Vragen wapens en munitie

Vragen wapens en munitie

Dit gaat het zelfde als bij andere wapens op uw jachtakte, dient u bij de politie een redelijk belang aan te tonen voor het bijschrijven van een wapen. m.b.t. een grootkaliberbuks, kan dit op drie manieren:
  • U bent in de gelegenheid om grofwild ( wild zwijn-reewild of Edelhert) te kunnen bejagen in Nederland In dat geval iseen (door de WBE/Jachthouder doorgeschreven) afschotvergunning voor reewild of wild zwijn.
  • Voor het afschot van vossen, verwilderde katten is een kaliber groter dan .22 noodzakelijk volgens de Wn. Bovendien is voor het afschot van ganzen in de meeste provincies een kaliber groter dan .22 toegestaan. Dit kunt U dan aantonen d.m.v de getekende een grondgebruikersverklaring(en).
  • U bent betrokken bij jacht, beheer of schadebestrijding in het buitenland.Wanneer u in het bezit bent van een jachtakte uit één van de EU-landen en een Nederlandse akte kunt u op basis hiervan een grootkaliberbuks op uw akte laten bijschrijven. (CMW-2018)
  • Een kogelgeweer als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de wet heeft een magazijn dat ten hoogste twee patronen kan bevatten, tenzij het is voorzien van een grendelinrichting waarmee het wapen handmatig schot voor schot wordt geladen.
  • reeën: geweren met ten minste één getrokken loop en kogelpatronen voor getrokken loop waarvan de trefenergie ten minste 980 Joule op 100 meter afstand van de loopmond bedraagt;
  • edelherten, damherten en wilde zwijnen: geweren met ten minste één getrokken loop en kogelpatronen van een kaliber van ten minste 6,5 millimeter voor getrokken loop waarvan de trefenergie ten minste 2.200 Joule op 100 meter afstand van de loopmond bedraagt.
  • Kogelpatronen zijn geen militaire kogelpatronen, met inbegrip van fosfor- of lichtspoorpatronen, kogelpatronen met volmantel of kogels die niet vervormen bij het treffen.
Het voorhanden hebben van deze geweren wordt gedekt door uw jachtakte. In artikel 3.26 lid 1 onderdeel a wordt aangegeven dat een geweer slechts mag worden gebruikt door personen die in het bezit zijn van een geldige jachtakte. Het vervoer naar het veld en het dragen van het geweer in het veld, vallen evenals het voorhanden hebben, onder de uitzonderingsbepalingen van de Wet wapens en munitie. Dat mag dus ook.
Hagelpatronen bestaan uit hagelkorrels met een doorsnede van 3,5 millimeter of minder en bevatten geen metallisch lood. (art 3.14 lid 2 Besluit natuur) Onverminderd artikel 3.14, tweede en derde lid, worden met betrekking tot konijnen en houtduiven uitsluitend gebruikt:
  • hagelpatronen waarvan de korrelgrootte van de hagel een doorsnede van 3,5 millimeter niet overschrijdt, of kogelpatronen van een kaliber van .22 inch of 5,58 millimeter
  • Met betrekking tot hazen, fazanten en wilde eenden worden, onverminderd artikel 3.14, tweede lid, uitsluitend hagelpatronen gebruikt.
Bevoegdheid en wetgeving De bevoegdheid om (bepaalde aantallen) wapens en munitie voorhanden te mogen hebben is geregeld in het verlof of in de jachtakte. Daarbij zit ook de bevoegdheid om voor die wapens zelf munitie met kruit te mogen herladen, of kruit te gebruiken voor het schieten met zwartkruit-vuurwapens. Het bezit van dit kruit (in losse vorm) is geregeld in de Wet explosieven voor civiel gebruik (de Wecg). Wecg-erkenning Verlofhouders en jachtaktehouders kunnen voor het bezit van los kruit een vergunning krijgen bij de afdeling Korpscheftaken van de politie. Dit is de erkenning Wecg. Hierbij dient men zelf aan te geven dat men herlader is, of dit is vastgesteld bij een thuiscontrole Een erkenning (Wecg) wordt alleen verstrekt (en is alleen geldig) in combinatie met een bestaand verlof of jachtakte. Als het verlof of de jachtakte zijn geldigheid verliest, dan vervalt ook de bevoegdheid om kruit voorhanden te hebben. Registratieverplichting De Wecg stelt het bijhouden van een registratie verplicht. Dit betekent dat de herlader de aankoopbonnen van het kruit moet bewaren. Uit deze aankoopbonnen moeten blijken waar het kruit is gekocht, om wat voor kruit het gaat en de hoeveelheid. De aankoopbonnen van het kruit moeten minimaal 3 jaar worden bewaard. Veiligheid Wanneer u de bevoegdheid krijgt om zelf munitie te mogen herladen (en daarvoor ook de toestemming het benodigde kruit te bewaren), of kruit gebruikt voor het schieten met zwartkruit-vuurwapens, dan krijgt u te maken met 3 veiligheidsaspecten. A. Veiligheid in de omgang met kruit
  • Leren van een ervaren collega verlofhouder of jager.
  • Een cursus te volgen (bijvoorbeeld via de KNSA).
  • Een cursus heeft het voordeel dat het kennis- en vaardigheidsniveau objectief is geborgd.
B. Het veilig opslaan van kruit en munitie Kruit Het opslaan van kruit valt onder verschillende wettelijke kaders. De milieuwetgeving bepaalt dat u maximaal 1 kilogram zwart buskruit of 3 kilogram (nitro) rookzwak buskruit vergunningsvrij mag opslaan. Slaat u beide soorten kruit op, dan mag het totaal van de opslag niet meer zijn dan 3kg. Hierbij geldt voor de berekening dat het zwart buskruit dubbel telt. Met andere woorden: 1kg zwart buskruit levert in de berekening 2kg op. Daarnaast zou dan nog maar 1kg rookzwak buskruit opgeslagen mogen worden. Ter illustratie enkele rekenvoorbeelden;
  • 1kg zwartbuskruit (berekend: 2kg) – rookzwak buskruit nog maximaal 1kg = totaal 3kg.
  • 0,5kg zwartbuskruit (berekend: 1kg) – rookzwak buskruit nog maximaal 2kg = totaal 3kg.
Munitie Voor de opslag van munitie geldt een maximum van 10.000 stuks. C. Het vervoer van kruit en munitie Kruit ,Het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen geeft een algemene vrijstelling voor het vervoer van maximaal 1kg buskruit. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen zwart en rookzwak buskruit. Munitie Het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen geeft ook een algemene vrijstelling voor het vervoer van maximaal 2.000 patronen (of 2.000 hulzen) binnen Nederland. De Regeling wapens en munitie kent nog een afzonderlijke vrijstelling voor vervoer binnen Europa. Hiervoor geldt een maximum van 1.000 patronen (schietwedstrijden of jacht) . Voor vervoer binnen Europa is bovendien het bezit van een Europese vuurwapenpas vereist. Overschrijding van de norm Het overschrijden van de normen die gelden voor het bezit of het vervoer van munitie en kruit kan ernstige consequenties hebben! Behalve het risico dat procesverbaal wordt opgemaakt kan ook worden besloten de aan u verleende vergunning in te trekken. In het kort Opslag aan huis Hoeveelheid Wettelijk kader Kruit 1 Kg zwart buskruit + 1 Kg rookzwak buskruit. Samen nooit meer dan (berekend 2:1) 3 Kg Besluit omgevingsrecht, Bijlage I, Cat. 3 Munitie 10.000 stuks Regeling wapens en munitie Vervoer nationaal Kruit 1 Kg maximaal, ongeacht de kruitsoort Besluit vervoer gevaarlijke stoffen, art. 4 Munitie 2.000 stuks Besluit vervoer gevaarlijke stoffen Vervoer internationaal Munitie 1.000 stuks (Europese vuurwapenpas noodzakelijk) Regeling wapens en munitie
In artikel 3.13 Besluit natuurbescherming is vermeld: Een geweer als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de Wn heeft een gladde loop met een kaliber van ten minste 24 en ten hoogste 12 of een getrokken loop met een nominaal kaliber van tenminste .22 inch of 5,58 millimeter. Een enkelloops hagelgeweer als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de wet heeft een magazijn dat ten hoogste twee patronen kan bevatten. Bepalend is dus of een geweer één of twee lopen heeft. Dan maakt het niet uit of het semi-automatisch of een pompgeweer is. Dit geldt echter alleen voor de Jacht, beheer en schadebestrijding, dus niet voor verlofhouders. Artikel 3.26 Wn Artikel 3.23 Besluit natuur
Indien U en uw zoon(thuis wonend) op grond van de respectievelijke wapenverloven, bevoegd zijn tot het voorhanden hebben van alle binnen het huishouden aanwezige vuurwapens, dan mogen deze vuurwapens in dezelfde kluis worden bewaard. Dit geldt uitdrukkelijk niet wanneer de verschillende personen binnen het huishouden, op grond van hun wapenverloven, bevoegd zijn tot het voorhanden hebben van verschillende wapens.

CMW 2018 Pt 8.4 OPBERGEN EN HET GEMEENSCHAPPELIJK GEBRUIK VAN WAPENS

8.4. GEMEENSCHAPPELIJK GEBRUIK VAN WAPENS

Het is niet ongebruikelijk dat verlof- of jachtaktehouders gemeenschappelijk gebruik willen maken van één of meerdere vuurwapen(s). Tegen het gemeenschappelijk gebruik van vuurwapens is geen bezwaar wanneer dit het toezicht en de controle op de naleving van wapenwettelijke voorschriften niet in gevaar brengt. Daarom moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan: 1. Slechts één verlof- c.q. jachtaktehouder (A) is bevoegd het wapen thuis te bewaren (voorhanden te hebben). Dit houdt in dat de andere verlof- c.q. jachtaktehouder (B) die het wapen op zijn verlof respectievelijk jachtakte vermeld heeft staan, het wapen – alvorens hij dit gaat gebruiken voor het doel waarvoor hem een verlof respectievelijk een jachtakte is verleend – eerst bij A moet ophalen om het na gebruik terstond weer bij A terug te brengen; 2. De verschillende verloven c.q. Jachtakten moeten ten aanzien van het gemeenschappelijk wapen onderling naar elkaar verwijzen en moeten aangeven wie van de verlof- c.q. jachtaktehouders bevoegd is het wapen thuis te bewaren; Een wapen dat vermeld staat op twee verloven of jachtakten telt bij de A-houder (dit is dus degene die het wapen voorhanden heeft op het moment dat het wapen niet gebruikt wordt voor de beoefening van de schietsport of de uitoefening van de jacht door de B-houder) mee voor het maximum aantal wapens dat hij of zij (op grond van artikel 43 van de RWM) voorhanden mag hebben. Bij de B-houder (dit is dus degene die het wapen leent van de A-houder en na gebruik terstond weer bij A terug brengt) telt het wapen niet mee voor de bepaling van het maximum aantal wapens dat hij of zij voorhanden mag hebben. Het aantal wapens dat met gebruikmaking van deze constructie op een verlof c.q. Jachtakte mag worden vermeld bedraagt maximaal 10 voor een verlof en maximaal 12 vuurwapens voor een jachtakte. Indien meerdere personen binnen een huishouden op grond van hun respectievelijke wapenverloven, allen bevoegd zijn tot het voorhanden hebben van alle binnen het huishouden aanwezige vuurwapens, mogen deze vuurwapens in dezelfde kluis worden bewaard. Dit geldt uitdrukkelijk niet wanneer de verschillende personen binnen het huishouden op grond van hun wapenverloven bevoegd zijn tot het voorhanden hebben van verschillende wapens.
  • De persoon aan wie een vergunning is verleend tot het voorhanden hebben van wapens en/of munitie dient – indien de wapens en de bijbehorende munitie thuis voorhanden worden gehouden – er voor te zorgen dat deze worden opgeborgen in afzonderlijke, deugdelijk afgesloten en voor onbevoegden niet gemakkelijk bereikbare bergplaatsen.
  • De wapens dienen dus gescheiden van de munitie te worden opgeborgen.
  • De hieronder genoemde bepalingen betreffende het opbergen van wapens en munitie zijn tevens van toepassing op essentiële onderdelen van wapens zoals bedoeld in artikel 3 van de Wet wapens en munitie.
  • De bepalingen zijn echter niet van toepassing op de (onderdelen van) wapens en (onderdelen van) munitie waarop de vrijstelling van artikel 18 van de Regeling wapens en munitie van toepassing is noch op lege hulzen en projectielen die bestemd zijn voor het herladen.
  • De onderstaande bepalingen zijn wel van toepassing op de opslag van slaghoedjes maar zijn niet van toepassing op de opslag van kruit. Het voorhanden hebben van kruit valt immers niet onder de werking van de WWM.
Circulaire wet wapens en munitie paragraaf 8.4
CMW 2018 geeft onder 2.5.1. WISSELLOPEN EN ANDERE ESSENTIËLE ONDERDELEN het navolgende hierover aan:
  • Indien ten behoeve van de schietsport een verlof tot het voorhanden hebben van een of meer vuurwapens is verleend, kunnen op dat verlof ook onder de WWM vallende onderdelen en hulpstukken (zie artikel 3 van de WWM) – bestemd voor deze vuurwapens – worden bijgeschreven op de jachtakte.
  • Hierbij kan onder meer worden gedacht aan (reserve)onderdelen of aan wissellopen/wisselsets van een ander kaliber die het mogelijk maken om met een ander (goedkoper) kaliber munitie te schieten.
  • Wisselsets en (reserve) onderdelen zoals lopen of sledes tellen niet mee, bij het bepalen van het (maximum) aantal wapens op Jachtakte/Verlof.
  • Voor de bijschrijving van een wisselloop/wisselset op het verlof/jachtakte dient de aanvrager een volledig ingevuld WM-3 formulier in te dienen.
  • In artikel 18, aanhef en onder g van de RWM, is een vrijstelling voor patroonmagazijnen opgenomen. Deze vrijstelling geldt slechts voor personen die bevoegd zijn de daarbij behorende wapens of munitie voorhanden te hebben.
  • Buiten de in deze vrijstelling bedoelde groep is voor het voorhanden hebben van patroonmagazijnen een verlof vereist. Patroonschakels, patroonbanden, patroonhouders en laadstrips zijn geen onderdelen en/of hulpstukken die specifiek bestemd zijn voor die wapens en van wezenlijke aard zijn en zijn derhalve niet verlofplichtig.
CMW 2018 pt 2.5.1.
CMW 2018 pt 5.2. TRAINEN VAN HONDEN OP SCHOTVASTHEID Aan personen die zich op serieuze wijze bezig houden met het africhten van honden die – na het behalen van een certificaat – kunnen worden ingezet als jacht-, bewakings- of politiehond, kan, voor het trainen op schotvastheid, een verlof worden verleend tot het voorhanden hebben van een tot categorie III behorend alarmpistool (of -revolver), alsmede van de bijbehorende munitie.
  • Een verlof kan tevens worden verleend aan een jachtaktehouder tot het voorhanden hebben voor een op zijn akte omschreven hagelgeweer voor het verschieten van de zogenaamde blanks (knalpatronen) voor het trainen van jachthonden tijdens georganiseerde trainingen en het mogelijk maken van wedstrijden en proeven volgens de reglementen van ORWEJA.
  • Ten aanzien van de aanvrager mag geen vrees voor misbruik bestaan.
  • Het verlof wordt verleend onder de volgende, op het verlofdocument bij te schrijven beperking: ‘Dit verlof is niet geldig voor hulpstukken die het wapen geschikt maken voor het verspreiden van weerloosmakende of traanverwekkende gassen of stoffen, en evenmin voor munitie die dergelijke gassen of stoffen verspreidt.’ Zo nodig kan tevens verlof tot vervoer worden verleend. Op het verlof document dient bij ‘beperkingen’, onder 1, het woord ‘schietbaan’ te worden vervangen door een omschrijving van de plaats waar het wapen pleegt te worden gebruikt.

CMW 2018 Pt 5.4. DUMMY LAUNCHERS EN LIJNWERPTOESTELLEN

Dummy-launchers en lijnwerptoestellen in de vorm van een geweer of pistool dienen te worden aangemerkt als vuurwapens in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie III, onder 1, van de WWM. Dummy-launchers en lijnwerptoestellen als handapparaat, die niet de vorm hebben van een vuurwapen, dienen te worden aangemerkt als toestellen voor beroepsdoeleinden die geschikt zijn om projectielen af te schieten zoals bedoel in artikel 2, lid 1, categorie III onder 2 van de WWM. Voor het voorhanden hebben van alle dummy-launchers en lijnwerptoestellen is derhalve een verlof vereist als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de WWM.

DUMMY LAUNCHERS

  • Het redelijk belang voor de verlening van een (draag)verlof voor een dummy-launcher – ten behoeve van het africhten van honden – kan worden aangetoond door het overleggen van een geldige jachtakte, een lidmaatschapsbewijs van een (jacht)hondenvereniging of een schriftelijke verklaring van het bestuur van een (jacht)hondenvereniging waaruit blijkt dat de aanvrager is aangesteld als hondentrainer.
  • Daarnaast dient de aanvrager aan te tonen dat de eigenaar of beheerder van het terrein waar het africhten van de honden plaats vindt geen bezwaar heeft tegen het gebruik van een dummy- launcher op zijn terrein. De aanvrager kan dit aantonen middels een schriftelijke verklaring van de eigenaar.
  • Indien de aanvrager van het verlof voor een periode langer dan een jaar in het buitenland verblijft, bestaat er geen bezwaar tegen om het verlof op voorhand voor meerdere jaren te verlengen.
  • Eigenaar van het betreffende terrein of door het overleggen van de eigendomspapieren indien de aanvrager zelf de eigenaar van het terrein is.
Verdovingsgeweren verschieten over het algemeen het verdovingsprojectiel door middel van lucht-, gas-, of veerdruk. Dergelijke wapens zijn dan ook over het algemeen aan te merken als een wapen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, categorie IV onder 4 van de WWM. Het voorhanden hebben van een dergelijk wapen is dan ook toegestaan aan een ieder die achttien jaar of ouder is. Uitgezonderd hiervan zijn de door de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen lucht-, gas-, of veerdrukwapens die zodanig gelijken op een vuurwapen dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn en die derhalve verboden wapens zijn in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie I, onder 7 van de WWM.

VERLOF TOT HET DRAGEN VAN EEN CATEGORIE IV WAPEN

Het dragen van een categorie IV wapen is uitsluitend toegestaan nadat hiervoor door de korpschef een verlof is verleend. Een redelijk belang voor de verlening van een dergelijk verlof kan aanwezig zijn indien de aanvrager aannemelijk maakt dat hij in het kader van zijn beroepsuitoefening te maken krijgt met situaties waarin het noodzakelijk is om door middel van een verdovingsgeweer een dier te verdoven. Het toedienen van verdovingsmiddelen aan dieren is echter – gelet op de artikelen 29, 30 en31 van de Diergeneesmiddelenwet, artikel 7 van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde en de artikelen 2 en 3 van de Kanalisatieregeling diergeneesmiddelen en -gemedicineerde voeders – uitsluitend toegestaan door of onder (direct) toezicht van een dierenarts Voorschriften en beperkingen Aan het verlof dienen de volgende beperkingen en voorschriften te worden verbonden:

BEPERKINGEN:

1. Het toedienen van verdovingsmiddelen door middel van het verdovingsgeweer is uitsluitend toegestaan door of onder (direct) toezicht van een dierenarts; 2. Het gebruik van het verdovingsgeweer op de openbare weg of op andere voor het publiek toegankelijke plaatsen is uitsluitend toegestaan na toestemming van de korpschef.

VOORSCHRIFTEN:

1. Het verdovingsgeweer dient tijdens het vervoer op een zodanig deugdelijke wijze te zijn verpakt, dat het niet voor onmiddellijk gebruik geschikt is; 2. Bij intrekking of bij het verlopen van de geldigheid van het verlof dient het verlof onverwijld ingeleverd te worden bij de korpschef; 3. De houder van het verlof houdt zich strikt aan de bepalingen, gesteld bij of krachtens de Wet wapens en munitie, alsmede aan de in het verlof vermelde voorschriften en beperkingen.
5.7. DODEN VAN LOSGEBROKEN EN/OF GEWOND VEE/WILD DIER Het doden van losgebroken en/of gewond vee/wild met een kogelgeweer kan noodzakelijk zijn indien een dier een gevaar vormt voor de veiligheid van personen en/of goederen en er geen reële mogelijk- heid is om het dier op een andere (verantwoorde) wijze aangereden-wild-zwijnonder controle te krijgen dan wel ter beëindiging van ondraaglijk lijden van het dier. Omdat het in principe niet verantwoord is om (groot) vee te doden met een projectiel uit een (politie)pistool (onder meer vanwege de beperkte ballistische eigenschappen van een dergelijk projectiel), kan de korpschef besluiten dat er een redelijk belang is om aan één of meerdere personen een verlof te verlenen voor het voorhanden hebben van een groot kaliber kogelgeweer. Een dergelijk verlof mag alleen verleend worden aan personen die in het bezit zijn van een geldige jachtakte en die aannemelijk hebben gemaakt dat zij met enige regelmaat te maken krijgen met situaties waarin het noodzakelijk is om losgebroken en/of gewond vee/wild te doden. Alvorens een dergelijk verlof wordt verleend dient de korpschef zich er van te vergewissen dat de desbetreffende persoon voldoende vaardig is in de omgang met een groot kaliber geweer en voldoende kennis heeft van de wijze waarop (groot) vee/wild geschoten moet worden.

CMW 2018 Pt 5.8. DODEN VAN GEKWEEKT GROFWILD

Het houden van dam- of edelherten voor de vleesproductie is in Nederland een steeds vaker voorkomend verschijnsel. Het doden van deze dieren middels de gebruikelijke methoden (schietmasker) is onwenselijk vanwege het feit dat er eerst een zekere manipulatie van het dier door de mens moet plaatsvinden om het dier in de voor die dodingsmethode vereiste positie te brengen. Een dergelijke manipulatie veroorzaakt bij dit soort niet gedomesticeerde dieren een ongewenste opwinding (stress) met negatieve gevolgen voor de kwaliteit van het vlees. Het doden middels een kogel door een daartoe bevoegd persoon heeft dan ook de voorkeur van de fokkers van deze dieren. Het op verzoek van de fokker doden van deze dieren kan dan ook een redelijk belang opleveren voor de verlening van een verlof tot het voorhanden hebben van een kogelgeweer. Een algemene voorwaarde voor de verlening van een dergelijk verlof is dat de aanvrager in het bezit moet zijn van een geldige jachtakte. Middels het overleggen van een geldige jachtakte toont de aanvrager aan dat hij geoefend is in het doden van dieren met gebruikmaking van een kogelgeweer. Bovendien wordt door het hanteren van deze voorwaarde onnodige uitbreiding van het wapenbezit veelal voorkomen. Aan een dergelijk verlof dienen de volgende beperkingen te worden verbonden:
  1. De bevoegdheid tot het doden van dieren geldt alleen voor als productiedieren gekweekt grofwild zoals bedoeld in artikel 13 van het Besluit doden van dieren (Stb. 1997, 235);
  2. Het doden van het gekweekte grofwild vindt plaats op het terrein waar deze dieren worden gehouden;
  3. Het wapen mag worden vervoerd van en naar die plaatsen waar het gekweekte desbetreffende grofwild wordt gehouden;
  4. Het doden van gekweekt grofwild met behulp van een geweer mag alleen plaatsvinden tussen zonsopgang en zonsondergang;
  5. Het gekweekt grofwild mag slechts worden gedood indien het geweer en de munitie voldoen aan de eisen zoals gesteld in artikel 10 en 11 van het Besluit beheer en schadebestrijding47;
  6. Bij het doden van gekweekt grofwild mag geen gebruik worden gemaakt van militaire kogelpatronen, met inbegrip van fosfor- of lichtspoorpatronen, noch van volmantel-kogelpatronen of kogels die niet vervormen bij het treffen van het dier;
  7. Bij het doden van het gekweekt grofwild mag de afstand tussen dier en schutter ten hoogste 25 meter bedragen;
  8. De houder van het verlof dient er zorg voor te dragen dat zijn burgerrechtelijke aansprakelijkheid, voor schade waartoe het verrichten van die handelingen met gebruikmaking van een geweer aanleiding kan geven, door een verzekering is gedekt.
CMW 2018 JAGEN IN HET BUITENLAND De houder van een geldige jachtakte mag zijn geweren tevens gebruiken voor het uitoefenen van de jacht in het buitenland. Gelet op het belang van het beheersen van het legale bezit van wapens en de onmogelijkheid van de politie om de jacht in het buitenland te controleren, levert de uitoefening van de jacht in het buitenland in principe geen redelijk belang op voor de verlening van een verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens. In het licht van de Europese eenwording heeft de Minister van Veiligheid en Justitie – na afstemming met de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit – besloten om de jacht binnen de Europese Unie wél aan te merken als een redelijk belang voor de verlening van een verlof. Voor de verlening van een verlof ten behoeve van de jacht elders in de Europese Unie dient de aanvrager te voldoen aan de volgende voorwaarden: a. de leeftijd van de aanvrager is tenminste 18 jaar; b. ten aanzien van de aanvrager mag geen ‘vrees voor misbruik’ bestaan (zie B 1.); c. de aanvrager dient met gunstig gevolg een erkend jachtexamen te hebben afgelegd zoals bedoeld in artikel 39, eerste lid, onder c, van de Wn; d. de aanvrager dient aan te tonen dat hij elders in de Europese Unie gerechtigd is om, met het wapen waarvoor hij een verlof aanvraagt, te jagen. De aanvrager kan dit aantonen door het overleggen van een geldige jachtakte van één van de lidstaten van de Europese Unie; e. door de verlening van het verlof c.q. bijschrijving op de jachtakte wordt het maximum aantal wapens zoals genoemd in artikel 43 van de RWM niet overschreden. Door het uitoefenen van de jacht in het buitenland kan niet worden aangetoond dat het ‘onontbeerlijk’49 is om van dit maximum af te wijken. f. Indien de aanvrager reeds in het bezit is van een geldige Nederlandse jachtakte dan dient het wapen te worden bijgeschreven op de jachtakte. Indien de aanvrager niet beschikt over een geldige Nederlandse jachtakte dan kan het wapen worden bijgeschreven op een verlof tot het voorhanden hebben.
Als een deugdelijke bergplaats voor wapens en/of munitie wordt uitsluitend aangemerkt een speciaal voor de opslag van wapens vervaardigde wapenkast/wapenkluis of een andere kluis die qua uitvoering en inbraakwerendheid daarmee kan worden gelijkgesteld. Een kluis dient deugdelijk te worden verankerd in de vloer of de muur van het gebouw tenzij de kluis van een dusdanig gewicht is (minimaal 200 kilo) dat het zo goed als uitgesloten is dat de kluis bij een inbraak kan worden meegenomen. Aan personen of instellingen die bevoegd zijn tot het voorhanden hebben van grote aantallen (meer dan 25) wapens (bijvoorbeeld wapenverzamelaars/musea) en personen of instellingen die bevoegd zijn tot het voorhanden hebben vwapenkast De omvang van de te treffen beveiligingsmaatregelen is uiteraard afhankelijk van de soort (gevaarzetting) en het aantal wapens of munitie dat in het gebouw ligt opgeslagen alsmede van de ligging en de beveiliging van het gebouw, hetgeen per geval zal moeten worden beoordeeld door een beveiligingsexpert van de politie. In het geval dat een verlof- c.q. jachtaktehouder een gedeelte van het jaar buiten zijn vaste woonplaats verblijft, bijvoorbeeld op een vakantieadres, en hij daar zijn vuurwapens voorhanden wil houden teneinde ter plaatse de jacht of de schietsport te kunnen beoefenen, bestaat er mijnerzijds geen bezwaar tegen dat de korpschef op het verlof c.q. de jachtakte de aantekening doet dat de vuurwapens ook voorhanden mogen worden gehouden op het tijdelijke adres. Is het tijdelijke adres van de verlof- c.q. jachtaktehouder gelegen buiten de regio waaronder de vaste woonplaats van de verlofhouder ressorteert dan is overleg – met de politiechef in de regio waaronder het tijdelijke adres ressorteert – geboden. Tevens dient aan laatstgenoemde politiechef een kopie van het verlof te worden toegezonden. Vanzelfsprekend dient de verlof- c.q. Jachtaktehouder op zijn tijdelijk adres eveneens over de mogelijk- heid te beschikken om zijn vuurwapens conform de in onderdeel B 8.1 van deze circulaire genoemde eisen op te bergen.
Print Friendly, PDF & Email

Reacties gesloten.