Physical Address
304 North Cardinal St.
Dorchester Center, MA 02124
Physical Address
304 North Cardinal St.
Dorchester Center, MA 02124
De faunabeheerder gemeente Echt-Susteren en Sittard-Geleen
AlgemeenIn Nederland komen wilde zwijnen (verzamelnaam ‘zwart wild’) slechts in twee provincies voor in 3 leefgebieden die hier voor zijn aangewezen: op de Veluwe en in het Meinweg gebied en Meerlebroek in Limburg. Daarbuiten komen nu ook veel wilde zwijnen voor in de zgn nul-optie gebieden in de provincies Limburg, Noord-Brabant, Gelderland, Overijssel, Drenthe. De Veluwse wild zwijnbevolking staat niet in verbinding met andere wilde wild zwijns in Nederland. Er zal zeker wel eens een wild zwijn de IJssel of de Rijn overzwemmen en over onze oostelijke grensgedeelten wisselen wilde zwijnen uit Duitsland. De Limburgse wilde zwijnenstand is onderdeel van een grotere concentratie wild zwijnen over de Duitse grens en in Zuid-Limburg ook uit België. Het type wijkt enigszins af van dat van het Veluwse wild zwijn.
De Wildbeheereenheid Susteren/Graetheide beheert wilde zwijnen in een regio op de grens van Midden – en Zuid-Limburg waar een ‘nul-optie’ geldt: geen permanente populatie vanwege ernstige schade aan landbouwgewassen, infrastructuur en verkeersveiligheid en voorkomen van uitbraak Afrikaanse Varkenspest ( AVP) en immigratie zoveel mogelijk te beperken. Het provinciale beleid voor beheer van het Wild zwijn verschilt tussen twee regio’s: binnen het leefgebied De Meinweg en Meerlebroek en buiten dit leefgebied.
Dit beleid vloeit voort uit het provinciale faunabeheerplan, dat leefgebieden zoals Nationaal Park De Meinweg en Meerlebroek aanwijst met een streefstand van circa 60 dieren in het voorjaar, terwijl elders strikt afschot verplicht is om immigratie en overlast te beheersen.
De gewenste populatieomvang in Limburgse leefgebieden wordt gewaarborgd door een balans tussen maatschappelijk draagvlak, ecologische draagkracht en schadebeperking, met lage dichtheden zoals 2-3 zwijnen per 100 ha.
Lokaal realiseert men een ‘nulstand’ via volledige rasters rond leefgebieden of kerende rasters in schadegevoelige zones; bij gedeeltelijke oplossingen zoekt men afstemming op acceptatiegrenzen voor overlast.
Afschot vormt het primaire middel om aantallen op doelstand te brengen en houden, rekening houdend met voedselrijkdom buiten natuurgebieden die hogere populaties mogelijk maakt.
Recente ontwikkelingen tonen een forse toename door migratie uit Belgisch-Limburg en Brabant, met provinciaal afschot dat in 2023 opliep tot ruim 2.700 exemplaren, een stijging van 25% ten opzichte van voorgaande jaren.
De aanwezigheid van Wilde zwijnen leidt (potentieel) tot veel schade in Limburg in 2024 bedroeg die alleen al € 384.000,- aan de landbouwgewassen :
Overzicht Valwild Wild Zwijn 2019-2024 in Limburg |
||||||
| Wild Zwijn | 2019 | 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 |
| Aantal aanrijdingen: | 80 | 53 | 56 | 30 | 68 | 42 |
| Overige doodsoorzaken: | 28 | 16 | 9 | 15 | 29 | 18 |
De gewenste populatieomvang in Limburgse leefgebieden wordt gewaarborgd door een balans tussen maatschappelijk draagvlak, ecologische draagkracht en schadebeperking, met lage dichtheden zoals 2-3 zwijnen per 100 ha.
| Telgegevens Wild Zwijn Leefgebied De Meinweg en Meerlebroek | Keiler | Zeug | Overloper | Big | Totaal |
| Telling 2024 | 13 | 29 | 64 | 86 | 192 |
| Telling 2025 | 11 | 60 | 57 | 25 | 353 |
Waarborging rust op vier aspecten:
Lokaal realiseert men een zgn.’nulstand’ via volledige rasters rond leefgebieden of kerende rasters in schadegevoelige zones; bij gedeeltelijke oplossingen zoekt men afstemming op acceptatiegrenzen voor overlast.
Afschot vormt het primaire middel om aantallen op doelstand te brengen en houden, rekening houdend met voedselrijkdom buiten natuurgebieden die hogere populaties mogelijk maakt.
– Fysieke barrières: Elektrische rasters en hekken rond kwetsbare percelen, in samenwerking met LLTB en boeren.
– Verjaagmethoden: Actief verjagen met honden, geluid en licht, plus alternatief voer in leefgebieden.
– Samenwerking: Afspraken met gemeente, provincie, Staatsbosbeheer en Duitse- en Belgische jagers, inclusief AVP-screening.
– Monitoring: Biggenprojecties, cameravallen en serologische tests voor populatie, ziektes en risico’s na afschot.
De Wildbeheereenheid Susteren/Graetheide beheert wilde zwijnen in een regio van Zuid-Limburg waar een ‘nul-optie’ geldt: geen permanente populatie vanwege ernstige schade aan landbouwgewassen, infrastructuur en verkeersveiligheid.
Het beheer richt zich echter primair op preventief afschot onder ontheffingen van artikel 3.17 Wet natuurbescherming (thans Omgevingswet), met nadruk op biggen, frislingen en overlopers om reproductie te remmen.
De wilde zwijnen worden intensief gemonitord via meldingen, camera’s en meldpunten, gevolgd door directe interventie;
Afschotcijfers van de WBE Susteren/Graetheide over 2015-2025 tonen een totaal aan van 333 dieren (149 vrouwelijke, 177 mannelijke), met pieken in 2023 (64) en 2024 (51), en voor 2025 tot nu 45 afgeschoten (26 vrouwelijk, 19 mannelijk; incl. 8 valwild), bij een gemiddeld gewicht van 40 kg en de focus op 45% vrouwelijke en 53% mannelijke.
De onderstaande tabel vat de afschot- en valwildcijfers samen van 2015 tot 2025, inclusief geslachtsverdeling, categorieën en gewichten.
| AFSCHOTCIJFERS WBE SUSTEREN/GRAETHEIDE 2015-2025 | |||||||||
| Jaar | Totaal afschot+vawild | Vrl | Mnl | volwassen zwijn | Overloper | Big | Valwild Aanrijding Etc. | Gemiddeld gewicht Kg | Totaal ontweid gew.Kg |
| 2015 | 1 | 0 | 1 | 0 | 1 | 0 | 0 | 48,00 | 48 |
| 2016 | 1 | 0 | 1 | 0 | 1 | 0 | 0 | 50,00 | 50 |
| 2017 | 22 | 10 | 12 | 5 | 4 | 13 | 3 | 47,27 | 1040 |
| 2018 | 17 | 6 | 11 | 2 | 8 | 7 | 0 | 43,12 | 733 |
| 2019 | 40 | 24 | 16 | 6 | 8 | 26 | 1 | 33,80 | 1352 |
| 2020 | 42 | 22 | 20 | 8 | 11 | 23 | 2 | 36,43 | 1530 |
| 2021 | 49 | 18 | 31 | 3 | 19 | 27 | 1 | 37,62 | 1843,5 |
| 2022 | 46 | 18 | 28 | 6 | 16 | 24 | 0 | 35,70 | 1642 |
| 2023 | 64 | 31 | 33 | 10 | 26 | 28 | 7 | 32,92 | 2107 |
| 2024 | 51 | 20 | 24 | 11 | 14 | 19 | 7 | 35,57 | 3237 |
| 2025 | 45 | 26 | 19 | 8 | 18 | 17 | 8 | 34 | 1666 |
| Totaal | 333 | 149 | 177 | 51 | 108 | 167 | 21 | 40,11kg | 13.712kg |
| Percentage afschot | 45% | 53% | 15% | 32% | 50% | 6% | |||
Eigenschappen wild zwijn |
|
| Levend gewicht geboorte | 750-1000 gram |
| Levend gewicht big ( frisling) | 1 – 45 kg |
| Levend gewicht overloper(1-2 jaar) mannelijk | 30-80 kg |
| Levend gewicht overloper(1-2 jaar) vrouwelijk | 25-75 kg |
| Levend gewicht volwassen dier (1-2 jaar) vrouwelijk | 80-160 kg |
| Levend gewicht volwassen dier (1-2 jaar) mannelijk | 75-130 kg |
| Lengte | 80 – 200 cm |
| Schofthoogte | 65 -95 cm |
| Paartijd ( rauschtijd,bronst) | september/april |
| Leeftijd | maximaal 15 jaar, meestal 10 (7 jaar vinden wij al oud) |
| Draagtijd | 3 maanden, 3 weken en 3 dagen (tussen de 115 en 120 dagen) |
| Aantal jongen | 1 -10 biggen |
| Volwassen dier ( 2 jaar of ouder) mannelijk | keiler |
| Volwassen dier ( 2 jaar of ouder) vrouwelijk | Zeug of bagge |
| Eenjarig vrouwelijk zwijn met biggen | Zeug of bagge |
| Eenjarig zwijn | overloper |
| Jong | big of frischling |
| Leefwijze | in rottes,één rotte bestaat meestal uit een familiegroep |
| Voedsel | van alles: gras (breedbladig), wortels, eikels,beukenoot, tamme kastanjes, insecten, reptielen,slangen,wormen,kevers,reekalveren, vogeltjes, eieren, haver, maïs, tarwe etc. |
Als de frischlingen ouder dan een paar weken zijn, zullen moeder en kinderen er bij een eventuele ontmoeting met een mens snel vandoor gaan. Maar als haar borelingen nog in het nest liggen, wordt de wandelaar die te dicht in de buurt komt, zonder pardon aangevallen.Als hij geluk heeft kan hij in een boom vluchten, maar lukt dat niet, dan brengt de bache met haar scherpe tanden lelijke en slecht genezende wonden toe.
Het nest, de zogenaamde ‘’ketel‘’, waarin de biggetjes worden geboren en een dag of twaalf verblijven, heeft de bache gemaakt door met haar neus een kuil in de grond te wroeten en deze met varens, bladeren en mos te beleggen. Daarna dekt ze de kuil weer af met achterwaarts bij elkaar gesleepte takken, varens, mos, gras en bladeren, waarbij ze een soort dakstructuur fabriceert door het bouwmateriaal met speeksel aan elkaar te metselen.
Ze laat de ketel naar één kant open en het halfronde brouwsel is klaar. Het lijkt dan op een ouderwets souffleurshokje op een toneel. Het is haast onvoorstelbaar dat ze dat met die zware kop en nauwelijks draaibare hals voor elkaar heeft gekregen.
Met bereiken van hun tweede levensjaar vanaf april het jaar na het geboortejaar worden de frischlingen ‘overlopers’. Ze zijn van de moeder af gegaan, die inmiddels al weer nieuwe jongen heeft, maar ze blijven onderling toch nog graag bij elkaar, omdat ze nu eenmaal typische gezelligheidsdieren zijn, mede met het oog op de veiligheid. Meer ogen, oren en neuzen zien, horen en ruiken eerder gevaar.
Bovendien kunnen ze dan hun nog aanwezige speelsheid uitleven. Vooral als er sneeuw ligt rennen zich onbespied wanende jonge wild zwijns als kwajongens in die witte wereld achter elkaar aan. Als een van hen onraad merkt, staan ze plotseling allemaal stil, sommige met witte sneeuw proppen op hun neus en opstaande staarten, om er het volgende ogenblik met een krachtig ‘woeff’ vandoor te gaan.

Vrouwelijke overlopers zijn in hun tweede levensjaar altijd drachtig (vaak zelfs al als frishling, je kunt ze nog goed herkennen aan de zwartbruine kleur dus niet geheel zwart).De geoefende jager erkend het vrouwelijk en het mannelijk zwartwild vooral aan de vorm en silhouet. Een overloper is vooral herkenbaar aan zijn staartlengte , deze zit nog boven de hak (spronggewricht). Er is een begin van haargroei aan de staart, de kwast wordt voller. Overgangslevensfase 10 tot 14 maanden, hierin wisselen van melktanden, het begint met de buitenste snijtanden samen met de haken en geweren van de zeugen en keilers, dit zie je pas als het stuk meestal op het tableau ligt. Overloperkeilers worden in de ouderdom van 16 tot 18 maanden uit de familiegroep gestoten omdat zij niet willen aanpassen aan de strakke hiërarchie van de groep ( rotte) en zij ondernemen extreme trektochten ondernemen van 40 tot 400 kilometer om een eigen territorium te krijgen, hiermee wordt ook inteelt voorkomen. Bij deze verplaatsingen worden vooral deze onervaren dieren relatief vaak geschoten.
Na het tweede levensjaar leven de mannelijke dieren als alleenstaande in een vast territorium en gaan de familiegroepen(rotte) uit de weg. De mannelijke overlopers nemen pas in hun derde levensjaar echt aan de bronst deel. Zij heten dan ‘keilers’, lopen graag alleen of onder begeleiding van een zwakkere keiler de zgn. “adjudant” en groeien met de jaren uit tot zware zwarte solitaire rakkers, die een gewicht van 100 kilo (ontweid) kunnen bereiken, bij een schofthoogte van 85 centimeters en die, als het nodig is, zich muisstil kunnen verplaatsen (Dus het schieten van een “middeloude” 3 tot 5 jaar keiler is wildbiologisch gezien een doodzonde en is eigenlijk niet te rechtvaardigen).
Zeugen wegen gemiddeld 70 kilogram en overlopers rond de 50. In de Karpaten mag men getallen verdubbelen; er zijn daar keilers van rond de 300 kilogram bemachtigd.)
De paringstijd (‘raustijd’, ruwweg van begin november tot eind februari) van wilde zwijnen is een roerige periode, waarin de oudere mannetjes elkaar geducht kunnen toetakelen, hetgeen met veel geschreeuw, geknor en gekraak gepaard gaat. Op de schoft en voorste ribben van de keilers ontwikkelen zich daartoe tussen half november en half januari dikke zwoerdplaten om de zware stoten van de slagtanden (‘houwers’ of ‘geweren’) van hun rivalen op te vangen. Ondanks dat kunnen ze elkaar behoorlijk bloedende wonden toebrengen, die echter dankzij het zwoerd niet tot longen en hart kunnen doordringen.
De onderhoektanden groeien bij de keilers naar boven en naar buiten uit. De bovenhoektanden groeien ook naar boven en naar buiten uit, maar moeten daartoe eerst een U-turn maken. Daarna schuren de onder hoek tanden (de ‘houders’ of “geweren”) langs de bovenhoektanden (de ‘haderers’), zodat zij vlijmscherp blijven.
In het gevecht of bij de aanval op de mens slaat het wild zwijn er mee van onder naar boven, waardoor diepe splijtwonden aan benen of onderlijf kunnen ontstaan. De bachen hebben veel kleine houwertjes, maar ook zij kunnen daarmee lelijke blessures veroorzaken. Aan de tanden kan men ook de leeftijd beter bepalen. Visueel kan men het ook aan de staartlengte zien, de haren zijn lang en hangt tot over de hak. Bij keilers zien wij soms wel een staart als een paardenstaart. Ronde ruggen laten ook zien dat de wild zwijns, keiler onder de 5 jaar zijn.
Zie hiervoor de folder ;Leeftijdsbepaling-everzwijn
Wilde zwijnen zijn alles eters.
Het voedsel van wilde zwijnen bestaat voor 90 % uit plantaardig voedsel, waarvan aardappelen, stukken bieten, mais, granen en andere zaden zo’n 40% uitmaken en 36 % uit eikels en gras 9,5% en wortels en knollen 3,5 % , zaden van de beuken en linde 1,4%, vruchten van de bramen en etc 0,3%, Mossoorten 0,1 % en paddestoelen 0,1%. 7,6% van hun voedsel bestaat uit dierlijke eiwitten, waarvan 3,2 % aas bestaat en de rest uit insecten, larven, regenwormen en kikkers.
Bijzonder opvallend is het als het in de werptijd van de reeën, dat reegeiten die ervaring hebben met wilde zwijnen ook al horen zij deze in de verte direct afspringen, omdat zij blijkbaar het gevaar kennen, die van wilde zwijnen uitgaat. Vooral het nachtelijke gevaar voor de kalveren is bekend, maar zijn er maar weinig waarnemingen waar een reekalf gegrepen wordt door een wild zwijn in het hoge gras omdat dan ook vaak ‘s-nachts gebeurt.
In gebieden waar veel wilde zwijnen voorkomen kunnen de verliezen bij de reekalveren groot zijn. Verder kunnen de wilde zwijnen voor de pasgeboren hazen en konijnen maar ook de nesten van de bodembroeders worden totaal geplunderd en indien mogelijk ook de broedende vogel vooral gebieden waar het vochtig is en veel watervogels broeden.
Om schade te voorkomen aan de landbouw is het noodzakelijk om plekken te creëren voor de zeugen om een groot deel van het jaar hoogwaardig groenvoer te hebben en hiervan kan het overige wild ook goed profiteren. Deze plekken mogen in een zwartwildbeheergebied niet ontbreken.
De moderne landbouw met de grote arealen maïs zorgt als het ware voor een echte maïsspuit, zodat de zeugen het hele jaar door drachtig kunnen worden.
Actieradius Hierboven werd al gezegd dat wild zwijn voor hun voedselopname kilometers ver weg gaan, dit is niet juist. De zeugen vormen goed geordende familiegroepen (rotte) en zijn juist erg trouw aan hun territorium. De leidende Zeug bepaald het gebied waarin ze rond trekken en gaat daarbij uit ervaring het gevaar uit de weg ( ze zal wildschade gevoelige plaatsen vermijden, als daar een al frisling geschoten is) Wordt de leidende Zeug geschoten, dan gaat het territorium van de rotte ook verloren en een veel groter gebied wordt dan doorkruist en hierdoor zal ook de wildschade toenemen. Alle zeugen in een intacte rotte sluiten zich aan bij de “rausche” van de leidende zeug en onderdrukken zo de “rausche” van de frislingzeugen.
Complete familiegroepen bestaan uit zo’n 25 tot 32 dieren, hierna verdelen zich deze familiegroepen zich weer. De verplaatsingen in het territorium geschieden in de nacht of zeer vroege ochtend en late avond, aangezien zij bij uitstek nacht- en schemerdieren zijn. Voor hun omzwervingen maken zij gebruik van vaste wissels, bestaande uit diep of minder diep uitgesleten paadjes, die van dekking naar dekking lopen en die zij in ganzenmars afdraven. Overdag liggen zij graag in dichte dekkingen, in hoge hei of biezenvelden, waarin ze diepe legers hebben uitgeschuurd
Dreigt er gevaar dan kunnen zij geruisloos van de ene kant van zo’n dekkingsvlak naar de andere lopen om te peilen wat de beste plek is om het vak sluipend of in volle galop te verlaten, bijna altijd tegen de wind op of minstens met halve wind.
Een wild wild zwijn kan niet zonder water. Elk slootje, poel of vol geregend karrenspoor is welkom. Als ze de kans krijgen ‘zoele’ ze graag, dat is hun lichaamsverzorging. Ze wentelen zich om en om in de modder, laten die opdrogen en droogt in en beschermt hen tegen insecten en huidparasieten, ze wrijven hun huid daarna tegen boomstammen of -stronken modder korstenvrij, waarbij de opgesloten teken, luizen en vlooien worden vermorzeld. Door de geur die de zwijnen hiermee afgeven aan de schuurboom fungeert die als een soort baken voor de wilde zwijnen, die zich hebben verwijdert en toch steeds weer terugkomen naar de plek waar ze zijn geboren en groot gebracht. Voor vreemde dieren is het een teken er weg te blijven.

De winterdos van een wild zwijn bestaat uit een stugge, donkere dichte beharing (de ‘borstels’). Van de kop tot dicht bij de staartbasis loopt op de rug een streep extra lang haar, dat bij woede of schrik rechtop gaat staan, waardoor het wild zwijn er nog dreigender uitziet.
Wilde (en tamme) wild zwijns behoren tot de zeer slimme zoogdieren en ze leren uitermate snel, zoals proeven hebben aangetoond. Een ontsnapt en verwilderd huiswild zwijn is na enkele seizoenen even schuw en uitgekookt als zijn wilde neven, wel iets om over na te denken als men de zich te pletter vervelende slachtwild zwijns in donkere hokken bekijkt, of nog erger: dieren die met een riem om de borst aan een halve meter ketting worden vetgemest
Zoals gezegd, het reukvermogen en het gehoor van tamme en wilde wild zwijns zijn scherp, even scherp als die van rood- en reewild. Iedereen kent de foto’s van Franse boeren die met een huiswild zwijn aan een touw truffels (ondergrondse paddestoelen) zoeken, die het wild zwijn door de aarde heen ruikt. Overigens is het onbegrijpelijk dat een neus die zo scherp is (en blijft) tegelijk kan worden gebruikt om soms tot een decimeter diep de grond om te woelen. Het gezichtsvermogen van het wilde zwijn is matig. Als men met goede wind bewegingloos zit of staat, kan een wild zwijn vlak langs u heen lopen.
Wilde zwijnen maken open plekken in de bodem door hun wroeten. Afhankelijk van de manier van wroeten levert dit oppervlakkige, wat diepere en diepe omwoeling (tot 50 cm) op, waarbij het bodemprofiel gemengd wordt met de minerale ondergrond. Afhankelijk van manier van wroeten en de intensiteit (gerelateerd aan de dichtheid aan wilde zwijnen) is dat bij een lage dichtheid aan wilde zwijnen vaak goed voor bepaalde vegetatieontwikkeling en verjonging, en geeft het het ecosysteem dynamiek. In grote leefgebieden geeft dit ook verscheidenheid aan biotopen (Groot Bruinderink et al., 2007). Bij een grotere dichtheid aan wilde zwijnen (vuistregel >5/100 ha) lijken ze een negatief effect op de vegetatie te hebben, waarbij ze soms orchideeënweitjes omploegen.
Bosontwikkeling en natuurlijke verjonging kan in voedselarme situaties, zoals op de Veluwe, bij hogere dichtheden van wilde zwijnen worden belemmerd, vooral van goed eetbare soorten zoals beuk, eik, berk, lijsterbes en vuilboom. Minder goed eetbare soorten als grove den, douglas en fijnspar worden bevoordeeld (Groot Bruinderink et al., 2011; Spek, 2014).
In kleine gebieden zouden wilde zwijnen nadelig kunnen zijn voor bijv. reptielenpopulaties (hagedis), want het is bekend dat ze grote aantallen reptielen kunnen eten. Of dit een negatief effect op populaties heeft is niet duidelijk (Groot Bruinderink et al., 2011). Grote leefgebieden zijn daarom belangrijk. Voor een volledig beeld over mogelijke schade aan natuurwaarden in de leefgebieden zou een vergelijking van Natura 2000 doelen en de populatiegrootte gemaakt moeten worden. Dat is geen onderdeel van deze studie.
Over de effecten van wilde zwijnen op de natuur bij hoge dichtheden wordt door natuurbeheerders verschillend gedacht: sommigen zien het als een negatief effect, anderen zien het als een ‘natuurlijk proces’.