Wild zwijn

Jacht en consumptie 

Boeken vol zijn er geschreven over de jacht op wilde zwijnen. Het is een jacht die veel tijd kost en veelal wordt gedaan vanuit een hoogzit waarvoor beperkt voer is gestrooid om de wilde zwijnen te lokken. Traditioneel is het wild zwijn een interessant dier voor de jacht. Het vergt veel kennis en ervaring om deze dieren te bejagen omdat zij zo snel leren. Het zijn intelligente dieren en om die redenen hebben ze altijd een magische uitstraling gehad voor natuurgebieden en de jacht daarin.

De sterfte onder de pasgeboren en jonge frischlingen kan tot 20 % bedragen en in strenge en ook natte  winters kan dit zelfs alle daarin geboren frishlingen zijn. Als het zwartwild echter vakkundig wordt beheerd ,vermeerderen wilde zwijnen snel en probleemloos soms tot 300% per jaar, tenzij er longworm, wild zwijnenpest, extreme koude of wat vaak nog dodelijker is, extreme droogte optreden.

Niet beheren leidt tot ongewenste situaties en gericht afschot zorgt er juist voor dat de aantallen en verspreiding van de zwijnen in verhouding staan met de door de maatschappij gewenste situatie en voor de balans onder de wilde zwijnen. Men wil toch niet overal in Nederland wilde zwijnen. Het gaat hierbij vooral om het voedselaanbod en de belangen zoals vermeld in de Wet natuurbescherming; zoals voorkomen van schade aan de landbouw en flora- en fauna, verkeersveiligheid, gezondheid etc.

Voor wilde zwijnen in de natuur geldt; eten, zorgen voor nageslacht en gegeten worden.

Het wildbraad van wilde wild zwijns kan tot exquise gerechten worden bereidt.

Voor een instructie hoe je nu een wild zwijn vilt nadat het voor consumptie is vrijgegeven. zie “Het-villen-van-een-wild-zwijn“.

In Nederland tekent zich met betrekking tot het beheer van populaties van edelhert, ree en wild zwijn de laatste jaren een kentering af.

Was het beheer tot voor kort eenzaam van een betrekkelijk kleine groep intimidie hun werk tamelijk geïsoleerd van de buitenwereld konden verrichten, thans richt de aandacht van een groeiend publiek zich op het edelhert, ree en wild zwijn en voelen velen zich betrokken bij de discussie over andere invalswegen bij het beheer van deze diersoorten en hun omgeving.

In Duitsland zijn deze tendensen niet anders, daar is de laatste jaren vooral door de zachte winters en de goede mast de populaties sterk  gestegen met zeker zo’n 200 % tot 300%, wat extreem veel is.

De roep om meer kansen te geven aan natuurlijke processen en om de mogelijkheden om wild te zien vergroten wordt steeds sterker.

Natuurlijke dichtheden en minder bijvoer strijden in de discussie om voorrang, maar ook de wijze van aantal regulering is aan de orde en door velen wordt in dit verband het ontbreken van grote predators als een ernstig gemis voor het functioneren van het ecosysteem ervaren.

Voorlopig lijkt er mee betrekking tot de aantal regulatie van genoemde herbivoren naast de jacht een groeiende rol te zijn weggelegd voor het natuurlijk voedselaanbod.

Belgische-zwijnen-discipline-b

Belgische discipline van de wilde zwijnen die netjes door het dorp lopen

De draagkracht van een gebied voor wilde zwijnen is afhankelijk van bijvoorbeeld het aanbod aan dekking, water en voedsel en dus tijdafhankelijk. Ook de leeftijd structuur van de populatie kan bepalend zijn voor de aantallen zwijnen die ergens kunnen leven. Belangrijk zijn de leidende zeugen die de groepen wilde wild zwijns bij elkaar houden en hierdoor zal verspreiding op een natuurlijke wijze worden tegengegaan. Schiet men deze zeugen dan verspreid de groep zich en is er dus ook meer kans op dragende “overlopers”  en dit vergroot weer de kans op schade.

Bij het presenteren van cijfers over de draagkracht zal dus sprake zijn van een indicatie waaromheen de aantallen over een langere reeks van jaren zullen fluctueren.

Wanneer, zoals in het onderhavige geval, aan natuurlijke processen in een gebied een belangrijke functie wordt toegekend maar de aantallen hoefdieren door de mens worden gereguleerd, lijkt het een goede zaak om zich, bij het vaststellen van de na te streven aantallen te laten leiden door de draagkracht en de schadegevoeligheid aan de landbouwgewassen van het gebied.

Oorzaken enorme toename wild zwijn:

  • Absoluut gezien te gering afschot laatste jaren
  • Voorjaarstellingen zijn onderschatting; je telt maar 30%!!!
  • Veranderde landbouw  door veel maïs en terreingebruik leidt tot permanent verblijf in akkers met energierijk voedsel
  • Meer mastrijke jaren
  • Zachtere winters

Suggestie: onbeplante stroken in en langs de maïsvelden, hierdoor ontstaan schietbanen voor afschot

Reproductie: 1970 2006 2007
Aantal biggen per zeug < 1 jaar 2,0 6,3 4,8
Aantal biggen per zeug 1-2 jaar 4,2 7,8 6,8
Aantal biggen per zeug > 2 jaar 5,3 7,9 8,3
Populatieaanwas 332% 267%

Door de opbouw van de populatie zorgen de jonge zeugjes (kleiner dan 1 jaar) voor ongeveer 55% van het totaal aantal geboren jonge biggen per jaar per populatie; de overlopers voor 30% en de oudere zeugen voor 15 %.

 In een statistisch model uitgezet blijkt dat door dit “biggen krijgen biggen” effect pas bij een afschot van jonge biggen van 80% de populatie stabiel blijft. De vroeger gehuldigde opvatting dat de leidende zeug voorkomt dat biggen en overlopers gedekt worden is zowel in Luxemburg als in dit onderzoek niet aangetoond: tot 80% van de zeugjes van 10-12 maanden en 100% van de zeugjes van 1-2 jaar waren drachtig!!!

De conclusie hieruit moet zijn dat je in voedselrijke jaren/omstandigheden voldoende biggen moeten schieten (80%). Biggen zijn namelijk de potentiële zeugen. Je schiet bijvoorbeeld 10 grote zeugen en je denkt dat je hiermee een  groot effect op de stand hebt, dan vergis je stevig, als je niets aan de frishlingen doet, want deze leveren vooral in de goede jaren veel reproductie.

Aanzitladder wild zwijnIn het onderzoeksgebied in Luxemburg was het afschot gerealiseerd door 75% aanzit, de rest via drijfjacht. In een model is berekend wat met de huidige jachtinspanning de ontwikkeling zou zijn in dit gebied van 3000ha:

Populatie is nu 400 dieren, maar zal bij gelijkblijvende jachtinzet in 10 jaar groeien tot 600 dieren. Als er helemaal niet gejaagd zou worden is er in 3-4 jaar tijd een explosieve ontwikkeling tot geschat 1600 dieren, waarna er een instorting is tot een wisselend niveau van ongeveer 1000-1200 dieren (3-4 per 100ha). Als er echter een goed mastjaar met zachte winter is, zal het aantal weer explosief stijgen.

Conclusie:

Gelet op de huidige omstandigheden, c.q. voedselaanbod in gebieden waar de soort voorkomt buiten de leefgebieden, mag worden verwacht dat de populatie zonder ingrijpen snel kan groeien. Er is voedsel genoeg in het cultuurlandschap van Nederland. Om de schade te beheersen is het meest effectief om de populatiegroei tegen te gaan, c.q. de populatie te laten krimpen. Desnoods met middelen die niet algemeen worden aanvaard terwijl zij maatschappelijk wel gewenst zijn, zoals bepaalde vormen van jacht. Verjagen is arbeidsintensief omdat het dier snel leert. Weren is het meest effectief om schade te beperken door het plaatsen van rasters.

Wildziekten wild zwijn

De meeste wilde hoefdieren zijn, evenals gehouden dieren, vatbaar voor een groot aantal besmettelijke dierziekten: ze kunnen elkaar wederzijds besmetten. Maatschappelijke criteria als voedselveiligheid (zoönosen), economische schade (uitbraken van dierziekten, mogelijk verlies van speciale rassen of foklijnen ten gevolge van mortaliteit en/of stamping-out), risicoperceptie en algemene verontwaardiging over de bestrijding van dierziekten, zijn gebruikt om een lijst samen te stellen met vijf relevante dierziekten onder ‘wild zwijns’ zie onderstaande tabel. Deze lijst is lang niet volledig (Simpson, 2002; Groot Bruinderink et al., 2007). Niet opgenomen zijn bijvoorbeeld exotische ziekten met geringe kans op insleep of ziekten die (nog) sporadisch in de Nederlandse veehouderijsector voorkomen.

Ziekte Agens Veehouderij Wilde zwijnen Zo Verspreidings-mechanismen
Blaasjesziekte (SVD) Enterovirus, familie Picornaviridae Nee (1994) sporadisch Nee Via direct contact, swill voedering (verboden), mest, indirect contact (veewagens, mensen)
Klassieke wild zwijnspest (KVP) Pestivirus, familie Flaviviridae Nee (1998) Nee (1983/84) Nee Via direct contact, sperma, ingestie vangecontamineerd vlees (swill voedering), mest, indirect contact (mensen, voertuigen, materialen); verticale transmissie (carrier sow syndrome)
Mond- en klauwzeer (MKZ) Aphtovirus, familie Picornaviridae (7 serotypen) Nee (2001) Nee Nee Via direct contact, sperma, melk, swill voedering, mest, indirect contact (mensen, voertuigen, materialen), lucht
Trichinellose Trichinella spp. (rondworm); in wild zwijns vaak T. spiralis Nee (2002) Sporadisch Ja Ingestie van gecontamineerd vlees (swill voedering, besmette knaagdieren)
Ziekte van Aujeszky of pseudorabies (ZvA) Suid herpesvirus type 1 (alphaherpesvirus), familie Herpesviridae Nee (2004) Sporadisch Nee Uitscheiding van virus via ademhaling, neusslijm en speeksel, melk, geslachts-apparaat en sperma, ingestie van gecontamineerd vlees Verspreiding via direct contact, indirect contact (mensen, transportmiddelen, materialen) en de lucht

Nederlandse wilde zwijnen zijn vrij van alle relevante bestrijdingsplichtige dierziekten waarop gemonitord wordt. Daar waar het bestrijdingsplichtige ziekten betreft, kunnen wilde zwijnen een belangrijke bron van infectie zijn voor gehouden wild zwijns, mits het virus in Nederland als eerste geïntroduceerd wordt bij de wilde zwijnen. Preventief beleid zou zich daar in belangrijke mate op moeten richten.

Het introductierisico van KVP/AVP via wilde zwijnen wordt op dit moment hoog ingeschat omdat het nu ook al voorkomt in de wilde zwijnen in Duitsland en Polen.  Mochten de ziekten wel optreden, dan is de kans op insleep naar gehouden varkens.

ZvA wordt wel aangetroffen bij wilde zwijnen in de ons omringende landen. De overdracht van ZvA van wilde zwijnen op gehouden wild zwijns komt sporadisch voor.

Voor de AVP heeft de aanwezigheid van het virus in de wilde zwijnen populatie direct consequenties, ook voor de varkenshouderij. Het zal o.a. leiden tot handelsbeperkingen in meer of minder grote delen van Nederland. Ook als wilde zwijnen niet de primaire bron zijn van het virus, maar er sprake is van “spill-over” vanuit gehouden varkens naar wilde zwijnen, kan dit aanzienlijke consequenties hebben voor de varkenshouderij. Vrijverklaring van Nederland en daarmee het opheffen van alle handelsbelemmeringen, kan pas wanneer de ziekte ook bij wilde zwijnen is uitgeroeid, wat minstens 2 jaar duurt zoals blijkt uit de ervaringen met de recente besmettingen in België.

Methode van inventarisatie en nauwkeurigheid: Buiten  de Leefgebieden van de Meinweg en Meerlebroek

Ieder najaar in november wordt door de WBE’s geïnventariseerd wat men denkt dat er aan Wilde Zwijnen voorkomt binnen het werkgebied.

Aan de hand van afschotcijfers, waarnemingen, sporen, schademeldingen en valwildregistratie wordt in kaart gebracht waar de Wilde Zwijnen zich bevinden. De waarnemingen zullen altijd de ondergrens vormen van de werkelijke populatie. Bij een jaarlijks afschot van ongeveer 350 dieren is de werkelijk aanwezige populatie groter. Dit is ook te herleiden uit het afschot van opeenvolgende jaren, waarbij ieder jaar weer ook oudere dieren geschoten worden die naar alle waarschijnlijkheid niet datzelfde jaar vanuit het buitenland zijn binnengekomen, dus vorige jaren ook al aanwezig moeten zijn geweest maar toen niet gesignaleerd zijn. Uit de jaarlijkse inventarisatie  door jachtaktehouders van zogeheten bijstaande wild zwijns (de grootte van de groep waaruit 1 dier werd geschoten) lijkt de aanwezige populatie buiten de leefgebieden gemiddeld 2 tot 3 x het geschoten aantal dieren.

image_pdfimage_print

Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.