Vragen en antwoorden Wet natuurbescherming Jacht, Beheer en schadebestrijding

Praktijkvragen Jacht Wet Natuurbescherming ( Wn)

U bent verplicht het faunabeheerplan uit te voeren, daarbij horen volgens ons ook de uitvoering van de trendtellingen ten behoeve van een planmatige en doelmatige aanpak van het faunabeheer hiermee wordt het faunabeheerplan onderbouwd door trendtellingen van de populaties van in het wild levende dieren in het gebied waarop het faunabeheerplan van toepassing is. Artikel 3.12 lid 5 Wn
Een jachtveld aan een aantal eisen voldoen voordat men er met een geweer mag jagen, beheer of schadebestrijden.Een jachtveld als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, onderdeel b, Wn heeft: een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 40 hectare, per jachthouder die in zijn hoedanigheid als jachthouder gerechtigd is tot het uitoefenen van de jacht in dat jachtveld, en zodanige afmetingen dat in het jachtveld een cirkel met een straal van ten minste 150 meter kan worden beschreven. Art 3.12 Besluit natuurbescherming (Bn) geeft bij de berekening van de oppervlakte, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, worden niet meegerekend:
  1. gronden die zijn gelegen op een afstand van meer dan 350 meter van het middelpunt van een cirkel met een straal van 150 meter die het dichtst bij die gronden in het jachtveld kan worden beschreven;
  2. andere gronden dan die, bedoeld in onderdeel a, die van het middelpunt, bedoeld in onderdeel a, uit in rechte lijn slechts bereikbaar zijn over grond die tot een ander jachtveld behoort
  3. openbare, verharde verkeerswegen, niet zijnde grindwegen; begraafplaatsen, en
  4. bebouwde kommen van de gemeenten als bedoeld in artikel 3.21, derde lid, van de wet en onmiddellijk aan die kommen grenzende terreinen.
Als afzonderlijke jachtvelden worden beschouwd, ook ingeval zij grenzen aan gronden waarop het aan dezelfde persoon of personen is toegestaan om de jacht uit te oefenen:
  1. gronden als bedoeld in het derde lid, onderdelen a of b;
  2. delen van gronden waarbij de verbinding tussen deze delen op enig punt smaller is dan 50 meter, en
  3. delen van gronden die van elkaar worden gescheiden door een autosnelweg als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of
  4. door een water, breder dan 10 meter, indien de jachthouder niet gerechtigd is om daarop de jacht uit te oefenen.
Artikel 3.26 lid 1 onderdeel b Wn, Artikel 3.12 Besluit nb Jachtveldeisen
Voor alles wat een jager in het jachtveld met het geweer doet geldt de minimale jachtveldeis van 40 aaneengesloten hectares. Dit geldt bij zowel jacht, als bij beheer en schadebestrijding. De wetgever heeft dit gedaan om het gebruik van het geweer op een veilige manier mogelijk te maken. Daarnaast maakt de wetgever een strikte scheiding in jacht enerzijds en beheer en schadebestrijding anderzijds. Zo is een optelling van een deel jachthuur met een oppervlakte van minder dan 40 hectare met een ander deel met de toestemming voor beheer en schadebestrijding van minder dan 40 hectare geen bejaagbaar jachtveld. Art 3.12 Bn In bijzondere gevallen kan de provincie wel ontheffing verlenen. Dit geldt dan met name voor beheer en schadebestrijding waarbij het fysiek niet mogelijk is om aan de minimale jachtveldeis van 40 hectares te kunnen voldoen. Een veld welke kleiner is dan 40 hectares en is omgeven door snelwegen en of bebouwde kom is hiervan een voorbeeld. Het aanvragen van een ontheffing hiervoor kunt u doen bij de FBE van de bewuste provincie. Zie www.faunabeheereenheid.nl Voor het gebruik van andere middelen zoals fret en buidel, kastval en vangkooi geldt echter niet de minimale eis van 40 hectare en is dit ook mogelijk binnen de bebouwde kom. U zou daarom met de toestemming voor beheer en schadebestrijding van 1 hectares een kastval kunnen plaatsen en onderhouden om bijvoorbeeld een vos te vangen.
Het jachtrecht is maakt deel uit van het eigendom van gronden en kan daar niet los van gemaakt worden. men kan echter via de notaris in koopovereenkomst opnemen dat de kopende partij verplicht is om aan de verkopende partij een jachthuurovereenkomst(en) aan te bieden, waarop de verkopende partij dan mag jagen. Dit is afhankelijk van hoe een notaris een en ander heeft opgenomen in een koopcontract dit kan door middel van een kettingbeding ook aan rechtsopvolgers van de kopende partij deze verplichting tot het aanbieden van een jachthuurovereenkomst(en) overgaan. Van belang is derhalve na te gaan wat er exact in het koopcontract staat ten aanzien van de jacht. Hieronder volgt een aantal bepalingen die bezien in hun samenhang als “kettingbeding” kunnen worden gehanteerd en bij gehele of gedeeltelijke vervreemding van onroerend goed kan worden gebruikt. Deze bepalingen vormen een handreiking; bijna altijd dient maatwerk door de notaris geleverd te worden: – Verkoper bedingt hierbij van de koper dat de koper zich jegens verkoper verplicht om na afloop van iedere periode waarvoor voormeld jachtrecht is gehuurd, een overeenkomst van verhuur en huur ter zake van het jachtrecht op het verkochte te sluiten, voor de wettelijk vastgestelde periode met de wildbeheereenheid van het gebied, waarin het verkochte is gelegen. – Koper erkent bij deze dat hij bekend is met het belang dat verkoper hecht aan voortzetting van het door verkoper uitgeoefende jachtrecht voor een zo lang mogelijke periode en verklaart hierbij er mee akkoord te gaan het bedoelde jachtrecht voor een zo lang mogelijke periode in overeenstem­ming met de wens van de verkoper te zullen verhuren. – Voorts verplicht de koper zich hierbij jegens de verkoper om na afloop van de lopende huurover­eenkomst en zo vervolgens na afloop van elke volgende huurovereenkomst bindend advies te vragen aan de betrokken verkoper met betrek­king tot de vraag aan welke Wbe het jachtrecht dient te worden verhuurd en tegen welke prijs, zulks op verbeurte van een boete groot vijfentwintigduizend Euro (€ 25.000,-) per jaar dat deze verplich­ting niet wordt nageleefd. – Koper verplicht zich verder opvolgende kopers aan de boven geformuleerde bedingen te zullen houden, eveneens bij niet naleving op verbeurte van een boete groot vijfentwintigduizend Euro (€ 25.000,-).
Een jachthuurovereenkomst kan niet eenzijdig worden ontbonden. het is immers een overeenkomst met 2 of meer partijen. Dit kan wel indien alle verhuurder(s) en huurder(s) hiermee akkoord gaan. Wanneer een van de partijen toch de overeenkomst wil beëindigen en de ander niet dan is dit alleen mogelijk via de rechter, wat uiteraard geld kost. In het geval dat de verhuurder het contract wil beëindigen zal de rechter de huurder waarschijnlijk een financiële compensatie toekennen vanwege het gemiste jachtgenot. Wanneer een huurder in gebreke blijft met de betaling van de jachthuur dan dient de verhuurder de huurder een aangetekend schrijven te sturen waarin wordt gesteld dat de huurder de tegenprestatie binnen een redelijke termijn dient te voldoen (bijvoorbeeld binnen 4 weken). Doet de huurder dit niet dan kan de verhuurder de jachthuurovereenkomst als beëindigd beschouwen. De verhuurder zou dan het jachtrecht opnieuw kunnen verhuren aan iemand anders.
Bij de verhuur van jacht was in de meeste gevallen geen BTW van toepassing. Dit had te maken met het feit dat de gronden in gebruik zijn als productie/landbouwgrond bij een ondernemer die gekozen heeft voor de landbouwregeling (= vrijstelling omzetbelasting). In de landbouw hadden de ondernemers(boeren) de keuze om hun bedrijf wel of niet onder de landbouwregeling te voeren. Per 1 januari 2018 is deze regeling komen te vervallen en kan er ook over deze gronden 21 % BTW in rekening worden gebracht en is grotendeels afhankelijk van de omzet. Bij terreinbeherende organisaties was al dit zo. Voor hen was in de regel geen landbouwregeling van toepassing en is het in rekening brengen van BTW mogelijk.
Als u het jachtrecht van deze beek heeft gehuurd, vormt deze beek geen scheiding in het jachtveld. De oppervlakte van deze beek mag worden meegerekend bij de totale oppervlakteberekening van uw jachtveld. Een water breder dan 10 meter, waarvan het jachtrecht niet is gehuurd, vormt wel een scheiding in het jachtveld. Artikel 3.12 Bn
Ja, dat bent U als jachthouder. Artikel 3.14 lid 1 en geeft hierover het navolgende aan: Jachthouders met een jachtakte organiseren zich met anderen in een wildbeheereenheid, die de rechtsvorm van een vereniging heeft, ter uitvoering van het door de faunabeheereenheid vastgestelde faunabeheerplan en om te bevorderen dat een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, bestrijding van schadeveroorzakende dieren en jacht worden uitgevoerd in samenwerking met en ten diensten van grondgebruikers of terreinbeheerders. Art 3.12 lid 1 Het duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, de bestrijding van schadeveroorzakende dieren door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht geschieden overeenkomstig het faunabeheerplan. Dit betekent dat alle vormen van jacht, beheer en schadebestrijding op basis van het faunabeheerplan door de jachthouders dienen te worden uit gevoerd.
Ja, dat bent U verplicht, zie hiervoor artikel 3.13 Wn Rapportageplicht jachthouders Jachtaktehouders verstrekken aan de desbetreffende faunabeheereenheden gegevens over de aantallen dieren, onderscheiden naar soort, die zij hebben gedood. De faunabeheereenheid dient deze gegevens te gebruiken ter onderbouwing van het faunabeheerplan.
Voor het praktijkexamen dien je op de dag van het praktijkexamen minimaal 16 jaar of ouder te zijn omdat je dan geen praktijk examen met het geweer mag doen. Voor het theoretisch gedeelte staat geen leeftijd genoemd. Voor een jachtakte moet je tenminste 18 jaar of ouder zijn. bron: Stichting Jachtopleidingen Nederland - Examenreglement
Voor een periode tussen zes en twaalf jaar. De Wet natuurbescherming staat toe dat een jachthuurovereenkomst wordt afgesloten voor minimaal 6 jaar en maximaal 12 jaar. Huurder en verhuurder mogen deze periode zelf invullen. Wederverhuur van de JHO mag ook voor een kortere periode dan de minimale duur van 6 jaar van een JHO.
Een jachthuurovereenkomst eindigt niet automatisch bij het overlijden van de verhuurder . De rechten en plichten gaan over naar de erven. Het is echter wel toegestaan om dit in de jachthuurovereenkomst op te nemen, dat deze eindigt bij overlijden van de verhuurder of huurder. art. 7:229 BW
De mogelijkheid van wederverhuur korter dan 6 jaar is er. als dit ook schriftelijke is overeengekomen op de jachthuurovereenkomst want je hebt de toestemming nodig van de verhuurder om te mogen wederverhuren. De minimumduur van zes jaar geldt niet voor de wederverhuur, u kunt dus voor 3 jaar wederverhuren.
Heeft u met de verhuurder van de jacht van te voren afgesproken dat de overeenkomst eindigt op het tijdstip dat de eigendom van de betrokken grond bij het passeren van de akte van toedeling in andere handen overgaat, dan vervallen uw jachtrechten op deze grond(en).Heeft u een dergelijke afspraak niet gemaakt dan geldt art. , dat bepaalt dat bij eigendomsoverdracht van de grond, de jachthuurovereenkomst in stand blijft.U kunt dit dus zelf van te voren schriftelijk regelen. zie: Artikel 3.8 Bn Bij het aangaan van een huurovereenkomst als bedoeld in artikel 3.23, eerste lid, onderdeel d, van de Wet Natuurbescherming mag worden bedongen dat, indien enige onroerende zaak waarop de overeenkomst betrekking heeft, wordt opgenomen in een ruilakte als bedoeld in artikel 81, eerste lid, van de Wet inrichting landelijk gebied, en deze akte voor het einde van de duur van de overeenkomst in de openbare registers is ingeschreven, de huurovereenkomst, voor zover het die zaak betreft, eindigt met ingang van de datum waarop deze akte is ingeschreven.
Het jachtrecht heeft u nodig om te jagen op wildsoorten, de toestemming van de grondgebruiker hebt u nodig voor het beheren/schade bestrijden. De Wet natuurbescherming maakt een heel scherpe scheiding tussen jacht en beheer/schadebestrijding. Jagen is het benutten van de aangewezen wildsoorten in de tijd dat de jacht erop is geopend en mag gedaan worden door de jachthouder (en anderen met diens toestemming). Om te kunnen beheren of schade te bestrijden hebt u – naast een ontheffing, vrijstelling en bijzondere opdrachten – toestemming van de grondgebruiker(art 3.15 lid 7 Wn) nodig. Deze toestemming is in de jachthuurovereenkomst Wnb van onze Wbe opgenomen als een machtiging welk als voordel heeft dat u deze namens de grondgebruiker mag verstrekken en dus niet van iedere toestemming een kopie hoeft bij te voegen.
Het is verboden te jagen zonder: een geldige jachtakte, voorzover het betreft het jagen met een geweer (art 3.26 lid 1 Wn); Ja, de politie is als toezichthouder in de Wet natuurbescherming aangewezen en kan ingevolge artikel 5.17 lid 1. Algemene Wet bestuursrecht inzage vorderen van uw jachtakte. Art 38 lid a; art. 4.7 Algemene Wet bestuursrecht  
Ja, dit geldt vooral voor de jachthouders met een jachtakte deze moeten nu ook kunnen aantonen bij de aanvraag van hun jachtakte, dat ze lid zijn van een Wbe, dit geldt alleen voor de jachthouders die als samenwerkende jachthouder lid zijn van een Wbe en waar dus de Wbe geen jachthouder is. art 3.14 lid 1 Wn Hiervoor hebben wij een nieuw formulier gemaakt dat de Wbe verstrekt aan haar zelfstandige jachthouders, waarin zij aangeeft dat de betrokken jachthouder lid is van hun Wbe. Verklaring lidmaatschap Wbe samenwerkende jachthouders Daar waar de Wbe de jachthouder is (inbreng jachtrechten) is de Toestemming WBE buiten gezelschap art3.20 lid 4 WNb voldoende om aan te tonen dat je lid bent van de Wbe en kun je op grond daarvan een jachtakte aanvragen en zelfstandig jagen in je jachtveld.
Ja, dat mag volgens art 3.6 lid 2 Bn, hier staan de dagen dat het verboden is te jagen; lid 2: Het is verboden om de jacht uit te oefenen op zondagen, de nieuwjaarsdag, de tweede paas- en pinksterdag, de beide kerstdagen en de Hemelvaartsdag.
Als de grond met sneeuw bedekt is is het verboden te jagen art 3.6 lid 7 Bn Er mag dan wel anders dan voor de voet gejaagd worden op alle soorten wild d.m.v een drijfjacht, waarbij de geweren opgesteld staan en de drijvers het wild opdrijven naar de geweren toe. Art 3.7 Bn lid 3 geeft hierover aan; Het verbod, bedoeld in artikel 3.6, zevende lid Bn, geldt niet voor de jacht op:
  1. wilde eenden of houtduiven, of
  2. konijnen, hazen of fazanten, indien deze dieren anders worden bejaagd dan voor de voet.
De provincie kan echter op grond van bijzondere weersomstandigheden de jacht sluiten.
Dat mag alleen indien men wordt verdacht van het plegen van een strafbaar feit, ons advies is om altijd hieraan mee te werken aan het verzoek van controlerende ambtenaren, omdat het weigeren daarvan kan worden geïnterpreteerd als misbruik van de bevoegdheid wapens voorhanden te hebben. art. 5.17 lid 1, Algemene Wet bestuursrecht
De jachthouder mag aan een andere jager toestemming geven om buiten zijn aanwezigheid duiven, kraaien en vossen te bestrijden ,dit met de toestemming van de grondgebruiker om gebruik te maken van vrijstellingen en ontheffingen in zijn jachtveld.
Konijn, houtduif, vos, Canadese gans, kraai en kauw staan op de landelijk vrijstellingslijst (art 3.1 Bn) hetgeen inhoudt dat deze dieren het hele jaar mogen worden gedood, De vrijstelling, bedoeld in art 3.15 Wn het tweede en vierde lid, wordt verleend voor handelingen op door de grondgebruiker gebruikte gronden, dan wel in of aan door hem gebruikte opstallen, ter voorkoming van in het lopende of daarop volgende jaar dreigende schade op deze gronden, in of aan deze opstallen, of in het omringende gebied. Indien gebruik gemaakt wordt van een geweer is een jachtakte vereist evenals een schriftelijke toestemming van de grondgebruiker. Tevens is de 40 ha-regeling van toepassing, indien je gebruik maakt van een geweer.
De vos staat op de landelijke vrijstellingslijst en mag worden gedood bij schade of te verwachten schade op basis van het fingerende faunabeheerplan. Het gebruik van het geweer mag alleen tussen zonsopkomst en –ondergang. De provincie kan een ontheffing geven voor het gebruik van een lichtbak en helderheidsversterker, om ook ’s-nachts te mogen schieten.
De ekster behoort tot de beschermde inheemse diersoorten. Deze soort mag alleen verontrust, gevangen en gedood worden op basis van een vrijstelling(art 3.16 Wn of ontheffing (art 3.15 Wn). De provincie kan een vrijstelling of ontheffing geven voor een soort wanneer deze in (delen van) de provincie belangrijke schade veroorzaakt.
Het gebruik van elektronische en mechanisch aangedreven lokmiddelen is in principe verboden bij jacht, beheer en schadebestrijding. Een uitzondering hierop vormen mechanisch en elektronisch aangedreven lokvogels bij de landelijk vrijgestelde vogelsoorten (met name houtduif, zwarte kraai en kauw en Canadese gans). Deze worden aangeduid als duiven/kraaien caroussel, pigeon magnet/flappers en kraaien magneet. Het gebruik van deze middelen voor bejaging van houtduiven is niet toegestaan in de periode waarop de jacht op deze soort is geopend (15 oktober t/m 31 januari). Bij de zwarte kraai en kauw en Canadese gans is deze het gehele jaar door toegestaan. Het gebruik van elektronische geluiden van bijvoorbeeld vogelgeluiden is in principe verboden bij alle vormen van jacht, beheer en schadebestrijding. Een provincie kan in een ontheffing een uitzondering maken op bovenstaande verboden. Het middel dient dan wel expliciet beschreven te zijn in de ontheffing c.q. machtiging.

Wapens en munitie

Artikel 3.13 (Bn)
  1. Een geweer als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de wet heeft een getrokken loop met een nominaal kaliber van ten minste .22 inch of 5,58 millimeter
  2. Een kogelgeweer als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de wet heeft een magazijn dat ten hoogste twee patronen kan bevatten, tenzij het is voorzien van een grendelinrichting waarmee het wapen handmatig schot voor schot wordt geladen. Een geweer als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de wet is niet voorzien van een geluiddemper, een kunstmatige lichtbron, een voorziening om de prooi te verlichten, een vizier met beeldomzetter, een elektronische beeldversterker of enig ander instrument om in de nacht te schieten.
Artikel 3.14 (Bn) De munitie die wordt gebruikt in een geweer als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de wet voldoet aan het tweede of het derde lid. 3. Kogelpatronen zijn geen militaire kogelpatronen, met inbegrip van fosfor- of lichtspoorpatronen, kogelpatronen met volmantel of kogels die niet vervormen bij het treffen. Artikel 3.15 (Bn) Met betrekking tot dieren van de hierna genoemde soorten worden, onverminderd de artikelen 3.13, tweede, derde en vierde lid, en 3.14, derde lid, uitsluitend de volgende geweren en munitie gebruikt: reeën: geweren met ten minste één getrokken loop en kogelpatronen voor getrokken loop waarvan de trefenergie ten minste 980 Joule op 100 meter afstand van de loopmond bedraagt;
Artikel 3.15 (Bn) Met betrekking tot dieren van de hierna genoemde soorten worden, onverminderd deikelen 3.art13, tweede, derde en vierde lid, en 3.14, derde lid, uitsluitend de volgende geweren en munitie gebruikt: lid 2 bedelherten, damherten en wilde zwijnen: geweren met ten minste één getrokken loop en kogelpatronen voor getrokken loop waarvan de trefenergie ten minste 2200 Joule op 100 meter afstand van de loopmond bedraagt.
Het is in Nederland in principe niet toegestaan om een wapen te hanteren (vast te houden) dat niet op de eigen jachtakte staat. Er zijn echter situaties waarin het wenselijk is dat gebruik wordt gemaakt van wapens die op de naam van iemand anders zijn geregistreerd. Zo’n geval doet zich bijvoorbeeld voor wanneer zoon of dochter gaat studeren en in een studentenhuis gaat wonen. Het verdiend dan vaak de voorkeur om het wapen veilig bij de jagende ouders thuis op te slaan. Wanneer er voldoende wordt geoefend, door beide gebruikers kan het ook een oplossing zijn om bijvoorbeeld samen te doen met één kogelbuks voor het afschot van grofwild. Medegebruik van wapens is toegestaan, mits aan enkele strikte voorwaarden wordt voldaan. De Circulaire Wapens en Munitie (CWM 2016) vermeld daarover het volgende: Gemeenschappelijk gebruik van wapens Daarom moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan: 1. Slechts één verlof- c.q. jachtaktehouder (A) is bevoegd het wapen thuis te bewaren (voorhanden te hebben). Dit houdt in dat de andere verlof- c.q. jachtaktehouder (B) die het wapen op zijn verlof respectievelijk jachtakte vermeld heeft staan, het wapen – alvorens hij dit gaat gebruiken voor het doel waarvoor hem een verlof respectievelijk een jachtakte is verleend – eerst bij A moet ophalen om het na gebruik terstond weer bij A terug te brengen; 2. De verschillende verloven c.q. jachtakten moeten ten aanzien van het gemeenschappelijk wapen onderling naar elkaar verwijzen en moeten aangeven wie van de verlof- c.q. jachtaktehouders bevoegd is het wapen thuis te bewaren;Een wapen dat vermeld staat op twee verloven of jachtakten telt bij de A-houder (dit is dus degene die het wapen voorhanden heeft op het moment dat het wapen niet gebruikt wordt voor de beoefening van de schietsport of de uitoefening van de jacht door de B-houder) mee voor het maximum aantal wapens dat hij of zij (op grond van artikel 43 van de RWM) voorhanden mag hebben.Bij de B-houder (dit is dus degene die het wapen leent van de A-houder en na gebruik terstond weer bij A terug brengt) telt het wapen niet mee voor de bepaling van het maximum aantal wapens dat hij of zij voorhanden mag hebben. Het aantal wapens dat met gebruikmaking van deze constructie op een verlof c.q. jachtakte mag worden vermeld bedraagt maximaal 10 voor een verlof en maximaal 12 vuurwapens voor een jachtakte. In het kort betekent dit dat een wapen door een ander gebruikt mag worden, mits dat op de akte is vermeld. Het wapen mag echter alleen opgeslagen worden bij de A-houder. De medegebruiker (B) mag het wapen voor de jacht bij de A-houder ophalen en moet het terstond na de jacht weer bij de A-houder terugbrengen. De B-houder mag het wapen dus nooit in huis bewaren (ook niet in de kluis!)!
Het Besluit natuurbescherming geeft in art 3.13, 3.14 en 3.15 het volgende aan over de te gebruiken wapens en munitie voor de jacht, beheer en schadebestrijding. Zie ook onze pagina voor een cel overzicht per diersoort: Artikel 3.13 Bn geeft hierover het navolgende aan:
  1. Een geweer als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de wet heeft een gladde loop met een kaliber van ten minste 24 en ten hoogste 12 of een getrokken loop met een nominaal kaliber van ten minste .22 inch of 5,58 millimeter
  2. Een enkelloops hagelgeweer als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de wet heeft een magazijn dat ten hoogste twee patronen kan bevatten.
  3. Een kogelgeweer als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de wet heeft een magazijn dat ten hoogste twee patronen kan bevatten, tenzij het is voorzien van een grendelinrichting waarmee het wapen handmatig schot voor schot wordt geladen.
  4. Een geweer als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de wet is niet voorzien van een geluiddemper, een kunstmatige lichtbron, een voorziening om de prooi te verlichten, een vizier met beeldomzetter, een elektronische beeldversterker of enig ander instrument om in de nacht te schieten.
Artikel 3.14 Bn
  1. De munitie die wordt gebruikt in een geweer als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de wet voldoet aan het tweede of het derde lid.
  2. Hagelpatronen bestaan uit hagelkorrels met een doorsnede van 3,5 millimeter of minder en bevatten geen metallisch lood.
  3. Kogelpatronen zijn geen militaire kogelpatronen, met inbegrip van fosfor- of lichtspoorpatronen, kogelpatronen met volmantel of kogels die niet vervormen bij het treffen.
Artikel 3.15 Bn Met betrekking tot dieren van de hierna genoemde soorten worden, onverminderd de artikelen 3.13, tweede, derde en vierde lid, en 3.14, derde lid, uitsluitend de volgende geweren en munitie gebruikt:
  1. reeën: geweren met ten minste één getrokken loop en kogelpatronen voor getrokken loop waarvan de trefenergie ten minste 980 Joule op 100 meter afstand van de loopmond bedraagt;
  2. edelherten, damherten en wilde zwijnen: geweren met ten minste één getrokken loop en kogelpatronen voor getrokken loop waarvan de trefenergie ten minste 2200 Joule op 100 meter afstand van de loopmond bedraagt.
  3. Onverminderd artikel 3.14, tweede en derde lid, worden met betrekking tot konijnen en houtduiven uitsluitend gebruikt: hagelpatronen waarvan de korrelgrootte van de hagel een doorsnede van 3,5 millimeter niet overschrijdt, of kogelpatronen van een kaliber van .22 inch of 5,58 millimeter
  4. Met betrekking tot hazen, fazanten en wilde eenden worden, onverminderd artikel 3.14, tweede lid, uitsluitend hagelpatronen gebruikt.
Ja, want in het Besluit natuur art 3.14 lid 2 staat bij de voorschriften over patronen: het gebruik van hagelpatronen geen metallisch lood mag bevatten is dus niet toegestaan in Nederland voor de Jacht, beheer en schadebestrijding. Dit geldt echter niet, als je in Duitsland regelmatig jaagt en waar loodhagel wel is toegestaan dan mag je deze wel in voorraad hebben. (zie cwm_2018 en belangrijkste punten jachtaktehouder CMW 2018)
Artikel 3.16 Besluit natuur Het is verboden een geweer ter uitoefening van het bepaalde bij of krachtens de wet te gebruiken:
  1. voor zonsopgang en na zonsondergang;
  2. binnen de bebouwde kom of terreinen als bedoeld in artikel 3.21, derde lid, van de wet
  3. binnen de afdalingskring van een eendenkooi als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onderdeel d, van de wet;
  4. vanaf of vanuit een rijdend motorrijtuig dan wel een ander voertuig, of e. vanuit een luchtvaartuig.
  5. Artikel 3.7, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, ingeval het geweer wordt gebruikt bij de uitoefening van de jacht op wilde eenden.
Een semi-automatisch wapen is een vuurwapen dat af te vuren is zonder tussen de schoten een handeling uit te voeren waardoor de kogel afgevuurd kan worden. De wet stelt eisen aan de geweren die mogen worden gebruikt Art 3.14 Bn lid 2 en 3:
  1. een enkelloops hagelgeweer met een magazijn dat ten hoogste twee patronen kan bevatten;
  2. een kogelgeweer met een magazijn dat ten hoogste twee patronen kan bevatten, tenzij het is voorzien van een grendelinrichting waarmee het wapen handmatig schot voor schot wordt geladen.
Semi-automatische wapens zijn dus toegestaan, mits ze aan bovengenoemde eisen voldoen
Art 3.6 Bn lid 12 Het is verboden om de jacht uit te oefenen binnen een straal van 200 meter rond plaatsen waar voer of aas is of wordt verstrekt met als oogmerk wild als bedoeld in artikel 3.20, tweede lid, van de wet te lokken.
Het verbod van art 3.6 Bn lid 12 geldt alleen voor de aangewezen wildsoorten en niet voor de landelijk vrijgestelde diersoorten zoals zwarte kraai en kauw dus mag je deze op een voerplaats schieten en hoef je er geen 200 meter vandaan te blijven. Dit geldt echter niet voor de houtduif daar deze een aangewezen wildsoort is.
Artikel 44 van de Regeling Wapens en Munitie geeft mogelijkheden voor het vervoer naar en van de schietbaan van wapens die op de jachtakte staan vermeld. De vrijstelling voor het vervoer van de woning naar de schietbaan geldt voor wapens en munitie die de jager gerechtigd is voorhanden te hebben. Hij hoeft dus geen WM4-verlof aan te houden. In artikel 3.26 lid 1 sub d onderdeel 5 Wn staat tevens dat een geweer gebruikt mag worden voor het schieten van kleiduiven.
Een jager mag in de regel maximaal zes wapens als hoofdhouder op zijn jachtakte hebben. Meer wapens worden alleen bijgeschreven wanneer hij van alle wapens kan aantonen dat deze onontbeerlijk zijn voor de uitoefening van jacht, beheer of schadebestrijding. Uit de jurisprudentie van de beroepszaken (onder de Jachtwet) is gebleken dat men geen nadere reden hoeft op te geven om wapens voor de jacht, beheer en schadebestrijding voorhanden te kunnen hebben, zolang men zich beperkt tot zes wapens en het redelijk belang aanwezig is. Naast het feit dat een jachthouder zelf 6 wapens voorhanden mag hebben als zijnde hoofdhouder, mag deze jager ook maximaal 6 wapens als medegebruik op zijn jachtakte hebben. Een medegebruiker mag echter deze wapens niet zelf in de kluis bewaren, maar dient een dergelijk wapen op de dag van jagen op te halen en ook weer direct na gebruik weer terug te brengen bij de hoofdhouder van het geweer. Artikel 43 Regeling wapens en munitie
Een luchtbuks is geen geoorloofd middel voor jacht, beheer en schadebestrijding. De provincie kan middels een ontheffing een uitzondering hierop maken in die situaties dat een vuurwapen of andere middelen niet gebruikt kunnen worden, bijvoorbeeld door rattenvangers van het Waterschap. Een luchtbuks mag alleen gebruikt worden voor het schieten op kaarten op bijvoorbeeld schietbanen.
Artikel 3.21 lid 5 Wn en artikel 3.16 lid 1 Bn Binnen het jachtveld mag je wapen gebruiksklaar (onverpakt) gedragen worden. Wegen en paden die zich in het jachtveld bevinden maken deel uit van je jachtveld en vormen geen scheiding. Voor wegen en paden die zich aan de rand van het veld bevinden geldt dit niet tenzij men van deze wegen het jachtrecht heeft gehuurd c.q. de schriftelijke toestemming heeft voor beheer en schadebestrijding van de grondgebruiker.
In principe op alle essentiële onderdelen van een wapen dienen de nummers te worden vermeld. De cwm_2018 zegt hierover: 1.2.3. Onderdelen en hulpstukken van wapens Artikel 3, eerste lid, van de WWM stelt dat de bepalingen betreffende wapens mede van toepassing zijn op onderdelen en hulpstukken die specifiek bestemd zijn voor die wapens en van wezenlijke aard zijn. Uitgaande van deze bepaling kunnen met betrekking tot vuurwapens de hierna genoemde onderdelen worden aangemerkt als onderdelen waarop de WWM van toepassing is, omdat deze onontbeerlijk zijn voor het functioneren als vuurwapen, in sterke mate de werking van het vuurwapen mede bepalen, de werking van het vuurwapen kunnen wijzigen, dan wel het vuurwapen identificeren, hetzij door ingeslagen nummers hetzij door bij het afvuren sporen achter te laten op de patroonhuls of de kogel. Onderdelen die onder de werking van de WWM vallen zijn: De loop en de onderdelen die bestemd zijn om een vuurwapen (vol)automatisch te doen schieten en daarnaast:
  • Specifiek voor de revolvers: de kast (frame), de loop en de cilinder.
  • Specifiek voor geweren: de kast (het frame), de bascule, het staartstuk, de loop en de grendel of afsluiter.
  • Specifiek voor pistolen de kast (het frame), het magazijn, de loop en de slede.
Zie hiervoor onze webpagina: De procedure die bij de koop en verkoop van wapens tussen particuliere jagers gevolgd moet worden is als volgt: De koper noteert alle gegevens van het wapen en vraagt aan de verkoper een schriftelijke bevestiging dat hij het wapen aan hem wil verkopen; De koper vraagt bij de politie (bijzondere wetten, via het algemene politienummer 0900 – 8844) een Verlof tot verkrijging van een vuurwapen (WM 3) aan en levert daarbij de verklaring van de verkoper in; De politie beoordeelt de aanvraag, verstrekt het Verlof en schrijft het wapen bij op de jachtakte; De koper haalt het wapen op en geeft het Verlof tot verkrijging aan de verkoper; De verkoper geeft het Verlof aan de politie (bijzondere wetten) in zijn eigen woonplaats; De politie schrijft het wapen af van de jachtakte van de verkoper; De koper toont desgevraagd ter controle het wapen bij de politie (bijzondere wetten) in zijn woonplaats.
Voor het praktijkexamen dien je op de dag van het praktijkexamen minimaal 16 jaar of ouder te zijn omdat je dan geen praktijk examen met het geweer mag doen. Voor het theoretisch gedeelte staat geen leeftijd genoemd. Voor een jachtakte moet je tenminste 18 jaar of ouder zijn. Examenreglement SJN
Indien meerdere personen binnen een gezin, op grond van hun respectievelijke wapenverloven/jachtakten, bevoegd zijn tot het voorhanden hebben van alle binnen het huishouden aanwezige vuurwapens, dan mogen deze vuurwapens in dezelfde kluis worden bewaard. Dit geldt uitdrukkelijk niet wanneer de verschillende personen binnen het huishouden, op grond van hun wapenverloven, bevoegd zijn tot het voorhanden hebben van verschillende wapens. Dus allen moeten dan op hun jachtakten ook de geweren van de andere gezinsleden hebben staan als medegebruiker. zie ook cwm_2018 paragraaf 8.4
Als je als jachtaktehouder gaat verhuizen binnen Nederland dan vereist de Wet natuurbescherming dat je dit doorgeeft aan de afdeling bijzondere wetten waar je de laatste keer je jachtakte hebt verkregen of verlengd. Aan het nieuwe politieadres afdeling korpscheftaken/bijzondere wetten stuur je de adreswijziging met daarbij gevoegd een kopie van uw huidige jachtakte. Het juiste adres kun je opvragen door te bellen met het algemene politienummer 0900 – 8844 en vragen naar de afdeling bijzondere wetten van politie van de betreffende regio, U kunt daarbij ook nog aangeven dat u uw eventuele nieuwe jachtakte bij het nieuwe politieadres zult aanvragen. Zorg er altijd voor dat de wapenkluis direct goed verankerd (ondergrond en muur) is op het nieuwe adres en wanneer u tijdelijk op een ander adres gaat wonen, dit in goed overleg gaat met de politie. Wanneer u bijvoorbeeld tijdelijk in een vakantiewoning gaat wonen zou u de wapens tijdelijk bij een jachtvriend of wapenhandelaar kunnen stallen. De Wet natuurbescherming vereist van een jager enkel een “geldige jachtakte”. Door uw verhuizing verliest uw jachtakte zijn geldigheid niet. U kunt volstaan met het toezenden van een adreswijziging aan zowel het oude politieadres als aan het nieuwe politieadres met daarbij gevoegd een kopie van uw huidige jachtakte. U kunt daarbij nog aangeven dat u uw eventuele nieuwe jachtakte bij het nieuwe politieadres zult aanvragen. Het opvragen van de politie adressen kunt u doen door te bellen met het algemene politienummer 0900 – 8844 en vragen naar de afdeling bijzondere wetten van politie van de betreffende regio. Zorg er altijd voor dat de wapenkluis direct goed verankerd is op het nieuwe adres en wanneer u tijdelijk op een ander adres gaat wonen dit in goed overleg gaat met de politie. Wanneer u bijvoorbeeld tijdelijk in een vakantiewoning gaat wonen zou u de wapens tijdelijk bij een wapenhandelaar kunnen stallen.
In het Besluit natuur artikel 3.13 is vermeld: Een geweer als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de wet heeft een gladde loop met een kaliber van ten minste 24 en ten hoogste 12 of een getrokken loop met een nominaal kaliber van tenminste .22 inch of 5,58 millimeter. Een enkelloops hagelgeweer als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de wet heeft een magazijn dat ten hoogste twee patronen kan bevatten. Bepalend is dus of een geweer één of twee lopen heeft. Het maakt dan niet uit of het een semi-automaat is.

Praktijkvragen en antwoorden Jachtakte etc.

  • Artikel 3.28 Wet natuurbescherming geeft hierover het navolgende aan als eisen;
    1. De jachtakte wordt verleend door de korpschef, bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 2012.
    2. De jachtakte wordt uitsluitend verleend indien de aanvrager:
      1. met gunstig gevolg een jachtexamen heeft afgelegd dat is erkend door Onze Minister, of dat is erkend door de bevoegde autoriteit van een andere staat en door Onze Minister als gelijkwaardig aan door hem erkende jachtexamens is aangemerkt;
      2. de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
      3. jachthouder is van een jachtveld dat voldoet aan de regels gesteld krachtens artikel 3.26, eerste lid, onderdeel b, en lid is van de wildbeheereenheid waarbinnen zijn jachtveld is gelegen, of toestemming (art 3.20 lid 1 of 4) heeft van een dergelijke jachthouder tot uitoefening van de jacht in diens jachtveld, en
      4. een geldig bewijs van de verzekering, bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, onderdeel c, heeft overgelegd.
    3. Tevens dient U bij de eerste aanvraag en het verlengen jachtakte een Model 32 digitaal inlichtingen formulierlier volledig ingevuld bij te voegen.
    4. Denk hierbij ook aan uw Europees vuurwapenpaspoort aan te vragen of te laten verlengen als u ook in het buitenland gaat jagen.
Niemand kan een ander meer rechten overdragen dan hij zelf heeft. De rechten van de houder van de toestemming jagen buiten gezelschap (artikel 3.20 lid 4 Wet natuurbescherming) vervallen derhalve in dit geval. Artikel 3:86, 88 Burgerlijk Wetboek
Om een jachtakte te kunnen krijgen, moet je kunnen aantonen dat je in de gelegenheid bent om met een geweer te jagen ( wildsoorten) in een jachtveld waarvan men jachthouder is op basis van jachthuurovereenkomsten of waar men de toestemming heeft buiten gezelschap van een jachthouder (art 3.20 lid 4) of toestemming om in gezelschap van de jachthouder (art 3.20 lid 1) mag jagen . De Wet natuurbescherming en ook de vorige FF-wet maken een duidelijk onderscheid tussen jagen (op wildsoorten) en het doden van dieren in het kader van beheer en schadebestrijding. Het schieten van reeën valt niet onder de wettelijke definitie van jagen en reeën behoren volgens de wet niet tot het wild, maar zijn een beschermde inheemse diersoort. Het is dus correct dat op basis van een ontheffing en machtiging afschotvergunning en een grondgebruikersverklaringen (40 ha) er geen jachtakte verstrekt kan worden. Zie artikel 3.28 lid 2 onderdeel c Wet natuurbescherming.
Een jachtaktehouder die regelmatig wil oefenen kan wettelijk op basis van de jachtakte naar een schietcentrum gaan en daar oefenen. Hij hoeft hiervoor dus geen lid te zijn van een schietvereniging of van de KNSA. Schietverenigingen die de schietwedstrijd sport te beoefenen, vallen echter onder een andere wettelijk regeling dan die geldt voor de jachtaktehouders. Voor de schietsport zijn de bepalingen dat deelnemers hiervoor een verlof nodig hebben en de voorwaarden die aan het verlof zijn verbonden zijn wettelijk:
  • lid van de KNSA en
  • een aantal schietbeurten per jaar.
Hij heeft dus dan te maken met twee wettelijke regelingen en moet zowel aan de eisen van zowel de jacht als de schietsport voldoen. Wil je jachtaktehouder alleen maar veel oefenen, maar niet aan de wedstrijdsport wil deelnemen, hoeft dus geen lid te zijn van een schietvereniging, maar kun je hiervoor op de schietcentra terecht.
Ingevolge art 3.20 lid 4 mag een jachthouder op basis van art 3.23, met of zonder jachtakte, zoals een wildbeheereenheid die jachthouder is, deze afgeven indien het jachtveld voldoet aan de eisen van de 40 ha regeling. Het jachtveld moet een aaneengesloten oppervlakte hebben van ten minste 40 ha per jachthouder. In dat veld moet een cirkel kunnen worden getrokken met een straal van ten minste 150 meter. Ook water waarvan u het jachtrecht heeft gehuurd mag meegerekend worden bij de oppervlakteberekening. Een water breder dan 10 meter vormt alleen een scheiding, indien u het jachtrecht hiervan niet bezit. Een autosnelweg vormt een scheiding in een jachtveld. Voor iedere 40 ha kan maar 1 toestemming om buiten gezelschap te mogen jagen afgegeven worden door de jachthouder. Bijvoorbeeld de jachtveldhouder met jachtakte die een jachtveld heeft gehuurd van 130 ha kan dus aan 2 personen de toestemming buiten gezelschap verlenen, daar hij zelf dus ook voor de eerste 40 ha mee telt heeft hij nog 90 ha over en mag hij dus nog voor 2 personen dit doen. Is echter een Wbe de jachthouder zonder jachtakte dan kan die zoveel als zij een bejaagbaar gebied heeft dat aan de 40 ha regeling voldoet deze afgeven. Bijvoorbeeld 1600 ha betekent 40 toestemmingen buiten gezelschap jachthouder. Artikel 3.26 lid 1 onderdeel b Wet natuurbescherming, Artikel 3.12 Besluit natuurbescherming
Ja dat mag nu in de Wet natuurbescherming zie hieronder de voorwaarden die in de Wet natuurbescherming, en de memorie van Toelichting zijn aangegeven. De Wet natuurbescherming regelt in art 3.20, wie gerechtigd is tot de jacht, te weten: de jachthouder, degene die in zijn gezelschap verkeert of degene die zijn toestemming heeft. Een jachthouder zonder jachtakte (Wbe) kan volgens artikel 3.20 lid 4 Wet natuurbescherming iemand toestemming verlenen om het genot van de jacht uit te oefenen buiten het gezelschap van de jachthouder. Het aantal gastverklaringen (toestemmingen art 3.20 lid 1) dat een jachthouder met of zonder jachtakte afgeeft wordt hierbij niet beperkt door de oppervlakte van het jachtveld. Met deze gastverklaring toont een aanvrager van een jachtakte genoegzaam aan dat hij in de gelegenheid is om te jagen. Memorie van Toelichting Besluit natuur geeft hierover het navolgende aan: 4.2.2. Jacht buiten het gezelschap van de jachthouder Zoals tot uitdrukking komt in artikel 3.20, eerste lid, van de wet, geldt als uitgangspunt dat de jacht wordt uitgeoefend door de jachthouder. Dat is degene die op grond van artikel 3.23 van de wet gerechtigd is tot de uitoefening van de jacht. Het kan dan gaan om de eigenaar, de zakelijk gerechtigde, de pachter of de huurder van het jachtrecht. De jachthouder kan zich laten vergezellen door anderen. Degenen die zich in het gezelschap van de jachthouder bevinden, kunnen op grond van artikel 3.20, eerste lid, van de wet dezelfde handelingen in het kader van de jacht verrichten als de jachthouder, namelijk het opsporen, verontrusten, vangen en doden van wild, met gebruikmaking van de daarvoor toegestane middelen overeenkomstig de voor dat gebruik geldende wettelijke eisen. Om zeker te stellen dat de jachthouder de kennis en kunde heeft om bij het verlenen van de toestemming de juiste voorwaarden te stellen om een redelijke wildstand in zijn jachtveld te handhaven en daarvoor niet afhankelijk is van de kennis en kunde van degene die toestemming vraagt, schrijft artikel 3.2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het onderhavige besluit voor, dat ook de jachthouder zelf over een jachtakte of valkeniersakte beschikt. Deze eis werd voorheen ook gesteld in het op de toenmalige Flora- en faunawet gebaseerde Jachtbesluit. De eis geldt niet voor bepaalde rechtspersonen die jachthouder zijn; daar zijn andere waarborgen noodzakelijk. Bedacht moet immers worden dat rechtspersonen – anders dan natuurlijke personen – naar hun aard niet zelf kunnen jagen en geen jachtakte of valkeniersakte kunnen hebben. De aard van de organisatie van deze rechtspersonen kan evenwel op zichzelf voldoende waarborgen bieden dat bij toestemmingverlening voor de uitoefening van de jacht aan anderen de juiste kaders worden gesteld. Dat geldt in ieder geval voor rechtspersoonlijkheid bezittende samenwerkingsverbanden van jachthouders (Wbe) (artikel 3.2, eerste lid, aanhef en onderdeel b), maar kan ook gelden voor andere organisaties zoals Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer etc.
  • Als gastheer en tevens jachthouder of houder van een ‘buiten gezelschapsverklaring’ (artikel 3.20 lid 4 Wet natuurbescherming) dient u uw gasten op de hoogte te brengen van de bejaagbare soorten op de betreffende jachtdag.
  • U bent als gastheer altijd verantwoordelijk dat de gastjagers op een juiste plaats staan en iet op plaatsen staan waar u geen toestemming heeft of jachtrechten heeft. U bent echter niet verantwoordelijk voor individuele handelingen van uw gasten.
  • Als jachthouder/buiten gezelschapshouder mogen de in uw gezelschap verkerende jagers de wildsoorten haas, konijn, fazant, wilde eend en houtduif schieten, wanneer de jacht hierop geopend is.
Beheer en schadebestrijding vos, zwarte kraai, kauw en Canadese gans
  • Hiervoor geldt als niet wildsoorten zijnde in principe dat je dan over de schriftelijke toestemming van de grondgebruiker dient te beschikken ( art 3.15, lid 7) voor beheer en schadebestrijding en deze moeten doorschrijven (op de standaard jachthuurovereenkomsten zijn deze aangegeven) en is tevens hiervoor de toestemming aangegeven). U hoeft dit voor de in uw gezelschap verkerende gasten tijdens de jachtdag echter niet daadwerkelijk te doen: uw toestemming volgt uit uw aanwezigheid in het jachtgezelschap. Uw gasten kunnen dan zonder verder papierwerk ook de vos, Canadese gans, zwarte kraai en kauw schieten. Voor de andere soorten dan de wildsoorten en de landelijk vrijgestelde diersoorten dient er een ontheffing (art 3.17 Wn)of bijzondere opdracht (art 3.19 Wn) te zijn waarbij uit de tekst moet blijken dat uw gasten hier ook gebruik van mogen maken.
Als houder van een Nederlandse jachtakte mag men in principe overal in Nederland op uitnodiging in gezelschap van een jachthouder jagen. PS, Als u ergens wordt uitgenodigd om te komen jagen, denk dan aan om U uw jachtakte en verzekeringsbewijs mee te nemen.

Print Friendly, PDF & Email

Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.