Jachtwapens

Jachtgeweren-kopje-960x200

Om te kunnen jagen in Nederland heb je een jachtgeweer nodig, dit is afhankelijk van de wildsoort die je wilt bejagen en is gebonden aan de toegestane kalibers zoals deze in het Uitvoeringsregeling Besluit Activiteiten Leefomgeving art’n:11.79 en 11.80 zijn vermeld per diersoort. Het schieten met pijl en boog, een techniek die vooral in de VS en Frankrijk aanhangers kent, is in Nederland verboden. Een overzicht van de technische wereld achter kolf, slot en loop.

DE GESCHIEDENIS:

Van het jachtgeweer gaat terug tot de uitvinding van het buskruit, waarmee keien of kogels uit een buis konden worden geknald. Betrouwbaar was dit schiettuig niet. Pas in het midden van de vijftiende eeuw was het vuurwapen minder gevaarlijk voor de gebruiker dan voor de ontvangende zijde. Het toepassen van een oorlogswapen ten behoeve van de jacht was een kleine stap, zij het dat de toenmalige robuuste vuurwapens eerder de benaming ‘kanon’ verdienden en dus buiten de hedendaagse definitie van jachtgeweer vallen. Sinds die tijd is het jachtgeweer op ergonomisch, metallurgisch en velerlei ander gebied verfijnd.

In de 17* eeuw werd het door de technische verbetering van het vuursteenslot mogelijk om met hagel op wild te schieten. Het zwartkruit uit die tijd was niet erg sterk en brandde relatief traag zodat ioopiengtes van 80 cm en langer nodig waren om de hagel voldoende snelheid te geven. Samenhangend met de opkomst van de moderne wetenschap werd in de loop van de 19″ eeuw de kwaliteit van het zwartkruit aanzienlek verbeterd. Door dit efficiëntere zwartkruit kon worden volstaan met een lengte van 76 of 71 cm.

Parallel aan deze ontwikkeling was de technische perfecti­onering van de lopen. Men beschikte over damastlopen van uitstekende kwaliteit en tegen het einde van de 19” eeuw kwamen de eerste stalen lopen. Hierdoor konden geweermakers een perfect uitgebalanceerd dubbelloops hagelgeweer in kaliber 12 bouwen met lopen van 71 of zelfs 76 cm lang. De lopen waren erg licht en dus dunwandig hadden vaak een uitstekende balans. De invoering van het nitrokruit heeft hieraan weinig veranderd. Wel moet worden opgemerkt dat het tegenwoordig eigenlijk uitsluitend gaat om handwerk-geweren en dat geschoten wordt met loodhagelpatronen met een gewicht van 28 gram en een maximale druk van 850 bar.

Artikel 11.76 BAL afmetingen  waaraan een jachtveld met voldoen

Artikel 11.79 BAL eisen waaraan een jachtwapen moet voldoen

Artikel 11.79 BAL toegestane munitie

1. Voor dieren van de volgende soorten voldoen de te gebruiken geweren en munitie ook aan de volgende eisen:
a. reeën: geweren met ten minste een getrokken loop en kogelpatronen voor getrokken loop waarvan de trefenergie ten minste 980 Joule op 100 m afstand van de loopmond bedraagt; en
b. edelherten, damherten en wilde zwijnen: geweren met ten minste een getrokken loop en kogelpatronen van een kaliber van ten minste 6,5 mm voor getrokken loop waarvan de trefenergie ten minste 2.200 J op 100 m afstand van de loopmond bedraagt.
2. Voor konijnen en houtduiven te gebruiken kogelpatronen hebben een kaliber van .22 inch of 5,58 mm.
3. Voor hazen, fazanten en wilde eenden worden alleen hagelpatronen gebruikt.

Er zijn globaal twee soorten jachtgeweren te onderscheiden: hagelgeweren en kogelgeweren. Er zijn ook wel andere geweren die voor de jacht worden gebruikt, zoals de ‘drieling’ die hagelpatronen én kogels verschiet, maar die zijn verre in de minderheid.

Het hagelgeweer verschiet kleine metalen balletjes: de hagel. Tot enkele jaren terug bestonden deze uit lood, maar tegenwoordig uit staal of andere milieuvriendelijke legeringen.

Er zit een doordacht systeem van verwijding en versmalling in. De hagel uit de patroon in de ‘kamer’ aan het begin van de loop komt direct nadat de trekker is overgehaald in de vernauwing van de ‘conus’. Deze versmalling is nodig om de afnemende gasdruk zoveel mogelijk te behouden: met de verplaatsing van de hagel door de loop neemt ook het volume toe. Daarna volgt een gewoon cilindrisch gedeelte dat aan het einde weer een vernauwing kent: de choke. Deze laatste engte is nodig om de hagelkolom als het ware te concentreren, zodat er genoeg ‘dekking’ op het wild is.

Overigens betekent een goede dekking niet dat er een maximale hoeveelheid hagel het, laten we zeggen, het konijn treft. Aangezien het dier door de shock van de inslag sterft, en niet door de penetratie van de hagel, is ‘juist voldoende’ hagel de beste dekking.

Deze bepaling van het begrip ‘dekking’ brengt met zich mee dat voor verschillende situaties verschillende chokes ideaal zijn. Wie in het bos jaagt, zal op kleinere afstand een goede dekking moeten bewerkstelligen dan bijvoorbeeld in een weiland waar het wild van grotere afstand moet worden geraakt. Omdat jagers tijdens één jacht meestal verschillende terreintypes betreden, heeft het dubbelloops jachtgeweer per loop een afwijkende choke.

Er zijn verschillende mechanismen op de markt die de jager de juiste loop kunnen laten kiezen, er zijn nu ook geweren waarvan men de chokes kan wisselen, doordat deze los in de bovenkant van de loop gedraaid kunnen worden. Dubbelloops geweren zijn in driesoorten te verdelen: juxtaposé, wanneer de lopen naast elkaar liggen, superposé als ze op elkaar zijn gemonteerd en de drieling, dit is een juxtaposé met daaronder een derde loop voor het afvuren van een kogel.

Technisch

In de tweede plaats wordt een hagelgeweer gericht door langs de lopen te kijken. Lange lopen maken het gemakkelijker om op het wild te richten. Zeker bij verre schoten. Afhankelijk van het gewicht en de gewichtsverdeling oefenen ze een stabiliserende invloed uit op de zwaai. Doorgaanszwaai en langere lopen wat vloeien der maar ook iets trager.

In de derde plaats geven korte lopen iets meer mondingsknal en ietsje meer opslag bij het schieten vanwege het ontbreken van massa. Lange lopen schieten rustiger. Dit verschijnsel wordt pas goed merkbaar bij het verschieten van zware ladingen of bij looplengtes van onder de 60 cm.

Over de lengte van de lopen zijn al heel wat discussie geweest de laatste decennia, met daaraan vastgekoppeld vele experimenten, de conclusie is dat op afstanden tot een meter of 30 – 35 de loop lengte er eigenlijk niet toe doet. Pas bij echt verre schoten zijn geweren met een langere loop in het voordeel, vanwege de langere viziering en de rustigere zwaai. Korte lopen zijn in het voordeel daar waar snel en kort bij geschoten moet worden. Tegenwoordig is een looplengte van 71 cm universeel. Lengtes van 76 cm zijn duidelijk in opkomst. E.e.a. moet ook worden gerelateerd aan het feit dat mensen steeds langer worden.

Hogere eisen

In Nederland wordt vrijwel uitsluitend met ijzer(staal)hagel geschoten. Het gebruik van staalhagel stelt hogere eisen aan de kwaliteit van de lopen. De huidige lopen zijn daarom over het algemeen wat dikker en dus zwaarder. Om toch een goede balans te behouden is het voor een geweer met een kolf van normale afmetingen een looplengte van 71 cm een goede keuze, voor langere schutters is een looplengte van 76 of in extreme gevallen zelfs langer aan te raden. Wel is het belangrijk is om te zorgen dat het geweer in balans blijft. Vaak zien we dat de lopen van moderne standaardgeweren al snel te zwaar worden of dat het totaalgewicht van het geweer te zwaar wordt.

Conclusie

Ballistisch gezien is een looplengte van 50 cm al voldoen­de .Voor algemeen gebruik is een looplengte van 71 tot 76 cm aan te raden, afhankelijk van de balansen het gewicht van het geweer, voor de jacht beter niet een te zwaar geweer kiezen. De balans van een geweer is voor het schieten zeker net zo belangrijk als de lengte van de lopen. Een slechte balans doet ook bij verre schoten het voordeel van de looplengte teniet.

Een hedendaags jachtgeweer is een precisie-instrument, dat volgens alle geraadpleegde wapenhandelaren een leven lang meegaat. Althans, voor wie het Nederlands gemiddelde van tweehonderd patronen per jaar aanhoudt ( jacht- kleiduiven schieten), en de oliespuit en poetsdoek zorgvuldig hanteert. Een simpel jachtgeweer kost zo’n duizend gulden. Aan deze prijs zit nauwelijks een plafond: wie wil, kan een geweer met een handgegraveerde ivoren en gouden sluitstuk en een wortelnotenhouten kolf laten maken. Zulke geweren zijn soms duurder dan de terreinwagens waarmee de eigenaars naar het jachtgebied worden vervoerd.

Een kogelgeweer heet ook wel een buks. Buksen worden gebruikt voor de jacht op ‘grofwild’, zoals herten, reeën en zwijnen. Het is verboden met hagel op deze dieren te schieten. Sommige kogelgeweren zijn enkelschots, andere hebben een heel magazijn, maar daarmee kan geen ‘salvo’ worden gegeven. Zulke ‘automatische’ geweren zijn verboden.

Het kogelgeweer kan, in tegenstelling tot een hagelgeweer, worden voorzien van een richtkijker. Helderheidversterkers en andere optische hulpmiddelen horen in het leger thuis. Voor de jacht zijn die in Nederland verboden en alleen toegestaan met een ontheffing van de Faunabeheereenheid ( in Limburg mogelijk voor de wilde zwijnen).

Hiervoor zijn verschillende mogelijkheden. De jager die uitsluitend op kleinwild gaat jagen dient ook zich regelmatig te oefenen op een kleiduivenbaan.

Een geoefend schutter is een eerste vereiste voordat men op wild mag schieten

Diegene die veel op grofwild gaan zoals reewild, wilde varkens of herten kunnen hun kogelgeweren regelmatig inschieten, voordat zij op jacht gaan, op de schietbanen van de diverse schietclubs, die in Nederland bestaan.

Het aantal wapens dat op een jachtakte mag staan cq. bijgeschreven worden is gelimiteerd in artikel 43 van de Regeling Wapens en Munitie (RWM). In de toelichting van dit artikel wordt vermeld dat bij de invulling van het begrip “onontbeerlijk” moet worden gekeken naar de concrete jachtactiviteiten, in het bijzonder of zich onder de door de jager voorhanden gehouden wapens doublures bevinden aangezien van (bij kogelgeweren) kalibers en type jacht waarvoor het wapen geschikt is.

Wanneer de jager een geweer op zijn jachtakte wenst bij te schrijven ( of te handhaven) ten aanzien waarvan hij reeds een vergelijkbaar wapen in zijn bezit heeft, zal van onontbeerlijkheid geen sprake zijn.

Het voorstaande ziet echter op de situatie als bedoeld in artikel 43, derde lid, RWM. Indien betrokkene reeds zes wapens in zijn bezit heeft, zal het voorhanden hebben van het zevende wapen getoetst moeten worden of dit wapen onontbeerlijk is.

Zolang dus het aantal van zes wapens nog niet is bereikt, staat niets in de weg om een (reserve)geweer op de jachtakte bij te schrijven. Dit zou anders zijn indien om bijschrijving van een vuurwapen wordt gevraagd dat niet als een geoorloofd jachtmiddel, zoals bedoeld in de Omgevingwet wordt toegestaan