Besluit Kwaliteit Omgevingswet (Flora- en fauna activiteiten)

INHOUD:

volgorde zoals van vermeld in het Besluit Kwaliteit Omgevingswet.

3.6.1. Algemeen

3.6.2 Natura 2000-gebieden

3.6.3 Bijzondere nationale natuurgebieden

3.6.4 Overige bepalingen

Afdeling 4.4 Beheerplannen Natura 2000-gebieden

Afdeling 4.7 programma met  vergunningvrije natura-2000 – Activiteiten of Flora- en Flora activiteiten

7.3.2 Omgevingsverordening met vergunningvrije Natura 2000-activiteiten of flora- en fauna-activiteiten

8.6.2 Flora- en fauna-activiteiten

Artikel 8.74o (voorschrift flora- en fauna-activiteit soorten habitatrichtlijn en andere soorten: toegestane middelen)

AFDELING 3.6 BESCHERMING HABITATS EN SOORTEN

3.6.1. Algemeen

Artikel 3.18 (rekening houden met economische, sociale, culturele en lokale omstandigheden)

Onverminderd de bij dit besluit voor taken en bevoegdheden op het gebied van de natuurbescherming en het beheer van natuurgebieden gestelde regels, houdt een bestuursorgaan bij de uitoefening daarvan rekening met de economische, sociale en culturele belangen, en met de regionale en lokale bijzonderheden.

Artikel 3.19 (maatregelen voor behoud of herstel habitats en soorten) 

  1. Het provinciebestuur draagt zorg voor het treffen van de maatregelen die nodig zijn voor:
  2. de bescherming, de instandhouding of het herstel van biotopen en leefgebieden in voldoende gevarieerdheid voor alle in Nederland van nature in het wild levende vogelsoorten en in het bijzonder de vogelsoorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en de niet in die bijlage genoemde geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten;
  3. het behoud of het herstel van een gunstige staat van instandhouding van de van nature in

Nederland in het wild voorkomende soorten dieren en planten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn, van de in Nederland voorkomende typen natuurlijke habitats, genoemd in bijlage I bij de habitatrichtlijn, en van de in Nederland voorkomende habitats van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn; en

  1. het behoud of het herstel van een gunstige staat van instandhouding van de met uitroeiing bedreigde of speciaal gevaar lopende van nature in Nederland in het wild voorkomende dier- en plantensoorten, genoemd in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vierde lid, onder a, onder 4°, van de wet.
  2. De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn zodanig afgestemd op de maatregelen van de provinciebesturen van de andere provincies, dat tezamen met die maatregelen de doelstellingen voor geheel Nederland kunnen worden bereikt.

 

3.6.2 Natura 2000-gebieden

Artikel 3.20 (eisen aan aanwijzingsbesluit)

  1. Een besluit tot aanwijzing van een Natura 2000-gebied als bedoeld in artikel 2.43, eerste lid, van de wet bevat instandhoudingsdoelstellingen voor in ieder geval:
  2. de leefgebieden voor vogelsoorten, voor zover nodig ter uitvoering van de vogelrichtlijn; of
  3. de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, voor zover nodig ter uitvoering van de habitatrichtlijn.
  4. In het besluit wordt de geometrische begrenzing van het gebied vastgelegd.

Artikel 3.21 (instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen)

Het provinciebestuur of, in de gevallen, bedoeld in artikel 2.19, vierde lid, van de wet, Onze in artikel 3.24 aangewezen minister, draagt zorg voor het treffen van de voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied of het onder zijn taak vallende gedeelte daarvan nodige:

  1. instandhoudingsmaatregelen als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn en artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; en
  2. passende maatregelen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn, waaronder:

1°. het besluit om de toegang tot een Natura 2000-gebied op grond van artikel 2.44, eerste lid, van de wet te beperken of te verbieden;

2°. de feitelijke handelingen, bedoeld in artikel 10.10a van de wet; en

3°. het in en rondom een Natura 2000-gebied aanbrengen van de nodige kentekenen die de aanwijzing als Natura 2000-gebied en de rechtsgevolgen daarvan kenbaar maken.

Artikel 3.22 (toegangsbeperking) 

  1. De toegang tot een Natura 2000-gebied wordt niet op grond van artikel 2.44, eerste lid, van de wet beperkt of verboden voor de eigenaar van een in het gebied gelegen onroerende zaak en voor degene die een zakelijk of persoonlijk gebruiksrecht heeft, voor zover door het verbod of de beperking de toegang tot de onroerende zaak ernstig zou worden belemmerd.
  2. In een besluit om de toegang tot een Natura 2000-gebied te beperken of te verbieden wordt de geometrische begrenzing vastgelegd van het gebied waarvoor de beperking of het verbod geldt.

Artikel 3.23 (begrenzing gebied bij compenserende maatregelen)

 Als een compenserende maatregel als bedoeld in artikel 9a.1, tweede lid, of 8.74b, tweede lid, onder c, voorziet in de ontwikkeling of verbetering van leefgebieden voor vogels, natuurlijke habitats of habitats voor soorten buiten een Natura 2000-gebied, zorgt Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ervoor dat deze leefgebieden of habitats een Natura 2000-gebied of een onderdeel van een Natura 2000-gebied worden.

Artikel 3.24 (aanwijzing voor maatregelen verantwoordelijke ministers)

De zorg voor het nemen van maatregelen voor Natura 2000-gebieden of gedeelten daarvan als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f, onder 2°, van de wet berust bij:

  1. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, voor een Natura 2000-gebied of gedeelte daarvan dat een oppervlaktewaterlichaam is dat is aangewezen in bijlage II, onder 1, bij het Omgevingsbesluit;
  1. Onze Minister van Defensie, voor een Natura 2000-gebied of gedeelte daarvan dat voor militaire doeleinden worden gebruikt;
  2. Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit:

1°. voor een Natura 2000-gebied of gedeelte daarvan dat wordt beheerd door een van Onze andere Ministers dan die, genoemd onder a en b; of

2°. als het gaat om de maatregelen, bedoeld in artikel 3.19, tweede lid, voor een Natura 2000-gebied of gedeelte daarvan dat wordt beheerd door een van Onze andere Ministers dan Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. 

3.6.3 Bijzondere nationale natuurgebieden

Artikel 3.25 (aanwijzing – gevallen waarin)

Een besluit tot aanwijzing van een bijzonder nationaal natuurgebied als bedoeld in artikel 2.43, tweede lid, van de wet wordt alleen genomen, als:

  1. het gebied is opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de habitatrichtlijn;
  2. het gebied onderwerp is van een procedure als bedoeld in artikel 5 van de habitatrichtlijn;
  3. in het gebied leefgebieden voor vogels, natuurlijke habitats of habitats van soorten worden ontwikkeld of verbeterd ter uitvoering van een compenserende maatregel als bedoeld in artikel 9a.1, tweede lid, onder c, of 8.74b, tweede lid, onder c; of
  4. bescherming van het gebied nodig is voor:

1°. de instandhouding of het herstel van biotopen en leefgebieden voor in Nederland natuurlijk in het wild levende vogelsoorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en de niet in die bijlage genoemde geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten, of

2°. het behoud of herstel van een gunstige staat van instandhouding van de natuurlijke habitats, de habitats van soorten of de soorten, genoemd in respectievelijk de bijlagen I, II, IV of V bij de habitatrichtlijn.

Artikel 3.26 (eisen aanwijzingsbesluit) 

  1. Een besluit tot aanwijzing van een bijzonder nationaal natuurgebied als bedoeld in artikel 2.43, tweede lid, van de wet bevat instandhoudingsdoelstellingen voor in ieder geval:
  2. de leefgebieden voor vogelsoorten, voor zover nodig ter uitvoering van de vogelrichtlijn; of
  3. de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, voor zover nodig ter uitvoering van de habitatrichtlijn.
  4. In het besluit wordt de geometrische begrenzing van het gebied vastgelegd.

Artikel 3.27 (toegangsbeperking)  

  1. Een besluit om de toegang tot een bijzonder nationaal natuurgebied op grond van artikel 2.43, tweede lid, van de wet te beperken of verbieden wordt genomen als dat nodig is voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied.
  2. De toegang wordt niet beperkt of verboden voor de eigenaar van een in het gebied gelegen onroerende zaak en voor degene die een zakelijk of persoonlijk gebruiksrecht heeft, voor zover door het verbod of de beperking de toegang tot de onroerende zaak ernstig zou worden belemmerd.
  3. In het besluit om de toegang te beperken of te verbieden wordt de geometrische begrenzing vastgelegd van het gebied waarvoor de beperking of het verbod geldt.

Artikel 3.28 (instandhoudingsmaatregelen)  

Feitelijke handelingen als bedoeld in artikel 10.10a, van de wet worden verricht, als dat nodig is voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen voor een bijzonder nationaal natuurgebied, en omvatten zo nodig het aanbrengen in en rondom een bijzonder nationaal natuurgebied van de nodige kentekenen die de aanwijzing als bijzonder nationaal natuurgebied en de rechtsgevolgen daarvan kenbaar maken.

3.6.4 Overige bepalingen

Artikel 3.29 (provinciale taak invasieve exoten)

Gedeputeerde staten dragen zorg voor het uitvoeren van uitroeiingsmaatregelen, beheermaatregelen en herstelmaatregelen als bedoeld in de artikelen 17, 19 en 20 van de invasieve-exoten-basisverordening met betrekking tot de in bijlage VA genoemde soorten.

Artikel 3.30 (aanwijzing nationaal park)

  1. Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kan een gebied als nationaal park aanwijzen, als:
  2. het een aaneengesloten gebied met een oppervlakte van ten minste 1.000 ha betreft:

1°. waarin zich een of meer ecosystemen bevinden die niet wezenlijk zijn aangetast door menselijk gebruik;

2°. waarin zich dier- en plantensoorten, ge morfologische locaties en habitats bevinden die een bijzonder natuurwetenschappelijk, educatief en recreatief belang vertegenwoordigen; of

3°. dat een natuurlijk landschap van grote schoonheid omvat;

    1. het behoud van de wezenlijke kenmerken van het gebied is verzekerd;
    2. het gebied is opengesteld voor bezoekers voor educatieve, culturele en recreatieve doeleinden, waarbij aan de openstelling voorwaarden en beperkingen kunnen worden verbonden met het oog op het behoud van de wezenlijke kenmerken van het gebied; en
    3. het gebied zich duidelijk onderscheidt van eerder aangewezen nationale parken.
    4. Aanwijzing gebeurt alleen op verzoek van gedeputeerde staten van de provincie of de provincies waarin het gebied ligt.

Artikel 3.31 (aanwijzing bevoegde instantie) 

  1. Als EU-verordeningen of richtlijnen over het verhandelen, het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben of het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van dieren, planten, hout en producten daarvan, of op de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten, verplichten tot het aanwijzen van een bevoegde instantie die is belast met de uitvoering van de verordening of richtlijn, is Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit deze instantie.
  2. Het eerste lid is alleen van toepassing als de minister geen andere instantie als bevoegde instantie heeft aangewezen.

Artikel 3.32 (verstrekking fytosanitaire certificaten en etiketten voor cites)

 Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit verstrekt op aanvraag:

  1. voor planten van bij ministeriële regeling aangewezen soorten fytosanitair certificaten in overeenstemming met artikel 17, tweede lid, van de cites-uitvoeringsverordening;
  2. etiketten als bedoeld in de artikelen 52, eerste lid, en 66, zesde lid, van de cites uitvoeringsverordening.

Artikel 3.33 (erkenning examens gebruik jachtgeweer, roofvogels en eendenkooien)

  1. Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit erkent een examen voor een jachtgeweeractiviteit, een examen voor een valkeniersactiviteit en een examen voor het gebruik van een eendenkooi alleen als de examens voldoen aan de eisen in de artikelen 11.88, 11.89, 11.90 en 11.91 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
  2. Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de examens aan die zijn erkend door de bevoegde autoriteit van een andere staat en die gelijkwaardig zijn aan een door hem erkend examen.

Artikel 3.34 (erkenning organisatie examens gebruik jachtgeweer, roofvogels en eendenkooien)

 Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit erkent een organisatie die examens voor een jachtgeweeractiviteit, examens voor een valkeniersactiviteit of examens voor het gebruik van een eendenkooi afneemt alleen als de organisatie voldoet aan de eisen in artikel 11.92 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

 AFDELING 4.4 BEHEERPLANNEN NATURA 2000-GEBIEDEN 

Artikel 4.26 (beheerplan Natura 2000)

 Een beheerplan Natura 2000 als bedoeld in artikel 3.8, derde lid, of artikel 3.9, derde lid, van de wet bevat, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, bedoeld in artikel 3.20, eerste lid, in ieder geval een beschrijving van de voor het Natura 2000-gebied:

  1. nodige instandhoudingsmaatregelen als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn en artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn;
  2. passende maatregelen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn; en
  3. beoogde resultaten van de maatregelen, bedoeld onder a en b.

AFDELING 4.7 PROGRAMMA MET VERGUNNINGVRIJE NATURA 2000 –

ACTIVITEITEN OF FLORA- EN FAUNA-ACTIVITEITEN

Artikel 4.33 (programma met vergunningvrije Natura 2000-activiteiten of  flora- en fauna-activiteiten)

  1. Een programma dat vergunningvrije Natura 2000-activiteiten aanwijst als bedoeld in artikel 11.18, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voldoet aan de artikelen 11.18, tweede lid, en 11.21 van dat besluit.
  1. Een programma dat vergunningvrije flora- en fauna-activiteiten aanwijst:
  2. als bedoeld in artikel 11.42, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving met betrekking tot vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, voldoet aan de artikelen 11.42, tweede lid, en 11.45, eerste lid,

Artikel 5.165a (bebouwingscontour jacht)

 In een omgevingsplan wordt voor de toepassing van de artikelen 11.72, vierde lid, en 11.77, derde lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving een bebouwingscontour jacht aangewezen aansluitend aan stedelijk gebied en aansluitende aan lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen.

Artikel 5.165b (bebouwingscontour houtkap)

 In een omgevingsplan wordt voor de toepassing van artikel 11.111, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving een bebouwingscontour houtkap aangewezen aansluitend aan stedelijk gebied.

  7.3.2 Omgevingsverordening met vergunningvrije Natura 2000-activiteiten of flora- en fauna-activiteiten

Artikel 7.8a (omgevingsverordening met vergunningvrije Natura 2000-activiteiten of flora- en fauna-activiteiten)

  1.  Een omgevingsverordening die vergunningvrije Natura 2000-activiteiten aanwijst als bedoeld in artikel 11.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voldoet aan artikel 11.21 van dat besluit.
  2. Een omgevingsverordening die vergunningvrije flora- en fauna-activiteiten aanwijst:
  3. als bedoeld in artikel 11.43 van het Besluit activiteiten leefomgeving met betrekking tot vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, voldoet aan artikel 11.45, eerste lid, van dat besluit;
  4. als bedoeld in artikel 11.51 van het Besluit activiteiten leefomgeving met betrekking tot dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IV bij de habitatrichtlijn, bijlage I of II van het Verdrag van Bern, of bijlage I van het Verdrag van Bonn, voldoet aan artikel 11.53, eerste lid, van dat besluit;
  5. als bedoeld in artikel 11.57 van het Besluit activiteiten leefomgeving met betrekking tot dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX bij dat besluit, voldoet aan artikel 11.59, eerste lid, van dat besluit.

 8.6.2 Flora- en fauna-activiteiten

Artikel 8.74g (toepassingsbereik en oogmerk)

 Deze paragraaf is van toepassing op flora- en fauna-activiteiten en is opgenomen met het oog op de natuurbescherming.

Artikel 8.74h (flora- en fauna-activiteit: soorten vogelrichtlijn) 

  1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.38, eerste lid, 11.39, eerste lid, 11.40, eerste lid, of 11.41 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:
  2. er geen andere bevredigende oplossing dan het verrichten van de activiteit bestaat;
  3. de activiteit nodig is:

1°. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;

2°. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

3°. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;

4°. ter bescherming van flora en fauna;

5°. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt; of

6°. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; en

    1. de activiteit niet leidt tot verslechtering van de staat van instandhouding van deze soort.
    2. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.38, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving tot beperking van de omvang van een populatie van vogels worden bij de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, alleen de belangen, bedoeld in dat onderdeel, onder 1°, 2°, 3° en 4°, in aanmerking genomen.
    3. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid wordt alleen verleend aan een faunabeheereenheid, tenzij de noodzaak ontbreekt voor het verrichten van de activiteit door tussenkomst van een faunabeheereenheid, in welk geval de omgevingsvergunning ook kan worden verleend aan een wildbeheereenheid of aan anderen.
    4. Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.41, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving die betrekking heeft op het gebruik van motorboten op open zee wordt alleen verleend als is voldaan aan de in bijlage IV, onder b, tweede gedachtestreepje, tweede zin, bij de vogelrichtlijn genoemde voorwaarden.

Artikel 8.74i (beoordelingsregels flora- en fauna-activiteit: soorten habitatrichtlijn) 

  1. Voor zover een aanvraag een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.47, eerste lid, 11.48, eerste lid, of 11.49, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt deze alleen verleend als:
  1. er geen andere bevredigende oplossing voor het verrichten van de activiteit bestaat;
  2. de activiteit nodig is:

1°. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;

2°. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;

3°. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;

4°. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daarvoor benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of

5°. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de omgevingsverordening of ministeriële regeling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de omgevingsverordening of ministeriële regeling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; en

    1. de activiteit geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
    2. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.47, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving tot beperking van de omvang van een populatie van dieren van soorten als bedoeld in dat lid, worden bij de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, alleen de belangen, bedoeld in dat onderdeel onder 1°, 2° en 3°, in aanmerking genomen.
    3. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid wordt alleen verleend aan een faunabeheereenheid, tenzij de noodzaak ontbreekt voor het verrichten van de activiteiten door tussenkomst van een faunabeheereenheid, in welk geval de omgevingsvergunning ook kan worden verleend aan een wildbeheereenheid of aan anderen.

Artikel 8.74j (beoordelingsregels flora- en fauna-activiteit: andere soorten)

  1.  Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.55 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:
  2. er geen andere bevredigende oplossing bestaat;
  3. de activiteit nodig is:

1°. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;

2°. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;

3°. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;

4°. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daarvoor benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of

5°. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de omgevingsverordening of ministeriële regeling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de omgevingsverordening of ministeriële regeling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;

6°. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;

7°. Voor het voorkomen van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen;

8°. Voor het beperken van de omvang van de populatie van in het wild levende dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;

9°. voor het voorkomen of bestrijden van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;

10°. in het kader van een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;

11°. in het kader van het bestendig beheren of onderhouden van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;

12°. in het kader van het bestendig beheren of onderhouden van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied; of

13°. in het algemeen belang; en

    1. de activiteit geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
    2. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.55, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving tot beperking van de omvang van een populatie van dieren van soorten als bedoeld in dat lid, worden bij de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, alleen de belangen, genoemd in dat onderdeel onder 1°, 2°, 3°, 7°, 9° en 13° in aanmerking genomen.
    3. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid wordt alleen verleend aan een faunabeheereenheid, tenzij de noodzaak ontbreekt voor het verrichten van de activiteiten door tussenkomst van een faunabeheereenheid, in welk geval de omgevingsvergunning ook kan worden verleend aan een wildbeheereenheid of aan anderen.

Artikel 8.74k (beoordelingsregels flora- en fauna-activiteit: bijvoeren)

 Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.61 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend:

  1. bij bijzondere weersomstandigheden; of
  2. bij een tijdelijk natuurlijk voedseltekort waardoor het welzijn van de dieren in het geding is.

Artikel 8.74l (voorschrift flora- en fauna-activiteit soorten vogelrichtlijn: algemeen)

 Aan een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.38, eerste lid, 11.39, eerste lid, 11.40, eerste lid, of 11.41 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden voorschriften verbonden, die inhouden:

  1. de middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden;
  2. de tijd en locatie waarvoor de omgevingsvergunning geldt;
  3. de soorten van vogels, of hun nesten, rustplaatsen of eieren waarvoor de omgevingsvergunning geldt; en
  4. de wijze waarop het risico voor het behoud van de vogelstand wordt beperkt.

Artikel 8.74m (voorschrift soorten vogelrichtlijn: toegestane middelen)

  1.  De in een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.38, eerste lid, 11.39, eerste lid, 11.40, eerste lid, of 11.41 van het Besluit activiteiten leefomgeving voorgeschreven middelen kunnen alleen zijn:
  2. geweren;
  3. honden, maar geen lange honden;
  4. aantoonbaar gefokte haviken (Accipiter gentilis), slechtvalken (Falco peregrinus) en woestijnbuizerds;
  5. kastvallen;
  6. vangkooien;
  7. vangnetten;
  8. eendenkooien;
  9. bal-chatri; en
  10. slag-, snij- of steekwapens.
  11. In een omgevingsvergunning wordt aan het gebruik van de woestijnbuizerd als voorschrift verbonden dat degene die de woestijnbuizerd gebruikt beschikt over een omgevingsvergunning voor een valkeniersactiviteit.
  12. In een omgevingsvergunning wordt aan het gebruik van de bal-chatri als voorschrift verbonden dat hierbij:
  13. geen gebruik wordt gemaakt van levende lokdieren;
  14. op voorhand wordt gewaarborgd dat de bal-chatri onder permanent direct toezicht staat van een deskundige; en
  15. gevangen dieren niet onnodig lang vastzitten en niet onnodig worden verwond.
  16. In een omgevingsvergunning wordt aan het gebruik van slag-, snij- of steekwapens als voorschrift verbonden dat het gebruik van deze middelen alleen is toegestaan:
  17. voor het doden van in nood verkerende, gewonde vogels;
  18. door personen die aantoonbaar de nodige kennis en vaardigheden bezitten om deze activiteit humaan en doeltreffend uit te voeren; en
  19. als er redelijkerwijs geen alternatief middel voor handen is met minder mogelijke nadelige gevolgen voor het welzijn van het desbetreffende dier.

Artikel 8.74n (voorschrift soorten vogelrichtlijn: toegestane methoden of installaties)

 De in een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.38, eerste lid, 11.39, eerste lid, 11.40, eerste lid, of 11.41 van het Besluit activiteiten leefomgeving voorgeschreven methoden of installaties voor het vangen of doden van vogels kunnen alleen zijn:

  1. het doden met gebruikmaking van middelen die krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn toegelaten of vrijgesteld, met inbegrip van het gebruik maken van alle middelen of installaties die noodzakelijk zijn om die middelen toe te passen;
  2. het vangen door middel van bijeendrijven, waaronder in ieder geval wordt begrepen het gebruik van de vangkraal in combinatie met een middel als bedoeld onder a;
  3. het vangen of doden met gebruikmaking van lokvogels;
  4. het vangen of doden met gebruikmaking van een middel waarmee lokgeluiden kunnen worden gemaakt;
  5. het doden met gebruikmaking van een geweer, waarbij op grond van een maatwerkvoorschrift of maatwerkregel wordt gehandeld in afwijking van de in de artikelen 11.77, 11.80, 11.81 en 11.84 van het Besluit activiteiten leefomgeving gestelde eisen met betrekking tot:

1°. de omvang van het jachtveld;

2°. het gebruik van middelen op, aan of bij het geweer, zoals een geluiddemper, een kunstmatige lichtbron, een voorziening om de prooi te verlichten, een vizier met beeldomzetter, een elektronische beeldversterker of een ander instrument om in de nacht te schieten;

3°. de munitie; of

4°. het gebruik van het geweer:

– voor zonsopgang of na zonsondergang;

– binnen de in een omgevingsplan aangewezen bebouwingscontour jacht, bedoeld in artikel 5.165a, of terreinen die onmiddellijk aan de bebouwingscontour grenzen;

– binnen de afpalingskring van een eendenkooi;

– vanaf of vanuit een rijdend voertuig; of

– vanuit een luchtvaartuig;

  1. het doden door middel van cervicale dislocatie; en
  2. het vangen of doden met gebruikmaking van lokvoer.
  3. Een vergunningvoorschrift dat betrekking heeft op het vangen of doden met gebruikmaking van lokvogels, kan alleen betrekking hebben op levende lokvogels als:
  4. het eksters, kauwen, zwarte kraaien, ganzen, eenden of spreeuwen betreft, die worden gebruikt voor het vangen van eksters, kauwen, zwarte kraaien, ganzen, eenden, dan wel spreeuwen met vangkooien, kastvallen of vangnetten;
  5. de vogels zijn gefokt;
  6. de vangkooien en kastvallen zodanig zijn vervaardigd dat in de kooi of val geen lichamelijk contact mogelijk is tussen de lokvogel en het te vangen dier;
  7. de vogels niet verminkt of blind zijn; en
  8. de vogels beschikken over voldoende voedsel, water, lucht, beschutting en bewegingsruimte.
  9. In een omgevingsvergunning wordt aan het gebruik van de methode van cervicale dislocatie als voorschrift verbonden dat het gebruik van deze methode alleen:
  10. is toegestaan voor het doden van in nood verkerende, gewonde vogels van een omvang kleiner dan of gelijk aan eenden;
  11. door personen plaatsvindt, die aantoonbaar de nodige kennis en vaardigheden bezitten om deze activiteit humaan en doeltreffend uit te voeren; en
  12. is toegestaan als redelijkerwijs geen alternatief middel voor handen is met minder mogelijke nadelige gevolgen voor het welzijn van het desbetreffende dier.

 

Artikel 8.74o (voorschrift flora- en fauna-activiteit soorten habitatrichtlijn en andere soorten: toegestane middelen)

 

  1. Aan een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.47, eerste lid, 11.49 of 11.55 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden voorschriften verbonden over de te gebruiken middelen.
  2. Als de omgevingsvergunning wordt verleend vanwege een belang als bedoeld in artikel 8.74h, eerste lid, onder b, onder 3°, of artikel 8.74j, eerste lid, onder b, onder 2°, worden slechts middelen voorgeschreven die nadelige gevolgen voor het welzijn van vogels en dieren voorkomen, of als dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperken.

 

Artikel 8.74p (voorschrift flora- en fauna-activiteit soorten habitatrichtlijn en andere

soorten: niet drijven van groot wild)

In een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.55 van het Besluit activiteiten leefomgeving die betrekking heeft op het doden of vangen van wilde zwijnen, reeën, damherten of edelherten worden voorschriften opgenomen die bepalen:

  1. dat dit niet door middel van drijven plaatsvindt; en
  2. of en onder welke voorwaarden een methode is toegestaan, waarbij één persoon wilde zwijnen opzettelijk verontrust met het oogmerk deze dieren binnen het schootsveld van één geweerdrager te drijven, opdat deze de dieren kan doden, en waarbij geen hond wordt ingezet.

 

 

AFDELING 8.6A OMGEVINGSVERGUNNING JACHTGEWEERACTIVITEIT

 

Artikel 8.74q (beoordelingsregels jachtgeweeractiviteit)

 

  1. Een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit wordt alleen verleend als de aanvrager:
  2. met goed gevolg een examen voor een jachtgeweeractiviteit heeft afgelegd dat is erkend door Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, of dat is erkend door de bevoegde autoriteit van een andere staat en door Onze Minister als gelijkwaardig aan door hem erkende examens is aangemerkt;
  3. de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
  4. jachthouder is van een jachtveld dat voldoet aan de daaraan gestelde eisen, bedoeld in artikel 11.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving, en lid is van de wildbeheereenheid waarbinnen zijn jachtveld ligt, of toestemming heeft van een jachthouder met dat lidmaatschap tot uitoefening van de jacht in zijn jachtveld; en
  5. een geldig bewijs van de verzekering, bedoeld in artikel 11.79 van het Besluit activiteiten leefomgeving, heeft overgelegd.
  6. Een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit wordt, ondanks voldoening aan de eisen, bedoeld in het eerste lid, geweigerd, als:
  7. er grond is om aan te nemen dat de aanvrager van de bevoegdheid een geweer en munitie voorhanden te hebben, van de bevoegdheid om de jacht uit te oefenen, of van de hem toekomende bevoegdheden in het kader van het beheren van populaties van in het wild levende dieren of het bestrijden van schadeveroorzakende dieren misbruik zal maken, of zodanig gebruik zal maken dat hij een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid kan gaan vormen;
  8. er grond is om aan te nemen dat de aanvrager nalatig zal zijn te doen wat een goed jager betaamt bij de uitoefening van de jacht;
  9. aan de aanvrager de bevoegdheid om de jacht uit te oefenen is ontzegd bij een rechterlijke uitspraak die voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, en de tijd waarvoor die bevoegdheid is ontzegd nog niet is verstreken;
  10. de aanvrager in de twee jaar voorafgaande aan de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit wegens één van de bij of krachtens de wet strafbaar gestelde feiten, of wegens een feit dat strafbaar is gesteld bij de Wet dieren, voor zover het gedragingen als bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2, 2.3, 2.5, 2.6, 2.7, 2.8, 2.9, 2.10, 2.13, 2.14 of 2.15 van die wet is veroordeeld, dan wel tegen hem daarvoor een strafbeschikking is uitgevaardigd, of als hem wegens overtreding van het krachtens de voornoemde artikelen van de Wet dieren bepaalde een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 8.7 van de Wet dieren is opgelegd; of
  11. de aanvrager in de acht jaar voorafgaand aan de beslissing op de aanvraag bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf als omschreven in de artikelen 92, 95, 95a, 108 tot en met 110, 115 tot en met 117, 121, 121a, 123 tot en met 124a, 131, 140 tot en met 141a, 142, 157, 164, 166, 168, 170, 179, 180, 242 tot en met 247, 248f, 249, 250, 273f, 274, 279, 281 tot en met 282b, 284 tot en met 285b, 287 tot en met 292, 300 tot en met 303, 307, 312, 317, 350, 352 of 381 tot en met 387 van het Wetboek van Strafrecht, of wegens het plegen van een misdrijf op grond van de Wet wapens en munitie of op grond van de Opiumwet.
  12. Voor de berekening van periode van acht jaar, bedoeld in het tweede lid, onder e, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.
  13. Een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit wordt in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, niet geweigerd als de aanvrager niet met gunstig gevolg een examen voor een jachtgeweeractiviteit heeft afgelegd, als hem vanwege het met gunstig gevolg behalen van een krachtens de Jachtwet erkend jachtexamen:
  14. in de periode van 1 januari 1977 tot en met 31 maart 2002 een jachtakte als bedoeld in de Jachtwet is uitgereikt; of
  15. in de periode van 1 april 2002 tot en met 30 september 2004 een jachtakte als bedoeld in de Flora- en faunawet is uitgereikt.

 

Artikel 8.74r (afwijking aanvrager zonder woonplaats in Nederland)

 

Artikel 8.74q, eerste lid, onder c, geldt niet als de aanvrager van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit:

  1. geen woonplaats in Nederland heeft; en
  2. genoegzaam aantoont dat hij gerechtigd is de jacht uit te oefenen in het land waarin hij zijn woon- of verblijfplaats heeft.

 

Artikel 8.74s (voorschrift bij aanvrager zonder woonplaats)

 

Als toepassing wordt gegeven aan artikel 8.74r, wordt aan een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit het voorschrift verbonden dat de houder zich bij het gebruik van het geweer bevindt in gezelschap van een in Nederland woonachtige houder van een geldige omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit.

 

AFDELING 8.6B OMGEVINGSVERGUNNING VALKENIERSACTIVITEIT

 

Artikel 8.74t (beoordelingsregels valkeniersactiviteit)

 

  1. Een omgevingsvergunning voor een valkeniersactiviteit wordt alleen verleend als de aanvrager:
  2. met goed gevolg een examen voor een valkeniersactiviteit heeft afgelegd dat is erkend door Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, of dat is erkend door de bevoegde autoriteit van een andere staat en door Onze Minister als gelijkwaardig aan door hem erkende examens is aangemerkt; en
  3. de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
  4. Een omgevingsvergunning voor een valkeniersactiviteit, wordt ondanks voldoening aan de eisen, bedoeld in het eerste lid, geweigerd, als:
  5. er grond is om aan te nemen dat de aanvrager van de bevoegdheid een roofvogel voorhanden te hebben, van de bevoegdheid om de jacht uit te oefenen, of van de hem toekomende bevoegdheden in het kader van het beheren van populaties van in het wild levende dieren en het bestrijden van schade misbruik zal maken, of zodanig gebruik zal maken dat hij een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid kan gaan vormen;
  6. er grond is om aan te nemen dat de aanvrager nalatig zal zijn te doen wat een goed jager betaamt bij de uitoefening van de jacht;
  7. aan de aanvrager de bevoegdheid om de jacht uit te oefenen is ontzegd bij een rechterlijke uitspraak die voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, en de tijd waarvoor die bevoegdheid is ontzegd nog niet is verstreken;
  8. de aanvrager in de twee jaar voorafgaande aan de aanvraag om de omgevingsvergunning voor een valkeniersactiviteit wegens één van de bij of krachtens de wet strafbaar gestelde feiten, of wegens een feit dat strafbaar is gesteld bij de Wet dieren, voor zover het betreft gedragingen als bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2, 2.3, 2.5, 2.6, 2.7, 2.8, 2.9, 2.10, 2.13, 2.14 of 2.15 van die wet is veroordeeld, of tegen hem daarvoor een strafbeschikking is uitgevaardigd, of als hem wegens overtreding van het krachtens de voornoemde artikelen van de Wet dieren bepaalde een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 8.7 van de Wet dieren is opgelegd; of
  9. de aanvrager in de acht jaar voorafgaand aan de beslissing op de aanvraag bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf als omschreven in de artikelen 92, 95, 95a, 108 tot en met 110, 115 tot en met 117, 121, 121a, 123 tot en met 124a, 131, 140 tot en met 141a, 142, 157, 164, 166, 168, 170, 179, 180, 242 tot en met 247, 248f, 249, 250, 273f, 274, 279, 281 tot en met 282b, 284 tot en met 285b, 287 tot en met 292, 300 tot en met 303, 307, 312, 317, 350, 352 of 381 tot en met 387 van het Wetboek van Strafrecht, of wegens het plegen van een misdrijf op grond van de Wet wapens en munitie of op grond van de Opiumwet.
  10. Voor de berekening van periode van acht jaar, bedoeld in het tweede lid, onder e, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.

 

HOOFDSTUK 11 ACTIVITEITEN DIE DE NATUUR BETREFFEN

 

AFDELING 11.1 ACTIVITEITEN MET MOGELIJKE GEVOLGEN VOOR NATURA 2000-GEBIEDEN OF BIJZONDERE NATIONALE NATUURGEBIEDEN

 

  • 11.1.1 Algemeen

 

Artikel 11.1 (activiteiten)

  1. Deze afdeling gaat over activiteiten die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kunnen hebben.
  2. Deze afdeling gaat niet over activiteiten die onderwerp zijn van het gemeenschappelijk visserijbeleid, bedoeld in artikel 38 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, voor zover zij worden verricht in de exclusieve economische zone.

 

Artikel 11.2 (oogmerken)

De regels in paragraaf 11.1.2 zijn gesteld met het oog op de natuurbescherming.

 

Artikel 11.3 (bevoegd gezag gedeputeerde staten)

Tenzij in artikel 11.4 anders is bepaald, zijn gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de activiteit geheel of in hoofdzaak wordt verricht het bevoegd gezag:

  1. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
  2. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te

 

Artikel 11.4 (bevoegd gezag Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit)

  1. Voor een Natura 2000-activiteit van nationaal belang als bedoeld in artikel 4.12 van het Omgevingsbesluit en voor een in het tweede lid van dat artikel aangewezen activiteit die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben is Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit het bevoegd gezag:
    1. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
    2. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te
  2. Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is ook het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen of dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen voor een activiteit met mogelijke verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een bijzonder nationaal natuurgebied.

 

Artikel 11.5 (normadressaat)

 

Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

 

Artikel 11.6 (specifieke zorgplicht)

 

  1. Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 1, eerste lid, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang, bedoeld in artikel 11.2, is verplicht:
    1. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
    2. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
    3. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
  2. De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat:
    1. voorafgaand aan het verrichten van activiteiten in, of in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kennis wordt genomen van de informatie in het aanwijzingsbesluit van het gebied over de leefgebieden voor vogelsoorten, natuurlijke habitats en habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen en de daarvoor geldende instandhoudingsdoelstellingen;
    2. wordt nagegaan of op voorhand op grond van objectieve gegevens verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen worden uitgesloten;
    3. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor de leefgebieden, natuurlijke habitats en habitats van soorten, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen;
    4. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om verslechterende of significant verstorende gevolgen, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, voor het betrokken gebied te voorkomen;
    5. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en
    6. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen als zich, ondanks de getroffen maatregelen, verslechterende of significant verstorende gevolgen voordoen voor de leefgebieden, natuurlijke habitats of habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

 

Artikel 11.7 (maatwerkregels)

 

  1. Een maatwerkregel kan in de omgevingsverordening worden gesteld over de artikelen 6, 11.12, 11.13 en 11.14.
  2. Met een maatwerkregel kan worden afgeweken van de artikelen 13 en 11.14.
  3. Een maatwerkregel kan worden gesteld met het oog op

 

 

Artikel 11.8 (afbakening mogelijkheid maatwerkregels)

 

Een maatwerkregel wordt niet gesteld over een activiteit waarvoor Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een bevoegdheid als bedoeld in artikel 11.4 heeft.

 

Artikel 11.9 (maatwerkvoorschriften)

 

  1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling worden verbonden, over de artikelen 11.6, 11.12, 11.13 en 11.14.
  2. Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 11.13 en 11.14.
  3. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling kan worden verbonden.
  4. Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een Natura 2000-activiteit zijn de beoordelingsregels en de bepalingen over vergunningvoorschriften in paragraaf 6.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 11.10 (algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden)

 

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.3 of 11.4, worden die ondertekend en voorzien van:

  1. de aanduiding van de activiteit;
  2. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
  3. het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
  4. de

 

Artikel 11.11 (gegevens bij wijzigen algemene gegevens)

 

  1. Voordat de naam of het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie, bedoeld in artikel 10, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.3 of 11.4.
  2. Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.3 of 11.4.

 

Artikel 11.12 (gegevens en bescheiden op verzoek van het bevoegd gezag)

 

  1. Op verzoek van het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.3 of 11.4, worden over een activiteit die wordt verricht of is voorgenomen en die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kan hebben, de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels, maatwerkregels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gelet op de
  2. Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

 

Artikel 11.13 (informeren over een ongewoon voorval)

 

Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.3 of 11.4, wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

 

Artikel 11.14 (gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval)

 

Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.3 of 11.4:

  1. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;
  2. gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en
  3. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet.

 

Artikel 11.15 (afbakening mogelijkheid maatwerk)

 

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de artikelen 11.13 en 11.14 niet versoepeld.

 

 

  • 11.1.2 Natura 2000-activiteiten

 

Artikel 11.16 (aanwijzing vergunningvrije gevallen: Natura 2000-toets in kader van ander besluit en visserij in de exclusieve economische zone)

 

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, geldt niet, als:

  1. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en toepassing is gegeven aan artikel 6, derde lid, of in voorkomend geval artikel 6, vierde lid, van de habitatrichtlijn; of
  2. de activiteit onderwerp is van het gemeenschappelijk visserijbeleid, bedoeld in artikel 38 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en plaatsvindt in de exclusieve economische

 

Artikel 11.17 (aanwijzing vergunningvrije gevallen: stikstofdepositie door tijdelijke activiteiten)

 

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, geldt in ieder geval niet als de activiteit:

  1. betrekking heeft op:

1°. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft; of

2°. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk; en

  1. afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten geen significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, de gevolgen van de depositie van stikstof door de onder a bedoelde activiteit, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen, buiten beschouwing gelaten.

 

Artikel 11.18 (aanwijzing vergunningvrije gevallen in programma)

  1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, geldt niet voor een Natura 2000- activiteit in gevallen aangewezen in een programma.
  2. Het programma:
    1. heeft geheel of ook betrekking op de inrichting, het beheer of het gebruik van een Natura 2000- gebied en bevat maatregelen om de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied te bereiken; of
    2. heeft tot doel, ook met het oog op een evenwichtige en duurzame economische ontwikkeling:

1°. de belasting van natuurwaarden van Natura 2000-gebieden door bepaalde schadelijke factoren te verminderen en de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken; of

2°. het beheer, de bescherming, het behoud of het herstel van de van nature in Nederland in het wild voorkomende soorten dieren of planten of de in Nederland voorkomende natuurlijke habitats of habitats van soorten of het verbeteren van de staat van instandhouding van die soorten; en

  1. wordt vastgesteld door of gezamenlijk met het bestuursorgaan dat, als geen toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, bevoegd is te beslissen op aanvragen om omgevingsvergunningen voor de betrokken Natura 2000-activiteiten.

 

Artikel 11.19 (aanwijzing vergunningvrije gevallen en gevallen beperking reikwijdte vergunningplicht in omgevingsverordening)

 

  1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, geldt niet voor een Natura 2000- activiteit in gevallen aangewezen in een omgevingsverordening.
  2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, geldt in gevallen aangewezen in een omgevingsverordening niet voor zover het gaat om gevolgen die samenhangen met een bij de omgevingsverordening bepaalde factor die een daarbij bepaalde drempel niet overschrijdt.

 

Artikel 11.20 (aanwijzing vergunningvrije gevallen en gevallen beperking reikwijdte vergunningplicht in ministeriële regeling)

 

  1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, geldt niet voor een Natura 2000- activiteit van nationaal belang als bedoeld in artikel 12 van het Omgevingsbesluit of als dat in het algemeen belang geboden is, in gevallen aangewezen bij ministeriële regeling.
  2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, geldt voor een Natura 2000- activiteit van nationaal belang als bedoeld in artikel 12 van het Omgevingsbesluit of als dat in het algemeen belang geboden is, in gevallen aangewezen bij ministeriële regeling niet voor zover het gaat om gevolgen die samenhangen met een bij de ministeriële regeling bepaalde factor die een daarbij bepaalde drempel niet overschrijdt.

 

Artikel 11.21 (begrenzing aanwijzing vergunningvrije gevallen)

 

  1. Een Natura 2000-activiteit wordt in een programma, een omgevingsverordening of een ministeriële regeling op grond van artikel 18, 11.19 of 11.20 alleen als vergunningvrij geval aangewezen als:
    1. op voorhand op grond van objectieve gegevens met zekerheid kan worden uitgesloten dat die activiteit afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben;
    2. een passende beoordeling als bedoeld in artikel 74b van het Besluit kwaliteit leefomgeving is uitgevoerd, waaruit de zekerheid is verkregen dat die activiteit de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten; of
    3. voor zover het een aanwijzing in een omgevingsverordening of ministeriële regeling betreft: de activiteit, met inachtneming van artikel 8.74b, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, kan worden gerechtvaardigd op grond van dwingende redenen van groot openbaar belang, het ontbreken van alternatieve oplossingen en het treffen van compenserende maatregelen die waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.
  2. Aan artikel 19, tweede lid, of artikel 11.20, tweede lid, wordt alleen toepassing gegeven, als:
    1. op voorhand op grond van objectieve gegevens met zekerheid kan worden uitgesloten dat de Natura 2000-activiteit afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten door de betrokken factor significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben; of
    2. een passende beoordeling als bedoeld in artikel 8.74b is uitgevoerd, waaruit de zekerheid is verkregen dat de Natura 2000-activiteit door de betrokken factor de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten.

 

AFDELING 11.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT DIEREN OF PLANTEN IN HET WILD

 

  • 11.2.1 Algemeen

 

Artikel 11.22 (activiteiten)

  1. Deze afdeling gaat over:
    1. flora- en fauna-activiteiten, waarover regels zijn gesteld in de artikelen 27 en 11.28 en de paragrafen 11.2.2 tot en met 11.2.5;
    2. het handelen volgens een faunabeheerplan, waarover regels zijn gesteld in paragraaf 2.6;
    3. de uitoefening van de jacht, waarover regels zijn gesteld in paragraaf 2.7;
    4. het gebruik en het onder zich hebben van middelen of installaties en het toepassen van methodes om dieren te vangen of te doden, waaronder het verrichten van een jachtgeweeractiviteit en een valkeniersactiviteit, en het verhandelen en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen of installaties om dieren te vangen of te doden, waarover regels zijn gesteld in paragraaf 11.2.8;
    5. het verhandelen, het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van dieren, planten of producten daarvan, waarover regels zijn gesteld in paragraaf 11.2.9;
    6. activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten tot gevolg hebben of kunnen hebben, waarover regels zijn gesteld in paragraaf 11.2.10; en
    7. het vangen, doden en verwerken van walvissen, waarover regels zijn gesteld in paragraaf 2.11.
  2. De paragrafen 2.2 tot en met 11.2.4 en 11.2.8 gaan niet over activiteiten die onderwerp zijn van het gemeenschappelijk visserijbeleid, bedoeld in artikel 38 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, voor zover zij worden verricht in de exclusieve economische zone.

 

Artikel 11.23 (oogmerken)

  1. De regels in de paragrafen 2.2 tot en met 11.2.5 over flora- en fauna-activiteiten zijn gesteld met het oog op de natuurbescherming.
  2. De regels in de paragrafen 2.6 en 11.2.7 over het handelen volgens een faunabeheerplan en de uitoefening van de jacht zijn gesteld met het oog op:
    1. de natuurbescherming;
    2. goed jachthouderschap;
    3. het voorkomen en bestrijden van schade door dieren; en
    4. het waarborgen van de
  3. De regels in paragraaf 2.8 over het gebruik, het onder zich hebben, het verhandelen en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen of installaties en het toepassen van methoden om dieren te vangen of te doden zijn gesteld met het oog op:
    1. de natuurbescherming;
    2. het waarborgen van de veiligheid;
    3. het beschermen van de gezondheid; en
    4. het beschermen van het
  4. De regels in paragraaf 11.2.9 over het verhandelen, het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben of het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van dieren, planten en producten daarvan zijn gesteld met het oog op natuurbescherming.
  5. De regels in paragraaf 2.10 over activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten tot gevolg hebben of kunnen hebben zijn gesteld met het oog op:
    1. de natuurbescherming;
    2. het beschermen van de gezondheid; en
    3. het beschermen van het
  6. De regels in paragraaf 2.11 over het vangen, doden en verwerken van walvissen zijn gesteld met het oog op het voorkomen van mogelijke nadelige gevolgen voor de staat van instandhouding van de walvisstand.

 

Artikel 11.24 (bevoegd gezag gedeputeerde staten)

 

Tenzij in artikel 11.25 anders is bepaald, zijn gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de activiteit geheel of in hoofdzaak wordt verricht het bevoegd gezag:

  1. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
  2. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te

 

Artikel 11.25 (bevoegd gezag Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit)

 

  1. Voor een flora- en fauna-activiteit van nationaal belang als bedoeld in artikel 4.12 van het Omgevingsbesluit is Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit het bevoegd gezag:
    1. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; of
    2. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te
  2. Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is ook het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen of dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen voor:
    1. een valkeniersactiviteit;
    2. het verhandelen, het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben of het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van dieren, planten en producten, voor zover het niet gaat om een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.38, 11.39 of 11.47; en
    3. activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten tot gevolg hebben of kunnen hebben.

 

Artikel 11.26 (normadressaat)

 

Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

 

Artikel 11.27 (specifieke zorgplicht)

 

  1. Degene die een flora- en fauna-activiteit of een activiteit als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onder b tot en met g, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.23, is verplicht:
    1. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
    2. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
    3. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
  2. Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat:
    1. voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van:

1˚. van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn;

2˚. van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn;

3˚. dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3˚, van de wet; en

4˚. voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats;

  1. als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten
  2. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten;
  3. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelig gevolgen te voorkomen;
  4. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en
  5. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen.
  6. Voor de uitoefening van de jacht en activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden houdt deze plicht in ieder geval in, dat eenieder die een in het wild levend dier doodt of vangt voorkomt dat het dier onnodig lijdt.

 

Artikel 11.28 (voorkomen onnodig lijden van dieren)

 

Eenieder die een in het wild levend dier doodt of vangt, voorkomt dat het dier onnodig lijdt.

 

Artikel 11.29 (maatwerkregels)

 

Een maatwerkregel kan in de omgevingsverordening worden gesteld over de artikelen 11.27, 11.34 en 11.35 en de paragrafen 11.2.6 en 11.2.8 en 11.2.9.

  1. Met een maatwerkregel kan worden afgeweken van de artikelen 34, 11.35 en 11.68 en de paragrafen 11.2.6, 11.2.8 en 11.2.9, tenzij anders is bepaald.
  2. Een maatwerkregel kan worden gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 23.

 

Artikel 11.30 (afbakening mogelijkheid maatwerkregels)

 

Een maatwerkregel wordt niet gesteld over een activiteit waarvoor Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een bevoegdheid als bedoeld in artikel 11.25 heeft.

 

Artikel 11.31 (maatwerkvoorschriften)

 

  1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel
  2. 5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling worden verbonden, over de artikelen 11.27, 11.34 en 11.35 en de paragrafen 11.2.6 en 11.2.8 tot en met 11.2.10.
  3. Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 34 en 11.35 en de paragrafen 11.2.6 en 11.2.8 tot en met 11.2.10, tenzij anders is bepaald.
  4. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling kan worden verbonden.
  5. Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een flora- en fauna-activiteit zijn de beoordelingsregels en de bepalingen over vergunningvoorschriften in paragraaf 6.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 11.32 (algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden)

 

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.24 of 11.25, worden die ondertekend en voorzien van:

  1. de aanduiding van de activiteit;
  2. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
  3. het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
  4. de

 

Artikel 11.33 (gegevens bij wijzigen algemene gegevens)

 

  1. Voordat de naam of het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie, bedoeld in artikel 32, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.24 of 11.25.
  2. Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 24 of 11.25.

 

Artikel 11.34 (informeren over een ongewoon voorval)

 

Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.24 of 11.25, wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

 

Artikel 11.35 (gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval)

 

Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.24 of 11.25:

  1. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;
  2. gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en
  3. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet.

 

Artikel 11.36 (afbakening mogelijkheid maatwerk)

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift worden de artikelen 11.34 en 11.35 niet versoepeld.

 

  • 11.2.2 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning soorten vogelrichtlijn

 

Artikel 11.37 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten vogelrichtlijn: schadelijke handelingen)

 

  1. Het verbod, bedoeld in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor:
    1. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn;
    2. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels;
    3. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of
    4. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder
  2. Het verbod geldt niet, als:
    1. het verrichten van die activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of
    2. de activiteit uitvoering geeft aan:

1˚. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of

2˚. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.

  1. Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort.

 

Artikel 11.38 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten vogelrichtlijn: commercieel bezit)

 

  1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor het verkopen, vervoeren voor verkoop, onder zich hebben voor verkoop of aanbieden voor verkoop van dode of levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, gemakkelijk herkenbare delen van die vogels of uit die vogels verkregen producten.
  2. Het verbod geldt niet voor vogels van soorten, genoemd in bijlage III, deel A, bij de vogelrichtlijn, die aantoonbaar in overeenstemming met de regels van dit hoofdstuk zijn gedood, gevangen of verkregen en op delen of producten van die vogels.

 

Artikel 11.39 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten vogelrichtlijn: niet- commercieel bezit)

 

  1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben of vervoeren van dode of levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, gemakkelijk herkenbare delen van die vogels of uit die vogels verkregen producten.
  2. Het verbod geldt niet, als:
  3. de vogels, delen of producten aantoonbaar in overeenstemming met de regels van dit hoofdstuk zijn gedood, gevangen, of verkregen;
  4. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of
  5. de activiteit deel uitmaakt van:

1˚. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of

2˚. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.

 

Artikel 11.40 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten vogelrichtlijn: wijze vangen of doden)

 

  1. Het verbod, bedoeld in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten geldt voor:
    1. het vangen of doden van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn met:

1°. middelen die worden genoemd in bijlage IV, onder a, bij die richtlijn;

2°. middelen, installaties of methoden voor het massaal of niet-selectief vangen of doden van vogels; of

3°. middelen, installaties of methoden waardoor een soort plaatselijk kan verdwijnen; en

  1. het achtervolgen van vogels van deze soorten met behulp van vervoermiddelen die worden genoemd in bijlage IV, onder b, bij de vogelrichtlijn, op de daar beschreven wijze.
  1. Tot de middelen, installaties of methoden, bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 2° en 3°, worden in ieder geval gerekend:
    1. eendenkooien die worden gebruikt anders dan voor de uitoefening van de jacht;
    2. bal-chatri;
    3. het doden met middelen die krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn toegelaten of vrijgesteld;
    4. het vangen of doden met een middel waarmee elektronisch versterkte lokgeluiden kunnen worden gemaakt; en
    5. het vangen of doden met een geweer dat is voorzien van een

 

Artikel 11.41 (aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten vogelrichtlijn in programma)

  1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 37 of 11.39 in gevallen aangewezen in een programma.
  2. Het programma:
    1. heeft geheel of ook betrekking op de inrichting, het beheer of het gebruik van een Natura 2000- gebied en bevat maatregelen om de instandhoudings-doelstellingen voor dat gebied te bereiken; of
    2. heeft tot doel, ook met het oog op een evenwichtige en duurzame economische ontwikkeling: 1°. de belasting van natuurwaarden van Natura 2000-gebieden door bepaalde schadelijke factoren te verminderen en de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken; of

2°. het beheer, de bescherming, het behoud of het herstel van de van nature in Nederland in het wild voorkomende soorten dieren of planten of de in Nederland voorkomende natuurlijke habitats of habitats van soorten of het verbeteren van de staat van instandhouding van die soorten; en

  1. wordt vastgesteld door of gezamenlijk met het bestuursorgaan dat, als geen toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, bevoegd is te beslissen op aanvragen om omgevingsvergunningen voor de betrokken flora- en fauna-activiteiten.

 

 

Artikel 11.42 (aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten vogelrichtlijn in omgevingsverordening)

 

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt in gevallen aangewezen in een omgevingsverordening niet voor:

  1. een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in de artikelen 37, eerste lid, en 11.39, eerste lid, met betrekking tot vogels van bij de omgevingsverordening aangewezen soorten, of hun nesten, rustplaatsen of eieren; of
  2. een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.40, met betrekking tot bij de omgevingsverordening aangewezen middelen, installaties, methoden of

 

Artikel 11.43 (aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten vogelrichtlijn in ministeriële regeling)

 

  1. Vergunningvrije gevallen als bedoeld in artikel 42 worden aangewezen in een ministeriële regeling, als:
    1. Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bevoegd gezag als bedoeld in artikel 11.25, eerste lid, is; of
    2. de flora- en fauna-activiteit wordt verricht door een grondgebruiker om schadeveroorzakende vogels van de volgende soorten te bestrijden:

1°. de Canadese gans (Branta Canadensis en Branta hutchinsii hutchinsii);

2°. de houtduif (Columba palumbus);

3°. de kauw (Corvus monedula); of

4°. de zwarte kraai (Corvus corone corone).

  1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt in bij ministeriële regeling aangewezen gevallen niet voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 38, eerste lid, met betrekking tot:
    1. dode of levende vogels van bij die regeling aangewezen soorten;
    2. gemakkelijk herkenbare delen van deze vogels; of
    3. uit deze vogels verkregen

 

 

 

 

 

Artikel 11.44 (begrenzing aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten vogelrichtlijn)

 

  1. Een flora- en fauna-activiteit wordt in een programma, een omgevings-verordening of een ministeriële regeling op grond van artikel 41, 11.42 of 11.43 alleen als vergunningvrij geval aangewezen als de activiteit voldoet aan artikel 8.74j, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
  2. Het bestrijden door de grondgebruiker van schadeveroorzakende vogels wordt alleen als vergunningvrij geval aangewezen in een omgevingsverordening of een ministeriële regeling op grond van artikel 11.42 of 11.43 en alleen als:
    1. het bestrijden voldoet aan artikel 74j, eerste lid, onder a en c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
    2. het bestrijden gebeurt op door de grondgebruiker gebruikte gronden, of in of aan door hem gebruikte opstallen, om schade die in het lopende of daarop volgende jaar dreigt op te treden op die gronden, in of aan die opstallen of in het omringende gebied te voorkomen;
    3. deze schade wordt veroorzaakt door vogels van in de omgevingsverordening of ministeriële regeling genoemde soorten en is aan te merken als:

1°. belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij, of wateren; of 2°. schade aan flora of fauna; en

voor zover het artikel 11.42 betreft, de in de omgevingsverordening genoemde vogelsoorten: 1°. niet in hun voortbestaan worden bedreigd en niet het gevaar lopen in hun voortbestaan te worden bedreigd;

2°. in de provincie schade veroorzaken; en

3°. niet overeenkomen met de in artikel 11.43, eerste lid, onder b, genoemde soorten.

  1. Het bestrijden door gemeenten van overlast veroorzakende vogels wordt alleen als vergunningvrij geval aangewezen in een omgevingsverordening op grond van artikel 42 en alleen als het bestrijden:
    1. voldoet aan artikel 74j, eerste lid, onder a en c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
    2. plaatsvindt binnen een in het omgevingsplan of de omgevingsverordening begrensde bebouwingscontour;
    3. plaatsvindt in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of de veiligheid van het luchtverkeer; en
    4. betrekking heeft op in de omgevingsverordening genoemde vogelsoorten die:

1°. niet in hun voortbestaan worden bedreigd en niet het gevaar lopen in hun voortbestaan te worden bedreigd; en

2°. in de provincie overlast veroorzaken.

  1. In een programma, een omgevingsverordening of een ministeriële regeling waarin vergunningvrije gevallen worden aangewezen die betrekking hebben op het vangen of doden van vogels wordt in ieder geval bepaald:
    1. welke van de middelen, installaties of methoden, bedoeld in de artikelen 74p en 8.74q van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor het vangen of doden zijn toegestaan, waarbij alleen middelen, installaties en methoden worden toegestaan die nadelige gevolgen voor het welzijn van dieren voorkomen of, als dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperken, waarbij het doden van dieren zoveel mogelijk wordt vermeden;
    2. voor welke tijd en plaats de aanwijzing geldt;
    3. voor welke soorten vogels, of voor de nesten, rustplaatsen of eieren van welke soorten vogels, de aanwijzing geldt; en
    4. op welke wijze het risico voor het behoud van de vogelstand wordt
  2. Een aanwijzing van vergunningvrije gevallen als bedoeld in het tweede lid geldt ook voor het bestrijden van schadeveroorzakende dieren door de persoon of wildbeheereenheid die daarvoor een door de grondgebruiker verleende schriftelijke en gedagtekende toestemming heeft.
  3. De beperking van de omvang van populaties van in het wild levende dieren wordt niet als vergunningvrij aangewezen.

 

Artikel 11.45 (aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten vogelrichtlijn op basis van aangewezen gedragscode)

 

  1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt in bij ministeriële regeling aangewezen gevallen niet voor flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in de artikelen 37, eerste lid, en 11.39, eerste lid, die in een bij die regeling aangewezen gedragscode worden beschreven en die:
    1. aantoonbaar worden uitgevoerd in overeenstemming met de gedragscode; en
    2. plaatsvinden in het kader van:

1°. het bestendig beheren of onderhouden van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;

2°. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw,

3°. een bestendig gebruik; of

4°. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.

  1. Een gedragscode wordt bij ministeriële regeling alleen aangewezen, als:
    1. de daarin beschreven activiteiten voldoen aan artikel 74j, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
    2. daarin een wijze van verrichten van activiteiten is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit afdoende is gewaarborgd dat:

1°. geen benutting of economisch gewin plaatsvindt van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; en

2°. de activiteiten met betrekking tot die vogels zorgvuldig worden verricht.

  1. Activiteiten worden in ieder geval zorgvuldig verricht als:
    1. daarvan geen wezenlijke invloed uitgaat op de soorten waartoe de vogels behoren; en
    2. in redelijkheid alles wordt gedaan of nagelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat:

1°. de vogels worden gedood;

2°. nesten van de vogels worden vernield, beschadigd of weggenomen, of rustplaatsen van vogels worden vernield; en

3°. eieren van de vogels worden vernield.

 

 

  • 11.2.3 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning soorten habitatrichtlijn

 

Artikel 11.46 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten habitatrichtlijn: schadelijke handelingen)

 

  1. Het verbod, bedoeld in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor:
    1. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn;
    2. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a;
    3. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a;
    4. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en
    5. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied.
  2. Het verbod geldt niet als:
    1. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan artikel 16, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
    2. de activiteit uitvoering geeft aan:

1˚ een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of

2˚een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.

  1. Onder de soorten, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden niet begrepen de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn.

 

Artikel 11.47 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten habitatrichtlijn: bezit)

 

  1. Het verbod, bedoeld in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor:
    1. het verkopen, vervoeren voor verkoop, verhandelen, ruilen of te koop of te ruil aanbieden van dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IV bij de habitatrichtlijn, bijlage I of II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; en
    2. het voor het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben of vervoeren van dieren of planten als bedoeld onder a.
  2. Het verbod geldt niet als:
    1. de dieren en planten aantoonbaar zijn gefokt of gekweekt;
    2. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan artikel 16, eerste lid, van de habitatrichtlijn;
    3. de activiteit deel uitmaakt van:

1˚. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of

2˚. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn; of

  1. de dieren of planten uiterlijk op 10 juni 1994 aantoonbaar in overeenstemming met de op dat moment geldende regelgeving aan de natuur waren onttrokken.

 

 

 

 

Artikel 11.48 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten habitatrichtlijn: wijze vangen of doden)

 

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor het vangen of doden van dieren, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, of bijlage II bij het verdrag van Bern, en het aan de natuur onttrekken van dieren van soorten, genoemd in bijlage V, onder a, bij de habitatrichtlijn, of bijlage III bij het verdrag van Bern, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, door het gebruik van niet-selectieve middelen die de plaatselijke verdwijning of ernstige verstoring van de rust van populaties van soorten tot gevolg kunnen hebben, waartoe in ieder geval behoren:

  1. de middelen, genoemd in bijlage VI, onder a, bij de habitatrichtlijn; en
  2. de vervoermiddelen, genoemd in bijlage VI, onder b, bij de

 

Artikel 11.49 (aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten habitatrichtlijn in programma)

  1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in de artikelen 11.46, eerste lid, en 11.47, eerste lid, in gevallen aangewezen in een programma.
  2. Het programma:
    1. heeft geheel of ook betrekking op de inrichting, het beheer of het gebruik van een Natura 2000- gebied en bevat maatregelen om de instandhoudings-doelstellingen voor dat gebied te bereiken; of
    2. heeft tot doel, ook met het oog op een evenwichtige en duurzame economische ontwikkeling:

1°. de belasting van natuurwaarden van Natura 2000-gebieden door bepaalde schadelijke factoren te verminderen en de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken; of

2°. het beheer, de bescherming, het behoud of het herstel van de van nature in Nederland in het wild voorkomende soorten dieren of planten of de in Nederland voorkomende natuurlijke habitats of habitats van soorten of het verbeteren van de staat van instandhouding van die soorten; en

  1. wordt vastgesteld door of gezamenlijk met het bestuursorgaan dat, als geen toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, bevoegd is te beslissen op aanvragen om omgevingsvergunningen voor de betrokken flora- en fauna-activiteiten.

 

Artikel 11.50 (aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten habitatrichtlijn in omgevingsverordening)

 

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor een flora- en fauna-activiteit in gevallen aangewezen in een omgevingsverordening:

  1. als bedoeld in de artikelen 46, eerste lid, en 11.47, eerste lid, aanhef en onder b, voor dieren of planten van bij de omgevingsverordening aangewezen soorten, of met betrekking tot voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van bij de omgevingsverordening aangewezen soorten; en
  2. als bedoeld in artikel 48, met betrekking tot bij de omgevingsverordening aangewezen middelen.

 

Artikel 11.51 (aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten habitatrichtlijn in

ministeriële regeling)

 

  1. Vergunningvrije gevallen als bedoeld in artikel 11.50 worden aangewezen in een ministeriële regeling als Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bevoegd gezag is als bedoeld in artikel 11.25, eerste lid.
  2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor een in een ministeriële regeling aangewezen flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 47, eerste lid, aanhef en onder a, met betrekking tot dieren of planten van bij de ministeriële regeling aangewezen soorten, of met betrekking tot voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van bij de ministeriële regeling aangewezen soorten.

 

Artikel 11.52 (begrenzing aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten habitatrichtlijn)

 

  1. Een flora- en fauna-activiteit wordt in een programma, een omgevingsverordening of een ministeriële regeling op grond van artikel 49, 11.50 of 11.51 alleen als vergunningvrij geval aangewezen als de activiteit voldoet aan artikel 8.74k, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
  2. Het bestrijden door de grondgebruiker van schadeveroorzakende dieren wordt alleen als vergunningvrij geval aangewezen in een omgevingsverordening op grond van artikel 50 en alleen als:
    1. het bestrijden voldoet aan artikel 74k, eerste lid, onder a en c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
    2. het bestrijden gebeurt op door de grondgebruiker gebruikte gronden, of in of aan door hem gebruikte opstallen, om schade die in het lopende of daarop volgende jaar dreigt op te treden in of aan die opstallen of in het omringende gebied te voorkomen;
    3. deze schade wordt veroorzaakt door dieren van in de omgevingsverordening genoemde soorten en is aan te merken als:

1°. schade aan de wilde flora of fauna, of natuurlijke habitats; of

2°. ernstige schade aan met name gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; en

  1. de in de omgevingsverordening genoemde diersoorten:

1°. niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen; en

2°. in de provincie schade veroorzaken.

  1. Het bestrijden door gemeenten van overlast veroorzakende dieren wordt alleen als vergunningvrij geval aangewezen in een omgevingsverordening op grond van artikel 50 en alleen als het bestrijden:
    1. voldoet aan artikel 74k, eerste lid, onder a en c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
    2. plaatsvindt binnen een in het omgevingsplan of de omgevings-verordening begrensde bebouwingscontour;
    3. plaatsvindt in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of om andere dwingende redenen van groot openbaar belang; en
    4. betrekking heeft op in de omgevingsverordening genoemde diersoorten die: 1°. niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen; en

2°. in de provincie overlast veroorzaken.

  1. In een programma, een omgevingsverordening of een ministeriële regeling waarin vergunningvrije gevallen worden aangewezen die betrekking hebben op het vangen of doden van dieren, wordt in ieder geval bepaald welke middelen voor het vangen of doden zijn toegestaan en worden alleen middelen toegestaan die nadelige gevolgen voor het welzijn van dieren voorkomen of, als dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperken, waarbij het doden van dieren zoveel mogelijk wordt vermeden.
  2. Een aanwijzing van vergunningvrije gevallen als bedoeld in het tweede lid geldt ook voor het bestrijden van schadeveroorzakende dieren door de persoon of wildbeheereenheid die daarvoor een door de grondgebruiker verleende schriftelijke en gedagtekende toestemming heeft.
  3. De beperking van de omvang van populaties van in het wild levende dieren wordt niet als vergunningvrij aangewezen.

 

Artikel 11.53 (vergunningvrije gevallen soorten habitatrichtlijn op basis van aangewezen gedragscode)

 

  1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt in bij ministeriële regeling aangewezen gevallen niet voor flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in de artikelen 46, eerste lid, en 11.47, eerste lid, aanhef en onder b, die in een bij die regeling aangewezen gedragscode worden beschreven en die:
    1. aantoonbaar worden uitgevoerd in overeenstemming met die gedragscode; en
    2. plaatsvinden in het kader van:

1°. het bestendig beheren of onderhouden van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;

2°. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw;

3°. een bestendig gebruik; of

4°. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.

  1. Een gedragscode wordt bij ministeriële regeling alleen aangewezen, als:
    1. de daarin beschreven activiteiten voldoen aan artikel 74k, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
    2. daarin een wijze van verrichten van activiteiten is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit afdoende is gewaarborgd dat:

1°. geen benutting of economisch gewin plaatsvindt van dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, en van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern; en

2°. de activiteiten met betrekking tot die dieren en planten zorgvuldig worden verricht.

  1. Activiteiten worden in ieder geval zorgvuldig verricht als:
    1. daarvan geen wezenlijke invloed uitgaat op de soorten waartoe de dieren of de planten behoren; en
    2. in redelijkheid alles wordt gedaan of nagelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat:

1°. de dieren worden gedood;

2°. voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de dieren worden beschadigd of vernield; 3°. eieren van de dieren worden vernield; en

4°. de planten worden geplukt, afgesneden, ontworteld of vernield.

 

  • 11.2.4 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning andere soorten

 

Artikel 11.54 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen andere soorten: schadelijke handelingen)

 

  1. Het verbod, bedoeld in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor:
    1. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A;
    2. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a; en
    3. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B.
  2. Het verbod geldt niet als:
    1. het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden;
    2. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of
    3. de activiteit deel uitmaakt van:

1˚. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of

2˚. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.

 

Artikel 11.55 (aanwijzing vergunningvrije gevallen andere soorten in programma)

 

  1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.54 in gevallen aangewezen in een programma.
  2. Het programma:
    1. heeft geheel of ook betrekking op de inrichting, het beheer of het gebruik van een Natura 2000- gebied en bevat maatregelen om de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied te bereiken; of
    2. heeft tot doel, ook met het oog op een evenwichtige en duurzame economische ontwikkeling:

1°. de belasting van natuurwaarden van Natura 2000-gebieden door bepaalde schadelijke factoren te verminderen en de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken; of

2°. het beheer, de bescherming, het behoud of het herstel van de van nature in Nederland in het wild voorkomende soorten dieren of planten of de in Nederland voorkomende natuurlijke habitats of habitats van soorten of het verbeteren van de staat van instandhouding van die soorten; en

  1. wordt vastgesteld door of gezamenlijk met het bestuursorgaan dat, als geen toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, bevoegd is te beslissen op aanvragen om omgevingsvergunningen voor de betrokken flora- en fauna-activiteiten.

 

Artikel 11.56 (aanwijzing vergunningvrije gevallen andere soorten in omgevingsverordening)

 

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt in een omgevingsverordening aangewezen gevallen niet voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.54 met betrekking tot dieren of planten van bij de omgevingsverordening aangewezen soorten, of met betrekking tot voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren van bij de omgevingsverordening aangewezen soorten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Artikel 11.57 (aanwijzing vergunningvrije gevallen andere soorten in ministeriële regeling)

 

Vergunningvrije gevallen als bedoeld in artikel 11.56 worden aangewezen in een ministeriële regeling, als:

  1. Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bevoegd gezag als bedoeld in artikel 11.25, eerste lid, is; of
  2. de flora- en fauna-activiteit wordt verricht door een grondgebruiker voor het bestrijden van schadeveroorzakende dieren van de volgende soorten:

1°. het konijn (Oryctolagus cuniculus); of

2°. de vos (Vulpes vulpes).

 

Artikel 11.58 (begrenzing aanwijzing vergunningvrije flora- en fauna-activiteiten andere soorten)

 

  1. Een flora- en fauna-activiteit wordt in een programma, een omgevingsverordening of een ministeriële regeling op grond van artikel 11.55, 11.56, of 11.57 alleen als vergunningvrij geval aangewezen als de activiteit voldoet aan artikel 74l, eerste lid, onder a, b en c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
  2. Het bestrijden door de grondgebruiker van schadeveroorzakende dieren wordt alleen als vergunningvrij geval aangewezen in een omgevingsverordening of een ministeriële regeling op grond van de artikelen 11.56 en 11.57 en alleen als:
    1. het bestrijden voldoet aan artikel 74l, eerste lid, onder a en c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
    2. het bestrijden gebeurt op door de grondgebruiker gebruikte gronden of in of aan door hem gebruikte opstallen, om schade die in het lopende of daarop volgende jaar dreigt op te treden op deze gronden, in of aan deze opstallen, of in het omringende gebied te voorkomen;
    3. deze schade wordt veroorzaakt door dieren van in de omgevingsverordening of ministeriële regeling genoemde soorten en behoort tot in de omgevingsverordening of ministeriële regeling omschreven categorieën van schade; en
    4. voor zover het artikel 56 betreft, de in de omgevingsverordening genoemde diersoorten:

1°. niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen;

2°. in de provincie schade veroorzaken; en

3°. niet overeenkomen met de in artikel 11.57, onder b, genoemde soorten.

  1. Het bestrijden door gemeenten van overlast veroorzakende dieren wordt alleen als vergunningvrij geval aangewezen in een omgevingsverordening op grond van artikel 56 en alleen als het bestrijden:
    1. voldoet aan artikel 74l, eerste lid, onder a en c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
    2. plaatsvindt binnen een in het omgevingsplan of de omgevingsverordening begrensde bebouwingscontour;
    3. plaatsvindt in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid, of om een bij de omgevingsverordening omschreven ander algemeen belang; en
    4. betrekking heeft op in de omgevingsverordening genoemde diersoorten die: 1°. niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen; en

2°. in de provincie overlast veroorzaken.

  1. In een programma, een omgevingsverordening of een ministeriële regeling waarin vergunningvrije gevallen worden aangewezen die betrekking hebben op het doden of vangen van dieren, wordt in ieder geval bepaald welke middelen daarvoor zijn toegestaan, waarbij alleen middelen worden toegestaan die nadelige gevolgen voor het welzijn van dieren voorkomen of, als dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperken, waarbij het doden van dieren zoveel mogelijk wordt
  2. In een programma, een omgevingsverordening of een ministeriële regeling waarin vergunningvrije gevallen worden aangewezen die betrekking hebben op het doden of vangen van wilde zwijnen, reeën, damherten of edelherten wordt bepaald:
    1. dat dit niet door middel van drijven plaatsvindt; en
    2. of en onder welke voorwaarden een methode is toegestaan, waarbij één persoon wilde zwijnen opzettelijk verontrust met het oogmerk deze dieren binnen het schootsveld van één geweerdrager te drijven, opdat deze de dieren kan doden, en waarbij geen hond wordt ingezet.
  3. Een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid geldt ook voor het bestrijden van schadeveroorzakende dieren door de persoon of wildbeheereenheid die daarvoor een door de grondgebruiker verleende schriftelijke en gedagtekende toestemming heeft.
  4. De beperking van de omvang van populaties van in het wild levende dieren wordt niet aangewezen als vergunningvrij geval.

 

Artikel 11.59 (vergunningvrije gevallen andere soorten op basis van aangewezen gedragscode)

 

  1. Het verbod, bedoeld in artikel 11.54, geldt niet voor bij ministeriële regeling aangewezen gevallen van activiteiten die in een bij die regeling aangewezen gedragscode worden beschreven en die:
    1. aantoonbaar worden uitgevoerd in overeenstemming met die gedragscode; en
    2. plaatsvinden in het kader van:

1°. het bestendig beheren of onderhouden van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;

2°. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; 3°. een bestendig gebruik; of

4°. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.

  1. Een gedragscode wordt bij ministeriële regeling alleen aangewezen als:
    1. de daarin beschreven activiteiten voldoen aan artikel 74l, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
    2. een wijze van verrichten van activiteiten is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit afdoende is gewaarborgd dat:

1°. geen benutting of economisch gewin van dieren en planten van de soorten, genoemd in bijlage IX, die zich bevinden in hun natuurlijke verspreidingsgebied plaatsvindt; en

2°. de activiteiten met betrekking tot die dieren en planten zorgvuldig worden verricht.

  1. Activiteiten worden in ieder geval zorgvuldig verricht als:
    1. daarvan geen wezenlijke invloed uitgaat op de soorten, genoemd in bijlage IX, die zich bevinden in hun natuurlijke verspreidingsgebied, waartoe de dieren of planten behoren; en
    2. in redelijkheid alles wordt gedaan of gelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat:

1°. die dieren worden gedood;

2°. voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van die dieren worden beschadigd of vernield; 3°. eieren van die dieren worden vernield; of

4°. die planten worden geplukt, afgesneden, ontworteld of vernield.

 

  • 11.2.5 Flora- en fauna-activiteiten: overige bepalingen omgevingsvergunning

 

Artikel 11.60 (aanwijzing vergunningplichtige activiteit: bijvoeren van specifieke soorten)

 

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor het bijvoeren van in het wild levende edelherten, damherten, reeën, wilde zwijnen, fazanten, wilde eenden, houtduiven, hazen of konijnen.

 

 

Artikel 11.61 (aanwijzing vergunningplichtige activiteit en vergunningvrije gevallen: uitzetten van dieren of eieren van dieren)

 

  1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor het uitzetten van dieren of eieren van dieren.
  2. Het verbod geldt niet voor het uitzetten van vis als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Visserijwet 1963 of voor het uitzetten van eieren van deze vis.
  3. Het verbod geldt niet in bij omgevingsverordening aangewezen gevallen voor dieren of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten.
  4. Vergunningvrije gevallen als bedoeld in het derde lid worden aangewezen bij ministeriële regeling:
    1. als Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bevoegd gezag als bedoeld in artikel 11.25, eerste lid, is; of
    2. als het gaat om een herintroductie van
  5. Een flora- en fauna-activiteit wordt op grond van het derde of vierde lid alleen als vergunningvrij geval aangewezen, als is voldaan aan artikel 8.74n, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor zover het uitzetten van dieren of eieren van dieren betreft, en aan artikel 8.74n, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor zover het een herintroductie van soorten betreft.

 

Artikel 11.62 (aanwijzing vergunningvrije gevallen: jacht)

§

De verboden, bedoeld in de artikelen 11.37, eerste lid, onder a en d, 11.46, eerste lid, onder a en b, en 11.54, eerste lid, gelden niet voor het bij de uitoefening van de jacht vangen, doden of verontrusten en met het oog daarop opsporen van wild in het jachtveld van een jachthouder, uitgevoerd in overeenstemming met artikel 11.64, eerste lid.

 

  • 11.2.6 Handelen volgens faunabeheerplan

 

Artikel 11.63 (handelen volgens faunabeheerplan) – (beheer en schadebestrijding)

 

  1. Het beperken van de omvang van populaties van in het wild levende dieren, het bestrijden van schadeveroorzakende dieren door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht worden uitgevoerd volgens het faunabeheerplan dat voor het betrokken gebied door de faunabeheereenheid is vastgesteld.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing op:
    1. het beperken van de omvang van populaties van exoten of verwilderde dieren; en
    2. het bestrijden van schadeveroorzakende exoten of verwilderde
  3. Met een maatwerkregel of een maatwerkvoorschrift wordt alleen van het eerste lid afgeweken als:
    1. sprake is van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit die wordt verleend aan een faunabeheereenheid, een wildbeheereenheid of anderen voor het beperken van de omvang van een populatie van dieren; en
    2. door de specifieke kenmerken van de betrokken diersoort of de aard of omvang van te verrichten activiteiten de noodzaak voor een faunabeheerplan voor die activiteiten ontbreekt, of sprake is van een opdracht van gedeputeerde staten om de omvang van de populatie terug te

 

  • 11.2.7 De uitoefening van de jacht

 

Artikel 11.64 (uitoefening van de jacht door de jachthouder of anderen)

 

  1. De verboden, bedoeld in de artikelen 37, eerste lid, onder a en d, 11.46, eerste lid, onder a en b, en 11.54, eerste lid, gelden niet bij de uitoefening van de jacht door:
    1. de jachthouder;
    2. degenen die in het gezelschap van de jachthouder zijn;
    3. de jachtopzichter van de jachthouder die:

1˚. beschikt over een door de jachthouder gegeven schriftelijke en gedagtekende toestemming;

2˚. zorg draagt voor de bescherming van de jachtbelangen van de jachthouder; en

3˚. ook als buitengewoon opsporingsambtenaar is belast met de opsporing van de in artikel 1a van de Wet op de economische delicten strafbaar gestelde feiten die betrekking hebben op de daar genoemde bepalingen van de Omgevingswet en van de overige in de akte of aanwijzing, bedoeld in artikel 142, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, aangeduide strafbare feiten; of

  1. een ander die beschikt over een daartoe door de jachthouder gegeven schriftelijke en gedagtekende toestemming, in het geval dat de jachthouder:

1˚. een natuurlijke persoon is aan wie een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit of een valkeniersactiviteit is verleend die op het tijdstip van ondertekening van de toestemming geldig is;

2˚. een rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie van samenwerkende jachthouders is; of

3˚. een bij ministeriële regeling aangewezen rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie is, die naar het oordeel van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, gelet op haar doelstelling en gelet op de kennis en kunde waarover de organisatie beschikt, een duurzaam beheer van populaties in het wild levende dieren in voldoende mate verzekert.

  1. De door de jachthouder gegeven schriftelijke en gedagtekende toestemming, bedoeld in het eerste lid, onder c en d:
    1. is voorzien van een aantekening van de korpschef waaruit blijkt dat het jachtveld waarop de jacht wordt uitgeoefend, voldoet aan artikel 11.76, voor zover bij de uitoefening van de jacht gebruik wordt gemaakt van een geweer;
    2. is voorzien van de namen, voornamen en geboortedata van degenen aan wie de toestemming wordt verleend; en
    3. heeft een geldigheidsduur die uiterlijk verstrijkt op 31 maart volgend op de datum van ondertekening van de toestemming.
  2. Voor een aan een jachtopzichter gegeven toestemming als bedoeld in het eerste lid, onder c, geldt niet het vereiste dat die is voorzien van een aantekening van de korpschef.
  3. Voor een aan een ander dan de jachtopzichter gegeven toestemming als bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet het vereiste dat diens personalia worden vermeld, als:
    1. die ander de jacht uitoefent in het gezelschap van degene aan wie de jachthouder toestemming heeft verleend;
    2. de jachthouder de uitoefening van de jacht door derden in die toestemming uitdrukkelijk heeft toegestaan; en
    3. aan die ander een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit of een valkeniersactiviteit is verleend die op het tijdstip van uitoefening van de jacht geldig

 

Artikel 11.65 (redelijke wildstand)

 

De jachthouder doet datgene wat een goed jachthouder betaamt om een redelijke stand van het in zijn jachtveld aanwezige wild als bedoeld in artikel 8.3, vierde lid, van de wet te handhaven, of, bij het ontbreken daarvan, te bereiken, en om schade door dat wild te voorkomen.

 

 

Artikel 11.66 (geen jacht in bepaalde gevallen)

 

  1. De jacht wordt niet uitgeoefend:
    1. voor zonsopgang en na zonsondergang;
    2. op zondagen, de nieuwjaarsdag, de tweede paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede pinksterdag en de beide kerstdagen;
    3. op begraafplaatsen;
    4. vanaf of vanuit een voertuig;
    5. vanaf of vanuit een vaartuig;
    6. vanuit een luchtvaartuig; of
    7. als de grond met sneeuw is
  2. De jacht wordt niet uitgeoefend op wild:
    1. als dat zich als gevolg van hoge waterstand ophoudt op hoog gelegen gedeelten van het terrein;
    2. voor zover dat zich bevindt in of in de nabijheid van wakken of bijten in het ijs;
    3. voor zover dat als gevolg van onvoldoende bevedering niet in staat is te vliegen;
    4. dat als gevolg van weersomstandigheden in uitgeputte toestand verkeert; of
    5. binnen een straal van 200 m rond plaatsen waar voer of aas is of wordt verstrekt om dat wild te

 

Artikel 11.67 (uitzonderingen)

 

  1. In afwijking van artikel 11.66, eerste lid, aanhef en onder a, mag de jacht op de wilde eend ook gedurende een half uur voor zonsopkomst en een half uur na zonsondergang worden
  2. In afwijking van artikel 11.66, eerste lid, aanhef en onder e, mag de jacht ook worden uitgeoefend vanaf of vanuit een vaartuig dat vaart met een snelheid van ten hoogste 5 km/u.
  3. In afwijking van artikel 11.66, eerste lid, aanhef en onder g, mag de jacht ook als de grond met sneeuw is bedekt worden uitgeoefend op:
    1. wilde eenden of houtduiven; of
    2. konijnen, hazen of fazanten, als deze dieren anders worden bejaagd dan voor de
  4. In afwijking van artikel 11.66, tweede lid, aanhef en onder e, mag de jacht ook worden uitgeoefend binnen een straal van 200 m rond plaatsen waar voer of aas is of wordt verstrekt om wild te lokken, als gebruik wordt gemaakt van een eendenkooi.

 

 

Artikel 11.68 (opening jacht)

 

De jacht op een wildsoort wordt alleen uitgeoefend als de jacht op die wildsoort bij ministeriële regeling is geopend.

 

Artikel 11.69 (afbakening mogelijkheid maatwerk: opening jacht)

 

Met een maatwerkregel kan de jacht op wildsoorten alleen worden gesloten, in de gehele provincie of een gedeelte daarvan, zolang bijzondere weersomstandigheden dat noodzakelijk maken.

 

Artikel 11.70 (einde duur huurovereenkomst op datum inschrijving ruilakte)

 

Bij het aangaan van een huurovereenkomst als bedoeld in artikel 8.3, eerste lid, onder d, van de wet mag worden bedongen dat, als een onroerende zaak waarop de overeenkomst betrekking heeft wordt opgenomen in een herverkavelingsakte als bedoeld in artikel 16.136, eerste lid, van de wet, en deze akte voor het einde van de duur van de overeenkomst in de openbare registers is ingeschreven, de huurovereenkomst, voor zover het die zaak betreft, eindigt met ingang van de datum waarop deze akte is ingeschreven.

 

Artikel 11.71 (middelen voor de jacht)

 

  1. Bij de uitoefening van de jacht worden geen andere middelen gebruikt dan:
    1. geweren;
    2. honden, maar geen lange honden;
    3. aantoonbaar gefokte haviken (Accipiter gentilis) of slechtvalken (Falco peregrinus);
    4. eendenkooien;
    5. lokeenden of lokduiven, die niet blind of verminkt zijn;
    6. fretten;
    7. buidels; of
  2. De jacht wordt niet uitgeoefend als zich in het veld andere middelen bevinden die geschikt zijn voor het vangen of doden van dieren dan de in het eerste lid genoemde middelen.
  3. Degene die zich in het veld bevindt met voor de jacht toegestane middelen of met andere middelen waarmee kan worden gejaagd, wordt geacht zich daarmee bij de uitoefening van de jacht in het veld te bevinden, tenzij het tegendeel blijkt.
  4. De jacht wordt niet uitgeoefend met het geweer binnen de in het omgevingsplan aangewezen bebouwingscontour jacht, bedoeld in artikel 165a van het Besluit kwaliteit leefomgeving, of op terreinen die onmiddellijk aan die bebouwingscontour grenzen.

 

  • 11.2.8 Het gebruik en het onder zich hebben van middelen of installaties en het toepassen van methodes om dieren te vangen of te doden, waaronder het verrichten van een jachtgeweeractiviteit en valkeniersactiviteit, en het verhandelen en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen of installaties om dieren te vangen of te doden

 

Artikel 11.72 (verboden locaties voor middelen voor het vangen of doden van dieren)

 

  1. Het is verboden zich buiten gebouwen te bevinden met een of meer van de volgende middelen of met materialen waarmee die middelen direct kunnen worden gemaakt, als moet worden aangenomen dat die middelen of materialen zullen worden gebruikt voor het doden of vangen van dieren:
    1. hagelpatronen die metallisch lood bevatten;
    2. klemmen, met uitzondering van klemmen die:

1°. alleen geschikt en bestemd zijn voor het vangen en doden van mollen, zwarte ratten, bruine ratten of huismuizen; of

2°. worden gebruikt bij het voorkomen van schade aan waterstaatswerken, veroorzaakt door muskus- en beverratten, door personen die in dienst zijn of handelen in opdracht van een waterschap en die aantoonbaar de nodige kennis en vaardigheden bezitten om deze taak doeltreffend uit te voeren;

  1. vallen, met uitzondering van kastvallen;
  2. strikken;
  3. vangkooien, met uitzondering van vangkooien geschikt en bestemd voor het vangen van verwilderde katten en verwilderde duiven binnen de bebouwde kom;
  4. lijm;
  5. netten, geschikt en bestemd om te worden gebruikt voor het vangen van vogels; of
  1. Het is verboden zich in een veld te bevinden met een dier dat hem toebehoort of onder zijn toezicht staat en dat in het veld dieren opspoort, doodt, verwondt, vangt of bemachtigt, tenzij het betreft:
    1. de uitoefening van de jacht met dieren als bedoeld in artikel 71, eerste lid; of
    2. het vangen of doden van dieren overeenkomstig een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit of overeenkomstig de omgevingsverordening of ministeriële regeling waarbij op grond van dit hoofdstuk vergunningvrije gevallen zijn aangewezen.
  2. Als met een maatwerkvoorschrift of maatwerkregel wordt afgeweken van het eerste lid, wordt rekening gehouden met het voorkomen van onnodig lijden bij het te doden of te vangen dier.

 

Artikel 11.73 (verboden handel in mistnetten)

 

Het is verboden netten, in banen, aan het stuk of in bepaalde vorm, vervaardigd van garens van synthetische of van kunstmatige vezels met een totale dikte van minder dan 150 deniers (16,2 mg/m) en waarvan de maaswijdte, gemeten over het garen, van knoop tot knoop, kleiner is dan 35 mm, te vervoeren, te verkopen, te koop aan te bieden, te kopen of onder zich te hebben.

 

Artikel 11.74 (afbakening mogelijkheid maatwerk: handel in mistnetten)

 

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift kan alleen worden afgeweken van artikel 11.73, als dit in overeenstemming is met de bij of krachtens de Benelux-overeenkomst over jacht en vogelbescherming gestelde regels.

 

Artikel 11.75 (toegestane activiteiten met geweren)

 

  1. Een geweer wordt ter uitvoering van de wet alleen gebruikt voor:
    1. de uitoefening van de jacht;
    2. het verrichten van een flora- en fauna-activiteit die betrekking heeft op het doden van dieren in overeenstemming met de daarvoor verleende omgevingsvergunning of in overeenstemming met de omgevingsverordening of ministeriële regeling waarbij op grond van dit hoofdstuk vergunningvrije gevallen zijn aangewezen;
    3. het bestrijden van exoten of verwilderde dieren, als dat in opdracht van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit of van gedeputeerde staten gebeurt, of als de betrokken diersoorten zijn aangewezen bij ministeriële regeling;
    4. het bestrijden van de zwarte rat, de bruine rat of de huismuis;
    5. het schieten van kleiduiven; of
  2. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder f, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een jachtgeweeractiviteit te verrichten, geldt niet in bij omgevingsverordening aangewezen Bij de aanwijzing wordt rekening gehouden met de belangen van de natuurbescherming, veiligheid, gezondheid en het milieu. Vergunningvrije gevallen worden aangewezen bij ministeriële regeling als Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bevoegd gezag is als bedoeld in artikel 11.25, eerste lid.

 

 

Artikel 11.76 (eisen omvang veld bij gebruik geweer)

 

  1. Een geweer wordt ter uitvoering van de wet alleen gebruikt op een jachtveld met:
    1. een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 40 ha, per jachthouder die in zijn hoedanigheid als jachthouder is gerechtigd tot het uitoefenen van de jacht in dat jachtveld; en
    2. afmetingen waarbinnen een cirkel met een straal van ten minste 150 m kan worden
  2. Als het ook anderen dan de jachthouder of de jachtopzichter, bedoeld in artikel 64, eerste lid, onder d, is toegestaan om in het jachtveld de jacht uit te oefenen, wordt de aaneengesloten oppervlakte van het jachtveld vermeerderd met 40 ha per ander aan wie het is toegestaan in dat jachtveld de jacht uit te oefenen.
  3. Bij het berekenen van de oppervlakte van het jachtveld worden niet meegerekend:
    1. gronden die liggen op een afstand van meer dan 350 m van het middelpunt van een cirkel met een straal van 150 m die het dichtst bij die gronden in het jachtveld kan worden beschreven;
    2. andere gronden dan die, bedoeld onder a, die van het middelpunt, bedoeld onder a, uit in rechte lijn slechts bereikbaar zijn over grond die tot een ander jachtveld behoort;
    3. openbare, verharde verkeerswegen, met uitzondering van grindwegen;
    4. begraafplaatsen; en
    5. de in een omgevingsplan aangewezen bebouwingscontour jacht, bedoeld in artikel 165a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en onmiddellijk aan die bebouwingscontour grenzende terreinen.
  4. Als afzonderlijke jachtvelden worden beschouwd, ook als zij grenzen aan gronden waarop het aan dezelfde persoon of personen is toegestaan de jacht uit te oefenen:
    1. gronden als bedoeld in het derde lid, onder a of b;
    2. delen van gronden waarbij de verbinding tussen deze delen op enig punt smaller is dan 50 m; en
    3. delen van gronden die van elkaar worden gescheiden door een autosnelweg als bedoeld in artikel 1, onder c, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of door een water, breder dan 10 m, als de jachthouder niet is gerechtigd daarop de jacht uit te oefenen.

 

Artikel 11.77 (afbakening mogelijkheid maatwerk: omvang veld bij uitoefening jacht)

 

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift wordt niet afgeweken van artikel 11.76 als het geweer wordt gebruikt bij de uitoefening van de jacht.

 

 

Artikel 11.78 (verzekering jachtgeweeractiviteiten)

 

  1. Een geweer wordt ter uitvoering van de wet alleen gebruikt als de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor de schade waartoe het gebruik van het geweer leidt, is gedekt door een verzekering, die is gesloten met een financiële onderneming die ingevolge artikel 48 van de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van schadeverzekeraar met beperkte risico- omvang mag uitoefenen.
  2. De verzekering geeft dekking van 1 april tot 1 april van het jaar daaropvolgend en geldt voor geheel Nederland.
  3. De verzekering dekt de aansprakelijkheid voor een bedrag van ten minste € 000.000 per gebeurtenis.
  4. De polis, bedoeld in artikel 932 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, van de verzekering bevat in ieder geval de volgende gegevens:
    1. de naam en het adres van de verzekeraar;
    2. de naam en het adres van de verzekeringnemer;
    3. het polisnummer;
    4. de dagtekening en het jaar van de ingang en van het einde van de dekking;
    5. de aanduiding van de personen die als verzekerden worden aangemerkt;
    6. het gebied waarin de verzekering van kracht is; en
    7. het verzekerde
  5. De houder van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit informeert de korpschef onverwijld over een wijziging van deze gegevens van de polis.

 

Artikel 11.79 (specificaties geweren en munitie)

 

  1. Een geweer en munitie worden ter uitvoering van de wet alleen gebruikt als is voldaan aan de eisen, bedoeld in dit artikel en in de artikelen 11.80 en 11.81.
  2. Een geweer heeft een gladde loop met een kaliber van ten minste 24 en ten hoogste 12 of een getrokken loop met een nominaal kaliber van ten minste .22 inch of 5,58 mm.
  3. Een enkelloops hagelgeweer heeft een magazijn dat ten hoogste twee patronen kan
  4. Een kogelgeweer heeft een magazijn dat ten hoogste twee patronen kan bevatten, tenzij het is voorzien van een grendelinrichting waarmee het wapen handmatig schot voor schot wordt
  5. Een geweer is niet voorzien van een geluiddemper, een kunstmatige lichtbron, een voorziening om de prooi te verlichten, een vizier met beeldomzetter, een elektronische beeldversterker of enig ander instrument om in de nacht te schieten.
  6. De munitie die wordt gebruikt in een geweer bestaat uit hagelkorrels met een doorsnede van 3,5 mm of minder of uit kogelpatronen, mits:
    1. de hagelkorrels geen metallisch lood bevatten; en
    2. de kogelpatronen geen militaire kogelpatronen zijn, met inbegrip van fosfor- of lichtspoorpatronen, kogelpatronen met volmantel of kogels die niet vervormen bij het

 

Artikel 11.80 (specificaties geweren en munitie voor bepaalde diersoorten)

 

  1. Voor dieren van de volgende soorten voldoen de te gebruiken geweren en munitie ook aan de volgende eisen:
    1. reeën: geweren met ten minste een getrokken loop en kogelpatronen voor getrokken loop waarvan de trefenergie ten minste 980 J op 100 m afstand van de loopmond bedraagt; en
    2. edelherten, damherten en wilde zwijnen: geweren met ten minste een getrokken loop en kogelpatronen van een kaliber van ten minste 6,5 mm voor getrokken loop waarvan de trefenergie ten minste 2.200 J op 100 m afstand van de loopmond bedraagt.
  2. Voor konijnen en houtduiven te gebruiken kogelpatronen hebben een kaliber van .22 inch of 5,58 mm.
  3. Voor hazen, fazanten en wilde eenden worden alleen hagelpatronen

 

Artikel 11.81 (afwijking bestrijding muskusratten en beverratten)

 

In afwijking van de artikelen 11.79 en 11.80 kan voor het voorkomen van schade aan waterstaatswerken, bestrijding van muskus- en beverratten plaatsvinden met gebruikmaking van het luchtdrukgeweer door personen die in dienst zijn of handelen in opdracht van een waterschap en die aantoonbaar de nodige kennis en vaardigheden bezitten om deze taak doeltreffend uit te voeren.

 

Artikel 11.82 (afbakening mogelijkheid maatwerk: specificaties munitie)

 

Met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift wordt afgeweken van de regels over de te gebruiken munitie in artikel 11.79, zesde lid, of 11.80, wordt rekening gehouden met de belangen van de natuurbescherming, veiligheid, gezondheid en milieu.

 

 

 

Artikel 11.83 (verboden tijden en locaties gebruik van het geweer)

 

  1. Het geweer wordt niet gebruikt:
    1. voor zonsopgang en na zonsondergang;
    2. binnen de in een omgevingsplan aangewezen bebouwingscontour jacht, bedoeld in artikel 5.165a van het Besluit kwaliteit leefomgeving, of op terreinen die onmiddellijk aan die bebouwingscontour grenzen;
    3. binnen de afpalingskring van een eendenkooi als bedoeld in artikel 86, vierde lid;
    4. vanaf of vanuit een rijdend voertuig; of
    5. vanuit een
  2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, mag het geweer bij de uitoefening van de jacht op wilde eenden ook worden gebruikt gedurende een half uur voor zonsopkomst en een half uur na zonsondergang.

 

Artikel 11.84 (verboden locaties dragen van het geweer)

 

  1. Een geweer of een gedeelte van een geweer wordt niet in het veld gedragen als de drager geen houder van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit is, tenzij de drager om een andere reden het recht heeft daar een geweer te gebruiken.
  2. De houder van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit draagt geen geweer op gronden waarop hij niet het recht heeft een geweer te gebruiken.

 

Artikel 11.85 (valkeniersactiviteiten)

 

Vogels worden voor het vangen of doden van dieren ter uitvoering van de wet alleen gebruikt voor:

  1. de uitoefening van de jacht, in overeenstemming met de over de uitoefening van de jacht gestelde regels;
  2. het verrichten van een flora- en fauna-activiteit die betrekking heeft op het doden van dieren in overeenstemming met de daarvoor verleende omgevingsvergunning of in overeenstemming met de omgevingsverordening of ministeriële regeling waarbij op grond van dit hoofdstuk vergunningvrije gevallen zijn aangewezen;
  3. het bestrijden van verwilderde dieren of exoten, als dat in opdracht van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit of van gedeputeerde staten gebeurt, of als de betrokken diersoorten zijn aangewezen bij ministeriële regeling; of
  4. het bestrijden van de zwarte rat, de bruine rat of de huismuis, voor zover dat gebeurt met aantoonbaar gefokte haviken of slechtvalken.

 

Artikel 11.86 (eendenkooien)

 

  1. Eendenkooien worden alleen gebruikt als daartoe met goed gevolg een door Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit erkend examen is afgelegd.
  2. Een eendenkooi voldoet aan de volgende voorwaarden:
    1. er is een open wateroppervlakte aanwezig van ten minste 200 m2, waarin een cirkel met een straal van ten minste 7,50 m kan worden beschreven;
    2. het water is ten minste 50 cm diep;
    3. rondom het water ligt een rand van bos of struweel; en
    4. in open verbinding met het water is ten minste één vangpijp aanwezig die onmiddellijk als vangmiddel kan worden gebruikt.
  3. Met een eendenkooi gevangen dieren worden onverwijld na het vangen in vrijheid gesteld of
  4. De eigenaar van een eendenkooi gebruikt voor de afpaling van de eendenkooi palen die zijn voorzien van het opschrift “Eendenkooi van x, met recht van afpaling op y m, gerekend uit het midden der kooi”, waarbij wordt ingevuld voor:
    1. x: de naam van de eigenaar van de eendenkooi;
    2. y: het aantal meters waarop het afpalingsrecht betrekking
  5. Het eerste lid is niet van toepassing als de gebruiker van de eendenkooi vanwege het met gunstig gevolg behalen van een krachtens de Jachtwet erkend jachtexamen:
    1. in de periode van 1 januari 1977 tot en met 31 maart 2002 een jachtakte als bedoeld in de Jachtwet is uitgereikt; of
    2. in de periode van 1 april 2002 tot en met 30 september 2004 een jachtakte als bedoeld in de Flora- en faunawet is uitgereikt.

 

Artikel 11.87 (eisen voor erkenning examens voor jachtgeweeractiviteiten)

 

  1. Een examen voor jachtgeweeractiviteiten komt alleen in aanmerking voor een erkenning als bedoeld in artikel 71 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als het een theoretisch gedeelte en een praktisch gedeelte bevat die voldoen aan de eisen in het tweede en derde lid.
  2. Het theoretisch gedeelte van het examen voor een jachtgeweeractiviteit bevat een toetsing op kennis van:
    1. het wild en dieren van andere soorten die schade kunnen veroorzaken aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren en van hierop gelijkende diersoorten;
    2. de leefomgeving van het wild en andere diersoorten, bedoeld in dit lid;
    3. het beheer van het wild;
    4. het beheer van het edelhert, de ree, het damhert en het wilde zwijn;
    5. de belangrijkste wettelijke voorschriften op het terrein van de jacht en de natuurbescherming;
    6. de belangrijkste wettelijke voorschriften over het voorhanden hebben van geweren en munitie;
    7. landbouw-, tuinbouw- en bosbouwgewassen die gevoelig zijn voor schade aangericht door wild en andere diersoorten, bedoeld in dit lid, en de perioden gedurende het jaar waarin deze schade zich kan voordoen;
    8. de maatregelen die kunnen worden getroffen om schade aan landbouw-, tuinbouw- en bosbouwgewassen aangericht door wild en andere dieren, bedoeld in dit lid, te voorkomen;
    9. het geweer, de daarbij gebruikte munitie en het gebruik van het geweer;
    10. de middelen, bedoeld in de artikelen 11.44, vierde lid, 11.52, vierde lid, 11.58, vierde lid, en 11.71, eerste lid, onder b tot en met h, van dit besluit en de artikelen 74p, 8.74q en 8.74r van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en het gebruik van deze middelen;
    11. kennis van de jachtmethoden en van de verzorging van voor consumptie bestemde dieren; en
    12. kennis van hetgeen een goed jager
  3. Het praktisch gedeelte van het examen voor jachtgeweeractiviteiten bevat een toetsing op schietvaardigheid en bekwaamheid in de omgang met vuurwapens, waarbij onderscheid kan worden gemaakt al naar gelang de aard van het gebruik van de munitie.

 

Artikel 11.88 (eisen voor erkenning examens voor valkeniersactiviteiten)

 

Een examen voor valkeniersactiviteiten komt alleen in aanmerking voor een erkenning als bedoeld in artikel 3.71 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als het:

  1. een theoretisch gedeelte bevat met toetsing op kennis als bedoeld in artikel 87, tweede lid, onder a tot en met c, e, g, h en j tot en met l; en
  2. een praktisch gedeelte, waarin wordt getoetst op bekwaamheid in de omgang met

 

Artikel 11.89 (eisen voor erkenning examens voor het gebruik van eendenkooien)

 

Een examen voor het gebruik van eendenkooien komt alleen in aanmerking voor erkenning als bedoeld in artikel 3.71 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als het een theoretisch gedeelte bevat met toetsing op kennis als bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder a tot en met c, e, j, k en l.

 

 

Artikel 11.90 (eisen voor erkenning examens gesteld bij ministeriële regeling)

 

Een examen voor jachtgeweeractiviteiten, een examen voor valkeniersactiviteiten en een examen voor het gebruik van eendenkooien komen alleen in aanmerking voor een erkenning als bedoeld in artikel 3.71 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als zij voldoen aan de bij ministeriële regeling gestelde nadere regels over:

  1. de wijze van toetsing van kennis, vaardigheid en bekwaamheid; en
  2. de wijze van beoordeling van

 

Artikel 11.91 (erkenning organisaties die examens afnemen)

 

  1. Een examen voor jachtgeweeractiviteiten, een examen voor valkeniersactiviteiten en een examen voor het gebruik van eendenkooien komt alleen in aanmerking voor een erkenning als bedoeld in artikel 3.72 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als het wordt afgenomen door een door Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit erkende organisatie die voldoet aan de volgende eisen:
    1. zij bezit rechtspersoonlijkheid;
    2. de bestuursleden zijn naar evenredigheid afkomstig uit de kringen van jagers en natuurbescherming-landbouw;
    3. zij beschikt over een itembank met ten minste vijfhonderd meerkeuzevragen die betrekking hebben op de examens, waarvan de relatieve samenstelling overeenkomt met de eisen die aan het examen worden gesteld;
    4. zij beschikt over een beeldbank met ten minste twee afbeeldingen van elk dier van een soort dat tot het wild behoort dat kan worden bejaagd en ten minste een afbeelding van de dieren van andere soorten, voor het vangen of doden waarvan, behoudens in op grond van artikel 5.2, eerste of tweede lid, van de wet aangewezen gevallen, een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is vereist; en
    5. zij beschikt over:

1°. een kwaliteitszorgsysteem;

2°. een reglement waarin is vastgelegd aan welke eisen moet worden voldaan om een examen te mogen afleggen, wanneer examens worden afgenomen, de wijze waarop het resultaat van het examen wordt beoordeeld en wie gerechtigd is de examens bij te wonen; en

3°. een geschillenregeling.

  1. Het bestuur van een organisatie die examens afneemt, verstrekt aan door Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit met het toezicht belaste personen desgevraagd inlichtingen over de inhoud van en de wijze van afnemen van examens en laat desgevraagd deze personen het afleggen van examens bijwonen.

 

Artikel 11.92 (inleveren omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit of valkeniersactiviteit)

 

  1. Een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit wordt binnen vijf dagen nadat een besluit tot intrekking is bekendgemaakt en binnen vijf dagen nadat een rechterlijke uitspraak waarin de bevoegdheid tot het gebruik van het geweer is ontzegd voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingeleverd bij de korpschef of degene die de omgevingsvergunning namens de korpschef heeft verleend.
  2. Een omgevingsvergunning voor een valkeniersactiviteit wordt binnen vijf dagen nadat een besluit tot intrekking is bekendgemaakt en binnen vijf dagen nadat een rechterlijke uitspraak waarin de bevoegdheid tot het gebruik van de roofvogel is ontzegd voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingeleverd bij Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit of degene die namens Onze Minister de omgevingsvergunning heeft verleend.

 

  • 11.2.9 Het verhandelen, het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van dieren, planten of producten daarvan

 

Artikel 11.93 (verboden te handelen in strijd met cites-basisverordening)

 

  1. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 4, eerste lid, eerste zin, tweede lid, eerste zin, derde en vierde lid, 5, eerste en vierde lid, eerste zin, 6, derde lid, 8, eerste lid in samenhang met het vijfde lid, en 9, eerste, vierde en vijfde lid, van de cites-basisverordening.
  2. Het is verboden te handelen in strijd met de voorwaarden en vereisten, bedoeld in artikel 11, derde lid, van de cites-basisverordening.

 

Artikel 11.94 (aanwijzing douanekantoren)

 

Dieren, planten, producten, nesten of eieren van dieren of producten van planten van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, of genoemd in bijlage IV bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern, bijlage I bij het verdrag van Bonn of bijlage A, B, C, of D bij de cites- basisverordening worden alleen via bij ministeriële regeling aangewezen douanekantoren binnen of buiten het grondgebied van Nederland gebracht.

 

 

 

Artikel 11.95 (fytosanitaire certificaten)

 

In plaats van een uitvoervergunning als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de cites- basisverordening wordt aanvaard een fytosanitair certificaat dat is afgegeven door Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit of een bevoegde administratieve instantie van een andere lidstaat van de Europese Unie en dat voldoet aan artikel 17, tweede lid, van de cites- uitvoeringsverordening.

 

Artikel 11.96 (aanvullend verbod bezit van en handel in dieren en planten)

 

  1. Gefokte vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, die niet zijn genoemd in bijlage A, B, C of D bij de cites-basisverordening, of producten of eieren daarvan worden niet onder zich gehouden of verhandeld.
  2. Dieren of planten van de soorten, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de cites-basisverordening, producten of eieren van deze dieren of producten van deze planten worden niet onder zich
  3. Dieren of planten van de soorten, genoemd in bijlage C of D bij de cites-basisverordening, producten of eieren van deze dieren of producten van deze planten worden niet verhandeld.
  4. Het tweede en het derde lid gelden niet voor:
    1. uit het wild afkomstige dieren en planten, die na 10 juni 1994 aantoonbaar overeenkomstig de op dat moment geldende regelgeving aan de natuur zijn onttrokken, van de soorten, genoemd in bijlage IV bij de habitatrichtlijn;
    2. uit het wild afkomstige dieren en planten, die na 10 juni 1994 aantoonbaar overeenkomstig de op dat moment geldende regelgeving aan de natuur zijn onttrokken, van de soorten, genoemd in bijlage I of II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, niet zijnde soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; en
    3. uit het wild afkomstige vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de

 

Artikel 11.97 (uitzondering op bezits- en handelsverboden voor gefokte vogels)

 

  1. Artikel 96, eerste, tweede en derde lid, geldt niet voor:
    1. het onder zich hebben of verhandelen van een aantoonbaar gefokte vogel van een soort als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, die niet is genoemd in bijlage A, B, C of D bij de cites- basisverordening, of producten of eieren daarvan;
    2. het onder zich hebben van een aantoonbaar gefokte vogel van een soort die is genoemd in bijlage A, B, C of D bij de cites-basisverordening; en
    3. het verhandelen van een aantoonbaar gefokte vogel van een soort, genoemd in bijlage C of D bij de cites-basisverordening, of producten of eieren daarvan.
  2. Voor een aantoonbaar gefokte vogel die behoort of mede behoort tot een soort als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn geldt het eerste lid alleen:
    1. als de vogel is voorzien van:

1°. een gesloten pootring die voldoet aan bij ministeriële regeling gestelde regels;

2°. een gesloten pootring die, of een ander merkteken dat aantoonbaar rechtmatig is afgegeven door een bevoegde instantie van een andere staat dan Nederland, of een door een bevoegde instantie van een andere staat dan Nederland erkende organisatie, in overeenstemming met de wettelijke eisen van de betreffende staat, of als het product of ei van een dergelijke vogel afkomstig is; of

3°. een microchiptransponder in overeenstemming met artikel 66, tweede lid, van de cites- uitvoeringsverordening, voor een vogel die behoort tot een soort, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de cites-basisverordening, tenzij Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een verklaring heeft afgegeven dat een microchiptransponder wegens lichamelijke kenmerken van de betrokken dieren aantoonbaar niet veilig kan worden aangebracht;

  1. voor een levende vogel die behoort tot een soort, genoemd in bijlage A bij de cites- basisverordening, als is voldaan aan artikel 11.103; en
  2. voor een vogel die behoort tot een soort, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de cites- basisverordening, als de vogel aantoonbaar met inachtneming van de cites-basisverordening en de cites-uitvoeringsverordening binnen het grondgebied van Nederland is gebracht of verkregen.
  1. Voor een vogel die behoort tot een soort, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de cites- basisverordening, en die geen soort als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn is, geldt het eerste lid:
    1. voor een levende gefokte vogel die behoort tot een soort, genoemd in bijlage A bij de cites- basisverordening, alleen als:

1°. is voldaan aan het tweede lid, onder a, onder 1°, 2° of 3°, of als het product of ei van een dergelijke vogel afkomstig is;

2°. is voldaan aan artikel 11.103; en

3°. de vogel aantoonbaar met inachtneming van de cites-basisverordening en de cites- uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen;

  1. voor een dode vogel, een product of een ei van een vogel, behorend tot een soort, genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening, alleen als die vogel of dat product of ei aantoonbaar met inachtneming van de cites-basisverordening en de cites-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen; of
  2. voor een vogel die behoort tot een soort, genoemd in bijlage B, C of D, bij de cites- basisverordening, alleen als:

1°. de vogel aantoonbaar is gefokt of het product of het ei van een dergelijke vogel afkomstig is of de vogel, het product of het ei aantoonbaar met inachtneming van de cites-basisverordening en de cites-uitvoeringsverordening binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht of verkregen; en

2°. de vogel behoort tot een soort, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening, en is voldaan aan artikel 11.103.

  1. Het eerste, tweede en derde lid gelden niet voor:
    1. het onder zich hebben in het veld van een levende vogel van een soort, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn:

1˚. van het geslacht Cygnus; of

2˚. van de orde roofvogels of uilen, tenzij degene die de vogel onder zich heeft de vogel op grond van het bepaalde bij of krachtens de wet mag gebruiken voor het vangen of doden van dieren; en

  1. voor het onder zich hebben van een levende

 

Artikel 11.98 (afbakening mogelijkheid maatwerk: gefokte havik)

 

  1. Met een maatwerkregel wordt niet afgeweken van artikel 96 voor het onder zich hebben van een levende havik.
  2. Met een maatwerkvoorschrift kan alleen worden afgeweken van artikel 96 voor het onder zich hebben of verhandelen van een levende havik, als dat maatwerkvoorschrift inhoudt dat DNA- fingerprints worden overgelegd van zowel de oudervogels als de jonge vogel als bewijs dat de havik in gevangenschap is gefokt.

 

Artikel 11.99 (uitzondering op bezitsverbod voor andere dieren dan gefokte vogels en voor planten)

 

  1. Artikel 96, tweede lid, geldt niet voor het onder zich hebben van:
    1. een dood gewerveld dier, een ongewerveld dier of een plant, behorende tot een soort, genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening, of producten of eieren daarvan;
    2. een levend, aantoonbaar gefokt gewerveld dier dat niet een vogel is als bedoeld in artikel 97, eerste lid, onder a of b, van een soort, genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening, of producten of eieren daarvan; of
    3. een dier dat niet een vogel als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn is, of een plant van een soort, genoemd in bijlage B, C of D bij de cites-basisverordening, of producten of eieren
  2. Het eerste lid geldt alleen:
    1. als het dier of de plant:

1°. aantoonbaar met inachtneming van de cites-basisverordening en de cites- uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen en, als sprake is van een aal (Anguilla anguilla), is voldaan aan het bij of krachtens de Visserijwet 1963 bepaalde; of

2°. aantoonbaar in Nederland is gefokt of gekweekt en het dier ongewerveld is, of, als het een levend, gefokt gewerveld dier van een soort, genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening is, is voorzien van een microchiptransponder in overeenstemming met artikel 66, derde lid, van de cites-uitvoeringsverordening, tenzij Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een verklaring heeft afgegeven dat een microchiptransponder wegens lichamelijke kenmerken van de betrokken dieren aantoonbaar niet veilig kan worden aangebracht;

  1. als is voldaan aan artikel 103 en desgevraagd inzage in de administratie wordt verschaft aan de met toezicht op de naleving van de wet belaste ambtenaren; en
  2. als sprake is van een levend uit het wild afkomstig dier van een soort, genoemd in bijlage B bij de cites-verordening, en over dat dier een administratie wordt bijgehouden.
  1. Het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet voor botten en daarvan of daarmee vervaardigde producten van de tijger (Panthera tigris) en hoorns en daarvan of daarmee vervaardigde producten van de soorten van de familie neushoorns (Rhinocerotidea).
  2. Het eerste lid, aanhef en onder b, geldt niet voor dieren van soorten behorende tot de orde van de primaten (Primates) of de familie van de katachtigen (Felidae).
  3. Het eerste lid, aanhef en onder c, geldt niet voor levende dieren van de soorten:
    1. Bengaalse kat (Prionailurus bengalensis);
    2. Canadese lynx (Lynx canadensis);
    3. caracal (Caracal caracal);
    4. poema (Puma concolor);
    5. roestkat (Prionailurus rubiginosus);
    6. rode lynx (Lynx rufus);
    7. jagoearoendi of otterkat (Herpailurus yaguarondi);
    8. leeuw (Panthera leo);
    9. fretkat (Cryptoprocta ferox); en
    10. soorten behorende tot de orde van de primaten (Primates).

 

Artikel 11.100 (uitzondering op handelsverbod voor andere dieren dan gefokte vogels en voor planten)

 

  1. Artikel 11.96, derde lid, geldt niet voor het verhandelen van een dier, met uitzondering van een vogel als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, of een plant van een soort, genoemd in bijlage C of D bij de cites-basisverordening, of producten of eieren daarvan.
  2. Het eerste lid geldt alleen als het dier of de plant aantoonbaar:
    1. op het grondgebied van Nederland is gebracht of verkregen met inachtneming van de cites- basisverordening en de cites-uitvoeringsverordening; of
    2. in Nederland is gefokt of

 

Artikel 11.101 (bezits- en handelsverbod wild, niet behorende tot cites-soorten)

 

  1. Uit het wild afkomstige dieren van de volgende soorten worden niet onder zich gehouden of verhandeld:
    1. boommarter (Martes martes);
    2. bunzing (Mustela putorius);
    3. damhert (Dama dama);
    4. edelhert (Cervus elaphus);
    5. haas (Lepus europaeus);
    6. hermelijn (Mustela erminea);
    7. konijn (Oryctolagus cuniculus);
    8. ree (Capreolus capreolus);
    9. steenmarter (Martes foina);
    10. vos (Vulpes vulpes);
    11. wezel (Mustela nivalis); of
    12. wild zwijn (Sus scrofa).
  2. Het eerste lid geldt niet voor het onder zich hebben of verhandelen van een dood dier of voor het onder zich hebben van een levend dier, als het dier:
    1. aantoonbaar is verkregen in Nederland op grond van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit of in overeenstemming met de eisen verbonden aan een aanwijzing van de flora- en fauna-activiteit als vergunningvrij geval; of
    2. een dood dier is, aantoonbaar in het wild is gestorven buiten schuld of medeweten van degene die zich het dier heeft toegeëigend.

 

Artikel 11.102 (verbod op prepareren van wilde vogels)

 

  1. Een uit het wild afkomstige vogel als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn wordt niet
  2. Het eerste lid is niet van toepassing op degene die:
    1. aan Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit binnen drie dagen na ontvangst de bij ministeriële regeling aangewezen gegevens verstrekt over de vogel die hem ter preparatie wordt aangeboden, op een bij die regeling bepaalde wijze; en
    2. een door Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit verstrekt merkteken aanbrengt op de geprepareerde vogels.

Artikel 11.103 (administratieve verplichtingen voor het fokken van dieren of het kweken van planten)

  1. Degene die een levend gefokt dier of een levende gekweekte plant onder zich heeft, houdt een administratie bij over dat dier of die plant die voldoet aan bij ministeriële regeling gestelde regels, als het dier of de plant behoort tot:
    1. de soorten, genoemd in bijlage IV bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, met uitzondering van vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn;
    2. de soorten, genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening, met uitzondering van de in bijlage X bij de cites-uitvoeringsverordening genoemde diersoorten en de hybriden daarvan;
    3. de diersoorten, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening, met uitzondering van: 1°. gefokte vogels die van een gesloten pootring zijn voorzien; en

2°. de soorten, genoemd in bijlage X; of

  1. de kunstmatig gekweekte hybriden van niet van een annotatie voorziene soorten, genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening, als voor die soorten een fytosanitair certificaat als bedoeld in artikel 17 van de cites-uitvoeringsverordening is afgegeven.
  1. Degene die een administratie als bedoeld in het eerste lid bijhoudt, verschaft op verzoek inzage in die administratie aan de toezichthouder.
  2. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op degene die een uit het wild afkomstig levend dier van een soort, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening, onder zich

 

Artikel 11.104 (pootringen voor gefokte vogels)

  1. Degene die een vogel van een soort als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn of genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening fokt, voorziet de vogel van een gesloten pootring.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing op vogels van de soorten, genoemd in bijlage X bij de cites-
  3. De pootringen:
    1. zijn afgegeven door Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit of een door die minister aangewezen organisatie; en
    2. voldoen aan bij ministeriële regeling gestelde

 

Artikel 11.105 (verbod te handelen in strijd met EU-zeehondenregelgeving)

  1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, van de zeehonden-
  2. Het is verboden de producten, genoemd in de bijlage bij richtlijn 83/129/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de invoer in de Lid-Staten van huiden van bepaalde zeehondenjongen en daarvan vervaardigde produkten (PbEG 1983, L 91), voor handelsdoeleinden binnen Nederland te brengen.
  3. Het tweede lid geldt niet voor producten die afkomstig zijn van de traditionele jacht van de

Artikel 11.106 (verbod te handelen in strijd met wildklemverordening)

 

Het is verboden te handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, van de wildklemverordening.

 

Artikel 11.107 (afbakening mogelijkheid maatwerkvoorschrift: eisen EU-verordeningen)

 

Met een maatwerkvoorschrift kan alleen worden afgeweken van de artikelen 11.93, 11.105 en 11.106, als dit in overeenstemming is met de bij of krachtens de cites-basisverordening, de Europese zeehondenregelgeving en de wildklemverordening gestelde regels.

11.2.10 Activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten tot gevolg hebben of kunnen hebben

 

Artikel 11.108 (verbod te handelen in strijd met invasieve-exoten-basisverordening)

  1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, b, c, d, e, f, g of h, van de invasieve-exoten-basisverordening.
  2. Het eerste lid geldt niet voor beheersmaatregelen als bedoeld in artikel 19 van de invasieve- exoten-basisverordening voor activiteiten als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder b, d, e en f, van die verordening voor bij ministeriële regeling aangewezen diersoorten en onder de daarin vastgestelde voorwaarden bij:
    1. bevissing van de dieren in Nederlandse binnenwateren en kustwateren, de opslag, de handel, het transport, het houden, het gebruik of de vernietiging van de opgeviste dieren, en alle onmiddellijk daarmee samenhangende handelingen; en
    2. handelingen als bedoeld onder a ten aanzien van dieren die als beheersmaatregel zijn opgevist en in de handel zijn gebracht in andere lidstaten van de Europese Unie in overeenstemming met de in die lidstaten geldende wetgeving.
  3. Het is verboden te handelen in strijd met bij ministeriële regeling vastgestelde noodmaatregelen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de invasieve-exoten-basisverordening.
  4. Het eerste lid geldt niet voor de houder van dieren van de soorten Amerikaanse voseekhoorn (Sciurus niger), grijze eekhoorn (Sciurus carolinensis) en Pallas’ eekhoorn (Callosciurus erythraeus), als de houder op 1 januari 2017 aantoonbaar voldeed aan artikel 8a, tweede en derde lid, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten.

 

Artikel 11.109 (afbakening mogelijkheid maatwerkvoorschrift: eisen EU-verordeningen)

Met een maatwerkvoorschrift kan alleen worden afgeweken van artikel 11.108, als dit in overeenstemming is met de bij of krachtens de invasieve-exoten-basisverordening gestelde regels.

Artikel 11.109a (handelsverbod invasieve exoten, niet behorende tot de invasieve uitheemse soorten aangewezen op grond van invasieve-exoten-basisverordening)

  1. Planten, of delen of producten daarvan, die zich kunnen voortplanten, van de volgende soorten worden niet verhandeld:
    1. Japanse duizendknoop (Fallopia japonica);
    2. Sachalinse duizendknoop (Fallopia sachalinensis); en
    3. bastaardduizendknoop (Fallopia x bohemica).
  2. Het eerste lid geldt niet voor zover het verhandelen plaatsvindt in het kader van uitroeiing, bestrijding of beheersing van die soort, onder de bij ministeriële regeling vastgestelde v

 

  • 11.2.11 Walvisvangst

 

Artikel 11.110 (verbod walvisvangst)

Walvissen worden niet vanuit een Nederlands schip gevangen of gedood, of aan boord van een Nederlands schip verwerkt.

 

 

 

image_pdfimage_print

Reacties zijn gesloten.