Met ingang van 1 januari 2017 worden de Flora-en Faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet vervangen door de Wet Natuurbescherming.

Met ingang van 1 januari 2017  zijn gewijzigd;

  • De patrijs is geschrapt van de wildlijst
  • Alle jachthouders met een jachtakte dienen lid te zijn van de WBE waar hun jachtveld is gelegen (voorwaarde voor jachtakteverstrekking)
  • De regie van populatiebeheer en schadebestrijding is de verantwoordelijkheid van de provincies.
  • Jacht op basis van de wildlijst blijft een landelijke aangelegenheid.
  • Vrijstelling voor directe schadebestrijding is de norm geworden, ontheffingen zijn aanvullend voor beheer hoefdieren (reeën, (dam)herten en wilde zwijnen) en populatiebeheer (b.v. zomerganzen).
  • Alle jachtvormen – jacht, beheer en schadebestrijding – gaan onderdeel uitmaken van de provinciale Faunabeheerplannen.
  • Voor de jacht betreft dat uitsluitend de verplichting om te rapporteren over afschot en de nu al uitgevoerde trendtellingen.
  • Jagers zijn verplicht om al hun afschot te registreren
  • De provinciale Faunabeheereenheden kunnen worden uitgebreid met een zetel voor een maatschappelijke organisatie die duurzaam beheer van in het wild levende dieren tot doel heeft.

Provincies

In de Wet Natuurbescherming krijgen de provincies meer bevoegdheden en verantwoordelijkheden. De jacht blijft bij het Ministerie van Economische Zaken;

  • het ministerie stelt de landelijke vrijstellingslijst op.
  • De provincie stelt regels in haar verordeningen aan de gehele keten in samenhang: faunabeheer en tegemoetkomingen bij schade, beheer en schadebestrijding van exoten en verwilderde diersoorten. De provincies krijgen de uitvoering van de wet meer vrijheid om hun eigen beleid te bepalen waardoor er dus meer verschillen kunnen komen in het land.
  • Toestemming beheer en schadebestrijding en jacht toestaan in de Natura-2000 gebieden opnemen in beheerplannen van deze gebieden of ontheffing voor NB-wet vergunning hiervoor mogelijk maken.
  • Daarnaast: verplichte verbreding van het bestuur van de faunabeheereenheid met vertegenwoordiging van maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in de regio
  • Voor alle grondgebruiker geldt het principe dat zij hun schade mogen blijven bestrijden of te voorkomen op basis van art 3.15 Wnb net als voorheen op basis van art 65 lid 3 en 4 FF-wet.
  • Het nietigheidsbeding uit de Flora- en Faunawet (art 65) is in de Wet Natuurbescherming niet meer opgenomen. Dit betekent dat na 1 januari 2017 het recht om aan schadebestrijding of voorkoming te doen door een pachter/grondgebruiker dit nu ook contractueel kan worden ontnomen. Dit geeft grondgebruikers die gronden pachten van natuurorganisaties of andere eigenaren minder mogelijkheden om evt. schade te voorkomen of te bestrijden.

PS, het is van belang dat de pachter/grondgebruiker hierover schriftelijk duidelijke afspraken in de pachtovereenkomst maken, indien de schadeloosstellingen niet worden vergoed en de pachtprijs niet marktconform is.

Faunabeheereenheid

  • Huidige regels vereisen erkenning door GS, goedkeuring hiervan is vatbaar voor beroep en bezwaar.
  • Nieuwe statuten Fbe’s , waarin samenwerking met Wbe’s geregeld is
  • Het wetsvoorstel eist dat Provinciale Staten regels stellen ten aanzien van de vertegenwoordiging van maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in de regio.

Faunabeheerplan;

Artikel 3.12 Faunabeheereenheid

  1. Er zijn faunabeheereenheden die voor hun werkgebied een faunabeheerplan vaststellen. Het duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, de bestrijding van schadeveroorzakende dieren door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht geschieden overeenkomstig het faunabeheerplan.
  2. Een faunabeheereenheid heeft de rechtsvorm van een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid of een stichting. In het bestuur van een faunabeheereenheid zijn in ieder geval de jachthouders uit het werkgebied van de faunabeheereenheid en maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in de regio waartoe het werkgebied van de faunabeheereenheid behoort, vertegenwoordigd. Op uitnodiging van het bestuur van de faunabeheereenheid kunnen vertegenwoordigers van andere dan de in de tweede volzin bedoelde maatschappelijke organisaties en wetenschappers op het gebied van faunabeheer deelnemen aan de vergaderingen van het bestuur en het bestuur adviseren.
  3. Alvorens de Faunabeheereenheid een Faunabeheerplan vast te stellen, hoort de faunabeheereenheid met de binnen haar werkgebied werkzame Wbe’s over de inhoud van het plan te overleggen.

Wildbeheereenheden

De taken van de WBE’s zijn geformaliseerd en de WBE’s hebben een meer prominente rol gekregen dan in de Ffwet.

Artikel 3.14 lid 1 definitie WBE:

Jachthouders met een jachtakte organiseren zich met anderen in een wildbeheereenheid, die de rechtsvorm van een vereniging heeft, ter uitvoering van het door de faunabeheereenheid vastgestelde faunabeheerplan en om te bevorderen dat een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, bestrijding van schadeveroorzakende dieren en jacht worden uitgevoerd in samenwerking met en ten diensten van grondgebruikers of terreinbeheerders. Ook grondgebruikers en terreinbeheerders kunnen lid worden van de vereniging

Toekenning van deze taken en verantwoordelijkheden aan de Wbe’s vindt haar rechtvaardiging in feit dat ze bij uitstek lokaal en streekgebonden zijn.

De jachthouder heeft een belangrijke rol in de uitvoering van alle drie de regimes, Artikel 3.12 lid 1 ; Populatiebeheer, schadebestrijding en jacht geschieden overeenkomstig een FBP

Voor effectieve uitvoering is erin voorzien dat alle van het geweer gebruik makende jachthouders binnen het werkgebied van een WBE zich bij deze eenheid moeten aansluiten

Provinciale Staten stellen bij verordening regels  waaraan Wbe’s moeten voldoen (Artikel 3.14 lid 2). Deze regels hebben in ieder geval betrekking op: de omvang en begrenzing van werkgebied.

Werkgebied
 Wildbeheereenheid

De provinciale verordeningen regelen de voorwaarden en bepalingen over grootte van het werkgebied van de Wbe’s. Zoals wij vernomen hebben zijn de adviezen van het IPO aan de provincies om in alle verordeningen op te nemen dat het werkgebied van een WBE binnen één provincie moet liggen met een minimale omvang van het werkgebied van de WBE van 5000 ha.

Daar de provinciale verordeningen voor 1 januari 2017 van kracht dienen te zijn betekent dit dat indien je een kleinere Wbe bent dan de voorgestelde 5000 ha, dan dient deze een samenwerkingsovereenkomst v.w.b. de uitvoering van gehele faunabeheer dient af te sluiten met een buur-Wbe om deze grootte te bereiken en is dus verstandig tijdig met de buur-Wbe’s hierover te overleggen.

Voor de gewenste veranderingen in WBE grenzen is niet direct een fusie vereist van Wbe’s, er kan immers gewoon een samenwerkingsovereenkomst worden gesloten tussen buur -Wbe’s voor de uitvoering van het Faunabeheerplan.

Het gaat immers om wat de wet ook aangeeft dat op lokaalniveau de Wbe de uitvoering van het FBP coördineert. De provincies dienen in hun verordeningen de procedure aan te geven hoe deze wijzigingen of samenwerkingsverbanden bekend gesteld dienen te worden.

Aanpassing statuten Wbe en het huishoudelijk reglement.

Huidige modelstatuten zullen aangepast worden, de KNJV/NOJG streven naar een gezamenlijk standaard statuten voor de Wbe’s.

Zoals hiervoor al aangegeven zijn nu al een aantal zaken vastgesteld. Hier kan al actie op worden ondernomen. De statuten en het huishoudelijk reglement van uw WBE moeten aangepast worden aan de nieuwe Wet natuurbescherming. Er verandert niet zoveel voor de Wbe’s die nu werken met de modelstatuten die zijn gemaakt tijdens de Flora- en faunawet. Wbe’s met statuten uit de tijd van de Jachtwet zullen wel het nodige moeten aanpassen.

De NOJG heeft in samenwerking met KNJV standaard statuten en huishoudelijk reglement opgesteld, dit kunt U downloaden van de site van de NOJG (formulieren wet natuurbescherming). Deze statuten zijn dus standaard opgesteld en kunnen naar eigen inzicht worden gewijzigd en aangepast aan uw situatie, zoals bijvoorbeeld de vorm van de Wbe (inbreng van jachtrechten, waardoor Wbe de jachthouder is of het model van samenwerkende jachthouders binnen een Wbe).

Wij adviseren u om in november of december een Algemene Ledenvergadering te houden om in deze vergadering de nieuwe statuten vast te stellen. In januari 2017 kunnen deze dan passeren bij een notaris. Deze nieuwe statuten kunnen pas met de nieuwe wet van kracht worden.

De NOJG streeft ook naar één gezamenlijk begrip v.w.b. de weidelijkheidsregels voor alle jagers in Nederland e.v.t. opgenomen in de standaard statuten of huishoudelijk reglement van de Wbe’s.

Een landelijke geschillen regeling ten behoeve van de Wbe’s en de individuele jachthouders en jachtaktehouders.

Jachthouder en verplicht lidmaatschap Wbe. (art 3.14)

Jachthouder is degene die krachtens artikel 3.23 gerechtigd is tot het uitoefenen van de jacht in een veld dat voldoet aan de regels gesteld krachtens artikel 3.26 lid l b en art 3.12 besluit Wnb, en lid is van de wildbeheereenheid waarbinnen zijn jachtveld is gelegen of toestemming heeft van een dergelijke jachthouder tot de uitoefening van de jacht in diens jachtveld.

De wet verplicht nu de jachthouders met een jachtakte lid te worden te zijn van de WBE waarin hun jachtveld gelegen is. Bij de aanvraag van de jachtakte door een jachthouder moeten aantonen lid te zijn van de WBE.

Deze verplichting houdt dus ook in, dat bij een royement uit de Wbe, dit verregaande consequenties kan hebben voor deze jachthouder. Besluiten hiertoe moeten daarom goed zijn onderbouwd en op basis van objectieve criteria genomen worden.

In de modelstatuten op basis van de nieuwe wet is daarvoor e.e.a. opgenomen. Ook streven wij om gezamenlijk met de KNJV een landelijke geschillenregeling met een landelijke geschillencommissie in te stellen, die deze zaken kan beoordelen. Dit om te voorkomen dat het verplichte lidmaatschap ontaardt in vele rechtszaken.

Jachtakte.

Artikel 3.28

  1. De jachtakte wordt verleend door de korpschef, bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 2012.
  2. De jachtakte wordt uitsluitend verleend indien de aanvrager:
    1. met gunstig gevolg een jachtexamen heeft afgelegd dat is erkend door Onze Minister, of dat is erkend door de bevoegde autoriteit van een andere staat en door Onze Minister als gelijkwaardig aan door hem erkende jachtexamens is aangemerkt;
    2. de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
    3. jachthouder is van een jachtveld dat voldoet aan de regels gesteld krachtens artikel 3.26, eerste lid, onderdeel b, en lid is van de wildbeheer- eenheid waarbinnen zijn jachtveld is gelegen, of toestemming heeft van een dergelijke jachthouder tot uitoefening van de jacht in diens jachtveld, en
    4. een geldig bewijs van de verzekering, bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, onderdeel c, heeft overgelegd.

Jachtrecht en schadebestrijding met het geweer.

  • De grondeigenaar is bevoegd het jachtrecht zelf te gebruiken of te verhuren aan één jager of jagerscombinatie op basis van art 3.23 Degene die het jachtrecht heeft uit eigendom of huur wordt jachthouder genoemd.
  • De 40 hectare regeling voor een bejaagbaar terrein waarbij gebruik gemaakt wordt van het geweer moet voldoen aan de eisen van de 3.13 Besluit Wnb, deze eisen gelden ook bij beheer en schadebestrijding in hierbij gebruik wordt gemaakt van een geweer voor het uitvoeren van handelingen op basis van de vrijstellingen (art 3.14 en 3.15 en art 3.1 regeling Wnb), aanwijzingen (art 3.18) of ontheffingen (art3.17).
  • Voor de jacht is wettelijk geregeld dat de jachthouder en de grondeigenaar een overeenkomst voor minimaal zes jaar en maximaal twaalf zonder recht op automatische verlenging aangaan.
  • Voor schadebeheer en – bestrijding is geen verplichte termijn vastgelegd, maar is wettelijk (art 3.15) bepaald dat er een overeenkomst tussen grondgebruiker (niet de grondeigenaar) en een jachtaktehouder moet zijn. In tegenstelling tot de jacht kan de grondgebruiker of de door hem gemachtigde, schadebeheer en –bestrijding aan meerdere jachtaktehouders verstrekken of anderen machtigen deze door te geven aan derden, zoals een Wbe.

Wild- en overige diersoorten

Amendement 107 Leenders/Heerema heeft regelt dat jagers alleen gegevens hoeven te verstrekken die zij nu al op vrijwillige basis aan faunabeheereenheden verstrekken, dus geen afschotplannen voor de wildsoorten hoeven op te stellen door de FBE, maar dat er alleen afschotregistratie (art 3.13 Wnb) verplicht wordt en er door de Fbe voor de wildsoorten een globaal FBP jacht wordt opgesteld.

  • De 5 wildsoorten art 3.5 Regeling Wnb, (fazant, haas, wilde eend, Konijn en houtduif) worden nu ook bejaagd op basis van het faunabeheerplan, ook geldt er een rapportageplicht (art 3.13 Wnb) voor de jachthouder voor alle diersoorten.
    1. Jachtaktehouders verstrekken aan de desbetreffende faunabeheereenheden gegevens over de aantallen dieren, onderscheiden naar soort, die zij hebben gedood.
    2. De faunabeheereenheden dragen er zorg voor dat een overzicht dat is samengesteld op basis van gegevens als bedoeld in het eerste lid en gegevens uit het (jaar)verslag, bedoeld in artikel 3.12, achtste lid, betrekking hebbend op hun totale werkgebied, openbaar wordt gemaakt..
  • Landelijke vrijstelling van soorten die in het gehele land schade veroorzaken; Artikel 3.2 Besluit Wnb en Artikel 3.1 regeling Wnb ;Als vogels en soorten als bedoeld in artikel 3.15, eerste lid, van de wet worden aangewezen: Canadese gans; houtduif; kauw; konijn; vos, en zwarte kraai.

De handelingen waarvoor de vrijstelling(en) wordt verleend, vinden plaats overeenkomstig het faunabeheerplan, dat is vastgesteld overeenkomstig artikel 3.12, eerste, derde tot en met zesde lid, van de wet en dat is goedgekeurd overeenkomstig artikel 3.12, zevende lid, van de wet.

Artikel 3.15 lid 5;  Provinciale en landelijke vrijstelling ter voorkoming van lopende of dreigende schade op betreffende gronden of in het omringende gebied, het gaat hierbij dan om gronden binnen de grenzen van het werkgebied van de Wbe of samenwerkende Wbe’s (5000ha regeling).

  • Ook met betrekking tot de wildsoorten en de periodes zijn er weer verschillen. De houtduif en het konijn vallen ook onder de landelijke vrijstelling (art 3.15 en 3.14) bij schade of te verwachten schade, maar er is ook een jachtperiode van (houtduif 15 oktober -31 januari) en het konijn (15 augustus – 31 januari) en wilde eend valt in de periode 15 augustus – 31 januari bijvoorbeeld onder het jachtrecht, maar daarbuiten is schadebestrijding mogelijk op basis van een ontheffing (art 3.17 Wnb). Alle andere in het wild levende dieren zoals bijvoorbeeld, ganzen, ree, wild zwijn edelhert etc. vallen onder beheer en/of schadebestrijding en ook onder het Faunabeheerplan (art 3.12 lid4 Wnb)

Jachthuurovereenkomst (art 3.23 Wnb)

De jachthuurovereenkomst van de NOJG heeft standaard de mogelijkheid om deze aan te gaan voor minimaal 6 jaar tot maximaal 12 jaar. Tevens is ook een toestemming grondgebruiker (art 3.15 lid 7) en een machtiging in opgenomen om deze toestemming van de grondgebruiker te mogen doorgeven aan derden, dit is belangrijk voor Wbe’s . Ook is er een aparte doorgeef toestemming grondgebruiker voor de jachthouders en Wildbeheereenheden (zie hiervoor website Formulieren Wnb).

Blijf schade melden

Het blijven melden van faunaschade is van groot belang. Als u geen schade meldt en uw jager rapporteert geen afschot kunnen beleidsmakers de indruk krijgen dat maatregelen om schade te bestrijden niet meer nodig zijn.

Belangenbehartigers staan dan immers met lege handen aan de onderhandelingstafel.

Historisch inzicht is nodig voor de afgifte van ontheffingen en vrijstellingen om ook in de toekomst schade te mogen beheren en bestrijden. Daarom roepen wij zowel grondgebruikers als jagers op om faunaschade altijd kosteloos te melden op www.faunaschade.nl. In een later stadium kunt u alsnog besluiten een tegemoetkoming aan te vragen. Om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming van faunaschade dient u bij de aanvraag de maatregelen die zijn genomen om schade te voorkomen, door zowel grondgebruiker als jager, duidelijk en volgens de beleidsregels van het Faunafonds/BIJ12 in te vullen.

Verstandhouding bij effectieve Schadebestrijding

Het is altijd van groot belang dat er een goede verstandhouding is tussen boeren en jagers met goede afspraken over inzet, schade, zaai- en oogstmomenten. Ook is het belangrijk om samen te werken bij het melden van schade en het aanvragen van een tegemoetkoming. Een jager die een goede inzet toont met een goede balans tussen beheer van soorten en bestrijding van schade kan rekenen op een duurzame samenwerking.

Print Friendly, PDF & Email