Wilde zwijnen Limburg

Wild zwijn voorkomen en afschot Limburg

Wettelijke Status & Provinciaal Beleid

In het faunabeheerplan van de Fbe Limburg geldt, net als in de vorige beheerperiode, voor het Wilde Zwijn buiten de leefgebieden het beleid dat er daar strikt juridisch geen  instandhoudingdoelstelling is, wat kan betekenen dat er na afschot lokaal geen Wilde Zwijnen meer voorkomen. In de Nota Jacht en Wildbeheer waren bepalingen voor wat betreft het Wilde Zwijn vervat (leefgebieden en gebieden daarbuiten). In de vigerende beleidsnota Uitvoering Flora- en Faunawet geeft de provincie Limburg aan dat door integraal beheer de populatie van het Wild Zwijn in het Meinweg gebied op een voorjaarsstand van 60 dieren zal worden gehouden. Ook wordt in deze beleidsnota aangegeven dat de mogelijkheden om de omvang van het leefgebied te vergroten en de kwaliteit ervan te verbeteren zullen worden onderzocht.

Om een duurzame populatie in het leefgebied De Meinweg (inclusief het tijdens de afgelopen beheerplanperiode toegevoegde Meerlebroek) in stand te kunnen houden en overlast en schade in de aangrenzende landbouwgebieden te voorkomen, zijn in het verleden tussen Staatsbosbeheer, de gemeente Roerdalen, de WBE Roerstreek, de LLTB , de provincie en het Faunafonds de volgende afspraken gemaakt:

  • Een maximale voorjaarsstand van 60 exemplaren;
  • Rasters in goede conditie houden;
  • Plaatsen roosters en rasters;
  • In overleg met provincie, gemeenten en SBB aanleg nieuwe rasters;
  • Het gewenste afschot wordt door de FBE Limburg jaarlijks vastgesteld na advies van de WBE Roerstreek (het jaarlijks op te stellen regulatieplan Wild Zwijn).

In Nederland heeft het wild zwijn heeft het een natuurlijke vijand, de nieuwe vestigingen van de wolf vanuit Duitsland. Dit heef maar weinig invloed op de stand en de verspreiding in Limburg.  In de rest van Eurazië zijn dat o.a. de wolven, lynxen, beren en tijgers. De enige manier om het in ons Limburg te beheren is dus met de kogel, in drijfjachten of via de aanzit. Op de Veluwe wordt in de vrije wildbaan gestreefd naar een voorjaarsbestand van 840 varkens, welke stand in de afgelopen jaren veel hoger was, hetgeen er op neerkomt dat er na de jaarlijkse aanwas tussen de 2500 en 3000 en meer moe(s)ten worden geschoten, de grote rasters zoals op de Hoge Veluwe en de Kroondomein en niet meegeteld.

Nul-optie gebieden en verspreiding in Limburg

Het gebied van de Wildbeheereenheid “Susteren/Graetheide” is aangewezen als 0 optie gebied, dit wil zeggen dat er eigenlijk geen wilde varkens mogen voorkomen. Er worden regelmatig wilde varkens het hele jaar door gesignaleerd en bij schade zal er direct worden opgetreden, hierbij worden nu al regelmatig wilde zwijnen geschoten.

Wilde zwijnen voorkomen Limburg 2000-2014

Verspreiding wilde zwijnen in Limburg vanaf 2000 tot en met 2014

Overzicht afschot-verkeer slachtoffers en overige doodsoorzaken Limburg vanaf 2007 tot en met 2018

Totaal Limburg 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018
Afschot 98 331 261 283 229 260 265 382 521 621 841 1094
Verkeer slachtoffers 14 30 38 23 23 14 18 34 45 50 58 71
Overige doodsoorzaak 1 0 0 3 2 2 7 13 4 13 14 9
Totaal 113 361 299 309 254 276 290 429 570 684 913 1174

 

Meinweg gebied en Meerlebroek leefgebied wilde zwijnen Limburg

Leefgebied “De Meinweg,” en “Leefgebied Meerlebroek en (gele ovaal) Blankwater / Boukoul.”

 

Maatregelen

Om het risico op schade te kunnen verminderen is het nodig om naast afschot in te zetten op maatregelen die leiden tot een betere scheiding tussen natuurgebieden en agrarische percelen, om daarmee te bereiken dat Wilde Zwijnen voornamelijk in de natuurgebieden blijven.

Te denken valt daarbij aan de volgende maatregelen.

  • Rasters, op de grens tussen natuur- en landbouwgebieden, of binnen landbouwgebied, om landbouwgewassen te beschermen;
  • Het aanbieden van alternatief voedsel binnen natuurgebieden om te voorkomen dat dieren uitzwerven naar agrarische percelen;
  • Waarschuwingssystemen langs wegen en faunapassages, om de verkeersveiligheid te verbeteren;
  • Compartimentering, bijvoorbeeld door het mogelijk te maken om verbindingszones en ecoducten snel af te kunnen sluiten, om bij een eventuele uitbraak van een dierziekte de bewegingsvrijheid van de dieren te kunnen beperken;
  • Verbetering van de aanpak van afschot, waarbij met de wildbeheereenheden zal worden bekeken of een verdere optimalisatie van methodes voor populatiebeheer en schadebestrijding mogelijk is;
  • Samenwerking tussen jachtaktehouders, waarbij in gebieden met een grote schadedruk zal worden gestimuleerd dat jachtaktehouders beter samen werken, over de grens van het eigen jachtveld.

Extra maatregelen voor het verlagen van de stand wild zwijn en handhaven nul-optie buiten beheer gebieden de Meinweg en Meerlebroek

Er zijn vanuit het schadetafel overleggen door Wbe’s diverse voorstellen gedaan welke het beheer zouden kunnen verbeteren:

  • Afschot 24/7;
  • Toestaan afwijkende kalibers munitie (Brenekke en Ree patroon);
  • Toestaan voeren OP de grond, eventueel met Voer-strooi Automaat;
  • Toestaan Vangkooien;
  • Faciliteren afvoer slachtafval particulieren;
  • Toestemming Ministerie van Justitie voor gebruik geluiddemper;
  • Faciliteren Ondersteuningsteams, financieel en middels Opdracht indien nodig;
  • Faciliteren uitgebreidere bewegingsjacht (meer dan 6:6, honden niet verplicht aan de lijn);
  • Faciliteren aanschaf materialen (Nachtkijker, Mobiele Hoogzit, Cursus Bewegingsjacht etc.).

Meerdere punten hieruit zijn inmiddels door aangepaste ontheffingen beschikbaar of worden dat op korte termijn.

Wering en verjaging

Het actief verjagen en weren van wilde zwijnen van de grond van boeren is moeilijker naarmate de wilde zwijnen dichter bij het brongebied voorkomen, zoals aan de randen van leefgebieden. Het Faunafonds adviseert een brede groep aan mogelijke maatregelen, die afgewisseld moeten worden om effectief te blijven.

Weer- en verjaagmiddelen

  • Vlaggen
  • Flitslampen
  • Knalapparaten
  • Geurgordijn
  • Alternatief voedsel
  • Schrikdraad
  • Rasters

Navraag in de praktijk leert dat alleen een goed sluitend raster definitief de dieren van het perceel kan houden dan wel binnen het raster. Dit is wat de boeren meegaven in de interviews en is bevestigd tijdens de bijeenkomst.

Deze rasters zijn voor de landbouw effectief en op sommige plaatsen heeft het Faunafonds deze rasters aangeschaft. Het voorkomt een hoge schadeclaim op langere termijn. Het nadeel is dat het gebied minder toegankelijk wordt voor recreatie.

Een andere maatregel is om alternatief voedsel aan te bieden op plekken waar de dieren geen schade toebrengen aan gewassen. In de praktijk betekent het de maïs op het land oogsten en in het bos storten, ver weg van het perceel. Daarmee is tevens het dilemma geschetst tussen landgebruik en wilde zwijnenschade. Een belangrijk deel van de schade wordt toegebracht aan maïs. Dit is een gewas dat veelal op veldkavels wordt verbouwd, verder van of zelfs los van het bedrijf dat het gebruikt. Loonwerkers huren soms land voor maïsteelt. De kavels rond natuur zijn in de praktijk vaak veldkavels en daarmee wordt de kat op het spek gebonden. Zo zijn in de zogenoemde agrarische enclave op de Veluwe vrijwel alle boeren gestopt met het telen van maïs. Als het zwijn een natuurlijke handicap is voor de boer – zoals dat op andere plekken de drooglegging is – kan verdedigd worden dat de boer zijn landgebruik aanpast aan de natuurlijke omstandigheden. Maar wie was er het eerst: de maïs of het wild zwijn en de maatschappelijke discussie over wilde zwijnen gaat niet alleen over maïspercelen die aan het bos grenzen.

Evaluatie afgelopen beheerperiode in Limburg: 2010 – 2018

Het aantal aangereden en afgeschoten Wilde Zwijnen fluctueert maar lijkt zich te stabiliseren tot zelfs te stijgen, nadat het enkele jaren een dalende lijn vertoonde. Vorig jaar was er veel voedsel beschikbaar voor de Wilde Zwijnen, en ook dit najaar lijkt er een redelijk aanbod aan eikels en beukennootjes beschikbaar, wat gecombineerd met de zeer zachte winter in potentie tot een zeer sterke groei van de lokale populaties Wilde Zwijnen kan gaan leiden.

Overzicht afschot-verkeer slachtoffers en overige doodsoorzaken Limburg vanaf 2007 tot en met 2018

Totaal Limburg 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018
Afschot 98 331 261 283 229 260 265 382 521 621 841 1094
Verkeer slachtoffers 14 30 38 23 23 14 18 34 45 50 58 71
Overige doodsoorzaak 1 0 0 3 2 2 7 13 4 13 14 9
Totaal 113 361 299 309 254 276 290 429 570 684 913 1174

De landbouwschade veroorzaakt door wilde zwijnen is toegenomen, zowel wat betreft het totale schadebedrag als in de ruimtelijke verspreiding van de schade. De schade is veelal geconcentreerd op weinig plaatsen waar grote schade ontstaat en kan daardoor provinciaal aanzienlijk zijn. Doordat de regels voor het indienen van schade bij het Faunafonds per 1 oktober 2014 zijn veranderd zal er minder schade worden aangemeld, waardoor het minder duidelijk wordt waar schade optreedt. De werkelijke directe en indirecte schade ligt hoger.

De schade die wilde zwijnen in het verkeer veroorzaken is onbekend, maar een schatting van de materiele schade ligt tussen de 0,5 en 1,5 mln. per jaar en is daarmee vijf keer zo groot dan de landbouwschade. Regionaal zijn er verschillen, want in Gelderland en Limburg neemt het aantal aanrijdingen af en in Noord-Brabant juist toe.

Ook komen er nu Wilde Zwijnen voor in gebieden waar dat tot voor kort nog niet zo was (Stramproy /Weert: uit België; Venray nabij Ysselsteyn: vanuit Brabant).

Daar waar men gebruik maakt van de ontheffing voor een nachtkijker worden zeer goede resultaten behaald. Met name het laatste jaar wordt deze meer en meer aangevraagd en ingezet: in 2013 werden 7 dieren met nachtzicht geschoten, in 2014 36 dieren (9%) en in 2015 zijn de aantallen al toegenomen tot 65% van het afschot, doordat steeds meer jagers ook over een nachtkijker gaan beschikken. Dit is een zware investering van al gauw zo’n € 1200,– tot € 2800, dit afhankelijk van de soort nachtkijker.

De 1:1 drukjacht ontheffing wordt nauwelijks aangevraagd of gebruikt, omdat het in de praktijk niet werkbaar is: het is lastig om geschikte terreinen te vinden, en de Wilde Zwijnen komen niet voldoende in beweging om dit zinvol toe te kunnen passen.

De Faunabeheereenheid Limburg is  dan ook van mening dat een uitgebreidere vorm van drukjacht, de zogeheten bewegingsjacht (waarbij meerdere personen zich rustig en langzaam door het veld begeven en er op diverse plekken mensen op hoogzitten zitten te wachten totdat de Wilde Zwijnen zich voorzichtig van de ene naar de andere dekking begeven) om meer mogelijkheden te hebben om in te grijpen als dat gewenst is.

Het lijkt er op dat in de huidige beheerpraktijk met de huidig beschikbare middelen een nulstand niet 100% haalbaar is. De aantallen lijken stabiel, maar de geografische verspreiding neemt wel toe.

In het nieuwe FBP zal worden verkend wat mogelijkheden zijn om realiteit en beleid dichter bij elkaar te brengen waarbij belangen van landbouw en natuur worden afgewogen.

Voorstel beheer:

Basis voor het beheer is een zo laag mogelijke kans op schade aan landbouwgewassen en risico’s voor de verkeersveiligheid. Indien dat te combineren is met het lokaal aanwezig blijven zijn van Wilde Zwijnen in enkele natuurgebieden kan dit gekoppeld aan het treffen van aanvullende maatregelen (o.a. rasters) en een betere en eerlijker schaderegeling mogelijk voor alle partijen een verbetering ten opzicht van de huidige situatie uit voortvloeien.

Ontheffingen Wet natuurbescherming

De aantallen wilde zwijnen worden gereguleerd door afschot, hiervoor is een ontheffing, conform artikel 3.17 Wn nodig, die verleend wordt door de provincies aan de Faunabeheereenheden, die deze weer doorgeven aan de aangesloten Wbe’s en individuele jachthouders.

De vergunninghouder kan de vergunning doorgeven andere jachtaktehouders die de vergunning op hun beurt rechtsgeldig kunnen overdragen aan een andere jachtaktehouder.

Gebruik kunstlicht-nachtzicht apparatuur. (deelontheffing 3)

In aanvulling op de reguliere bestrijding met een kogelgeweer is beperkt gebruik van kunstlicht  of nachtzichtapparatuur mogelijk.

NiteSite EagleDaar waar men gebruik maakt van de ontheffing voor een nachtzichtkijker worden zeer goede resultaten behaald. Met name het laatste jaar wordt deze meer en meer aangevraagd en ingezet: in 2013 werden 7 dieren met nachtzicht geschoten, in 2019  85 % van alle geschoten wilde zwijnen dus bijna 900 stuks

Hierbij geldt de voorwaarde dat op enig moment niet meer dan één jachtaktehouder met kunstlicht in het werkgebied van de FBE Limburg actief is.

Deze voorwaarde wordt als te beperkt ervaren. Het afschot van wilde zwijnen is geen jacht maar een opdracht van de overheid tot het bereiken van een 0-stand. Met deze beperking kunnen de ontheffinggebruikers de gewenste 0-stand niet bereiken.

Extra eisen stellen aan gediplomeerde en/of anderszins ervaren jagers is niet wenselijk en heeft geen wettelijke grondslag.

Advies: Neem als ontheffingsvoorwaarde op dat het veiligheidsprotocol “Zekerheid bij drukjachten” strikt opgevolgd dient te worden. Dit vergroot de veiligheid en het draagvlak voor de uitvoering van de ontheffing.

Drukjacht-Duitsland

Over het algemeen wordt een dichtheid van 2 à 3 per 100 ha leefgebied acceptabel geacht. Het als een natuurlijke verhouding van 1 : 1 mag niet door fouten in de bejaging gunste van de vrouwelijke zwijnen verschoven worden. Dit gebeurt heel snel, wanneer te veel overloper keiler en mogelijk ook nog keiler van 3 tot 4 jaar geschoten worden. Het gevolg van de te weinig aantallen keilers in de bestanden zijn, een te grootte aanwas, door te veel vrouwelijk zwartwild. Een verschuiving van de verhoudingen ten gunste van de keiler is in de vrije wildbaan nauwelijks te realiseren. In Nederland en Duitsland geldt dat bij het afschot de nadruk op de biggen en overlopers ligt en dat oudere zwijnen worden gespaard. Door het afschot zou normaal genomen op het minst de aanwas van het betreffende jaar verminderd moeten worden. Als gevolg van de hoge aanwas percentages van de frischlingen is het nodig om in hoofdzaak in deze jongste categorie tijdig afschot te verrichten, in deze categorie zijn ook de hoogste natuurlijke verliezen. Terughoudender moet men echter met de hierop volgende ouderdom klasse van de overlopers zijn; vooral voor de overloper keiler. Twee tot vierjarige zeugen zouden niet geschoten mogen worden. Bij de oudere zeugen is dan een klein afschot mogelijk.

De navolgende afschot samenstelling van de stand is na te streven;

  • Frischlingen: 80% (minstens)
  • Overlopers: 15% (hoogstens)
  • Sterke keiler en zeugen: 5%

Over het algemeen bestaat 75% van het afschot frischlingen, tot een gewicht van 40 kg. Regel is om zovroeg mogelijk met het afschot van de Frischlingen (biggen) te beginnen, vanaf het moment waarop ze ongeveer 5 tot 6 maanden oud zijn. Dit kan het beste gebeuren van eind oktober tot en met december.

De algemene grondbeginselen voor de jacht op wilde zwijnen (beheergebied);

  1. Uit een zwartwild groep moet als eerste, het zwakste exemplaar worden geschoten.
  2. Algemeen voor afschot vrijgegeven, zouden alleen exemplaren tot een bepaald lichaamsgewicht moeten worden. Voor het merendeel zou dit tussen de 40 tot 50 kg ontweid gewicht moeten liggen.
  3. Zulke gewichtsgrenzen zijn in overeenstemming met de huidige ontwikkeling van de zwartwild stand. Uit ervaring kan de stand op deze manier effectief gereguleerd worden.
  4. Individueel trekkende gezonde dieren moeten gespaard worden, behalve voor afschotrijpe exemplaren, die vrij gegeven zijn.
  5. In het bos moet het zwartwild gedurende de zomermaanden rust hebben! Jacht alleen in het veld, als er ernstige wildschade is of dreigt te ontstaan.
  6. Gevaar voor foutief afschot in hoogstaand veldgewas, vooral voor de leidende zeugen, daar de frischlingen dan vaak niet te zien zijn.
  7. Alleen bij voldoende licht jagen
  8. Alleen op breedstaande, op  1: 1 drukjachten ook trekkende of vluchtende zeugen schieten, waarbij steeds gedacht moet worden aan het evt. ziek schieten van het dier.
  9. Het zonder regels of afspraken jagen op het zwartwild heeft er tot nog toe er alleen maar toe geleid, dat daardoor de stand een onevenwichtige geslacht- en leeftijdstructuur krijgt, waardoor nog meer wildschade en ziekten, zoals de varkenspest kunnen ontstaan. Een niet onbelangrijk aspect bij het beheer is, dat in Duitsland het gehele jaar door op biggen mag worden gejaagd terwijl dit in Nederland beperkt is tot de periode 1 augustus tot en met 31 januari. De vergunninghouder dient binnen 14 dagen na afloop van de geldigheid van de vergunning, aan de Teammanager van LASER (LNV) vestiging Dordrecht, Postbus 1191, 3300 BD Dordrecht, schriftelijk een opgave te doen van het gebruik dat van de vergunning is gemaakt.

Bij deze rapportage dient het navolgende te worden vermeld:

  • het aantal gedode dieren ( gespecificeerd naar gewicht),
  • geslacht,
  • evt. leeftijd
  • afschotlocatie,
  • afschotdatum.
  • locatie waar geschoten of als valwild aangetroffen
  • conditie van het stuk ( drachtig, frishlingen geworpen)

Populatiebeheer in leefgebieden.

Hoe waarborg je de gewenste populatieomvang in de leefgebieden in Limburg?

De gewenste populatieomvang kan op verschillende manieren worden gewaarborgd.

  • Lokaal kan bijvoorbeeld een ‘nulstand’ worden gerealiseerd door òf het leefgebied van het Wild zwijn compleet in te rasteren òf de inliggende schade- en overlast gebieden te voorzien van een Wilde zwijnen kerend raster. Wanneer rasteren geen of slechts een gedeeltelijke oplossing is, zal er een balans gezocht moeten worden tussen de aantallen Wilde zwijnen en de acceptatiegrens met betrekking tot schade en of overlast.
  • Voor hoeveel Wilde zwijnen is er maatschappelijk draagvlak in plaats wat is de ecologische draagkracht. Dit betekent dat de aantallen op het gewenste niveau gebracht en gehouden moeten worden. Afschot is hiertoe het meest geëigende middel. Hierbij de opmerking dat de mogelijke populatieomvang gebaseerd moet zijn op de natuurlijke voedselsituatie. Echter, overal is het benuttingsgebied groter dan het bos- en natuurgebied, hetzelfde geldt voor het voedselaanbod. Er kunnen hierdoor meer Wilde zwijnen leven dan enkel en alleen op basis van het natuurlijke voedselaanbod.
  • De gewenste populatie zal in multifunctionele landschappen bepaald worden door draagvlak in de streek. In de regel zal dit een lage dichtheid betekenen vertaald in een gewenste populatieomvang of doelstand.
  • Waarborgen hebben te maken met de volgende aspecten (1 t/m 4).
    1) Nauwkeurige beeldvorming daadwerkelijke aantallen:
    – Schemertellingen.
    – Uitkomsten corrigeren voor dichtheid en voedselsituatie.
    – Uitkomsten corrigeren voor aanwas van na de telling.
    2) 100% realiseren noodzakelijk afschot:
    – Mastrijke jaren grootste noodzakelijk reductie voordat de mast valt.
    – Minder rijke jaren maximaal benutten om stand op afgesproken niveau te krijgen.
    3) Verantwoordelijkheden/uitvoering:
    – Terreineigenaren, grondgebruikers en jagers zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor een juiste uitvoering.
    – Alle terreineigenaren, grondgebruikers en jagers onderschrijven het afgesproken beheer uit het Faunabeheerplan.
    – Het niet goed uitvoeren leidt tot meer schade, maak alle partijen financieel verantwoordelijk.
    – Leg uitvoering vast in uitvoeringsplan met toetsbare maatregelen.
    – Wijs een coördinator aan die de uitvoering coördineert in het gehele leefgebied conform de gemaakte afspraken.
    – Beheer het gehele leefgebied gezamenlijk.
    – Zorg voor deskundige jagers.
    4) Monitoring
    – Monitor levende Wilde zwijnen (telling en jaarrondwaarnemingen).
    – Monitor geschoten Wilde zwijnen.
    – Monitor aanrijdingen.
    – Monitor landbouwschade.
    – Monitor overige schade en overlast.

Met betrekking tot het afschot is het navolgende van toepassing.

Conform het project serologisch onderzoek wilde zwijnen (projectnummer 701.939) van de gezondheidsdienst voor Dieren (GD) te Deventer dient direct na afschot bloedafname van wilde zwijnen plaats te vinden.

Handwijzer afnemen en inleveren Trichinemonsters.

 

image_pdfimage_print

Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.