Reewild

Bronstijd reewild:

In de aanloop naar de zomer is er een overvloed aan voedsel en dekking. Zowel de reebokken als de reegeiten nemen dan voor hen interessante gebieden in het leefgebied in. Met name de reebokken zijn druk in de weer met het territoriumgedrag. Reebokken vegen dan aan twijgen en struiken met de geurklieren tussen hun geweistangen. Jonge bokken worden door volwassen bokken verdreven. In deze periode komen dan ook de meeste aanrijdingen voor.

In alle jaargetijden kunnen reeën zich laten horen laten horen door het uitstoten van geluiden. Maar met name als de reeën hun territorium vormen en gevormd hebben en bij de voortplanting horen we het karakteristieke schelden en fiepen.

In de steeds warmer wordende periode dragen de reeën hun dunnere, roodbruine haarkleed.

De bronsttijd, de paringstijd van reeën, ligt tussen half juli en half augustus. Deze periode wordt ook wel de bladtijd genoemd. Geslachtsrijp zijn normaal ontwikkelde reeën op de leeftijd van 1 jaar.

bok-drijft-geit

Slecht ontwikkelde vrouwelijke reeën worden in de na-bronst beslagen of slaan een jaar over. Reebokken zijn vruchtbaar vanaf 1 jaar. In een goede reeënstand, met een goede samenstelling van leeftijden en geslachten, nemen jaarlingen als regel nog niet deel aan de voortplanting.

Bronstige geiten scheiden geurstoffen af die de bokken aantrekken. Ook produceren de geiten in deze tijd een ‘fiepgeluid’ waar de bok op af komt. De geiten zijn 3 – 4 dagen bronstig. Omdat de geit lang niet altijd direct bereid is tot een paring, vinden er regelmatig wilde achtervolgingen plaats totdat de geit aangeeft dat ze bereid is. De paring op zich duurt maar enkele seconden. Het eitje(s) wordt bevrucht. Na de paring komt de bevruchte eicel in de baarmoeder terecht. In twee weken deelt de eicel snel en ontstaat er een kiemblaasje van ruim 1 mm grootte. Daarop volgt een 4 1/2 maand durende kiemrust zonder zichtbare ontwikkeling. Men spreekt over een uitgestelde implantatie. Vanaf midden december ontwikkelt het embryo zich snel.

bok-dekt-geitNadat de bok verschillende malen de geit heeft beslagen, verlaat deze de geit en gaat op zoek naar een andere bronstige geit. De geit voegt zich dan weer bij haar kalveren, die ze tijdens het liefdesspel heeft verlaten.

In de herfst is er steeds minder verteerbaar voedsel. De reeën eten en rusten veel en leggen vetreserve aan om de winter door te komen. De dunnere roodbruine vacht verandert in een dichte, grijze vacht die hen tegen de kou en regen moet beschermen. In oktober verliezen de reebokken het gewei. Direct daarna begint het nieuwe gewei te groeien.

Gedurende de bronsttijd verliezen de bokken behoorlijk wat lichaamsgewicht, tot wel 25%.

De geboorte

In mei of juni werpt de geit haar kalveren. Meestal twee, soms één en soms drie. Geiten met vier kalveren zijn zeldzaam. Het gewicht van een kalf ligt rond de 1,5 kg. De geit kiest de plek uit waar ze de kalveren gaat zetten. Meestal is dat een bosrand met veel ondergroei, een weiland met lang gras of in het koren. Na de geboorte likt de geit de kalveren droog, maakt de geboorteplek zorgvuldig schoon en eet de nageboorte op om zo weinig mogelijk geurspoor achter te laten. Kort na de geboorte doen de kalveren al pogingen om op te staan. De pasgeboren kalveren vinden in korte tijd de tepels. De geit zoogt de kalveren diverse malen per dag, niet langer dan een minuut per keer.

De kritische periode

reegeit-met-kalfDe tijd tussen de geboorte en het tijdstip waarop de kalveren de geit als hun eigen moeder herkennen is een kritische periode voor kalveren. Deze duurt enkele weken. In de kritische periode volgen de kalveren de geit niet steeds. Dagelijks zijn ze maar korte tijd bij elkaar. Waarschijnlijk herkent de geit haar kalveren in deze eerste tijd niet aan een individuele geur, maar aan een algemene kalverengeur. Zo is het mogelijk dat de eerste 3 weken een geit een vreemd kalf nog accepteert als haar eigen kalf.

Gedurende de eerste twee weken drukken de kalveren zich bij onraad en geven ze nog geen geur af. Ze kennen nog geen gevaar en laten zich gemakkelijk benaderen en oppakken. Regelmatig doen onwetende wandelaars dit dan ook, in de veronderstelling dat de moeder ze in de steek heeft gelaten. Maar de geit verlaat haar kalf nooit. Ze is altijd in de buurt, ook al zie je haar niet.

In deze tijd is ook het gevaar van loslopende honden groot en maken maaimachines veel slachtoffers. In de eerste twee weken verwijderen de kalveren zich van elkaar en liggen vaak op behoorlijke afstand van elkaar. Voor het zogen roept de geit de kalveren naar zich toe. Het zich zelfstandig drukken, op afstand van elkaar, in de eerste levensweken doen de kalveren instinctief. Daarmee verkleinen ze het risico dat ze worden gevonden door natuurlijke vijanden. In deze periode verdedigt de geit de kalveren door met de lopers te slaan.

De stabiele periode

De kalveren volgen de geit voortdurend en zijn steeds bij haar in de buurt. Toch kun je een geit gedurende de eerste maanden ook regelmatig alleen of met maar één kalf zien. Kalveren hebben namelijk een iets ander dagritme dan de geit. Ze slapen wat meer. Als de kalveren circa 2,5 maand oud zijn, is de dagindeling gelijk. De kalveren komen daarna ook regelmatig in contact met andere reeën. Het zogen van de kalveren neemt af, tot het helemaal stopt als ze een half jaar oud zijn.

reegeit en 2 geitkalverenDe kalveren worden steeds zelfstandiger, hun gedragingen gaan steeds meer lijken op die van volwassen reeën. Lagen de ligplaatsen van de kalveren eerst ver uit elkaar, met het ouder worden liggen ze steeds dichter bij elkaar. Spelenderwijs leren ze allerlei gedrag, zoals imponeren, dreigen en het tonen van onderdanigheid. Deze stabiele moeder-kind-periode duurt tot in het volgende voorjaar. Als eerste neemt het bokkalf afscheid, hoewel dat lang niet altijd vrijwillig gebeurt, deze verdwijnt dan voorgoed uit het leefgebied van de moeder. Kort voordat de moeder weer opnieuw kalveren krijgt verstoot ze het geitkalf.

Het jonge ree moet in zijn eerste levensjaar in de herfst minstens 12,5 kg wegen om de winter te kunnen overleven. Gedurende de wintermaanden groeien de kalveren namelijk nauwelijks. Pas vanaf maart is er weer een gewichtstoename. Met twee jaar is het ree lichamelijk volwassen, lichaamsgewicht en omvang nemen nog toe tot een leeftijd van ongeveer vijf jaar. Maar dit is sterk afhankelijk van de kwaliteit van de biotoop. De kwaliteit van het voedselaanbod in de herfst, winter en het vroege voorjaar is namelijk doorslaggevend voor de verdere lichamelijke ontwikkeling van het jonge ree.

Ree sprong

Dit is ook het begin van de winter waarin er veel minder voedsel en beschutting is en daardoor veel minder energie voor reeën. Je ziet de reeën in die tijd vaak in groepjes bijeen. Een dergelijke groep wordt een sprong genoemd. Dit zijn meestal familie verbanden, het smalree en jaarling bok maar ook de reegeit van 2 terug met haar kalveren kan hier deel van uit maken. Zij komen dan naar de oude geit terug. Deze is de leidster van de sprong. Dus schiet nooit de oude geit dan alleen als ze geen kalveren meer bij zich heeft.

De levensduur

Er zijn gegevens over reeën in gevangenschap en over reeën die als kalf gemerkt werden. In gevangenschap is de maximaal bereikte leeftijd 25 jaar. Van de in het wild levende en als kalf gemerkte reeën is de oudste bok ruim 17 jaar en de oudste geit 16,5 jaar geworden. Bij reeën ouder dan 10 jaar staat grote gebitsslijtage, waardoor het voedsel niet meer goed gekauwd en herkauwd kan worden en daarom niet meer goed wordt opgenomen, een hogere levensverwachting in de weg.

De natuurlijke geslachtsverhouding

Bij de geboorte is er een geslachtsverhouding tussen mannelijke en vrouwelijke kalveren van gemiddeld 1:1. Jaarlijks kunnen hierin wat afwijkingen in optreden. Met toenemende leeftijd verschuift deze verhouding meestal ten gunste van de vrouwelijke dieren, omdat de verliezen bij de bokken groter zijn. De toename van de reeënstand wordt deels veroorzaakt door de moeilijke telbaarheid van het ree, waardoor een onderschatting van het aantal reegeiten plaatsvindt én door het onderschatten van het belang van het geitenafschot, waardoor er te weinig geiten worden geschoten.

De aanwas

De jaarlijkse aanwas bestaat uit de kalveren die worden geboren uit het aantal vrouwelijke reeën dat op 1 april aanwezig is. Smalreeën krijgen nog geen kalveren, maar omdat ze bij tellingen in het voorjaar niet altijd meer duidelijk van de geiten zijn te onderscheiden, worden ze samengeteld met de geiten.

De aanwas is natuurlijk niet altijd en overal gelijk. Verschillen treden op door de reeëndichtheid, de voedselsituatie en andere factoren (recreatie, infrastructuur e.d.). De jaarlijkse aanwas kan, afhankelijk van omstandigheden, schommelen tussen 70 en 150% van het aantal op 1 april aanwezige stuks vrouwelijke dieren (geiten, smalreeën en vrouwelijke kalveren). De verhouding tussen het aantal smalreeën en geiten is van grote invloed op de aanwas. Het is aan te bevelen bij het berekenen van de jaarlijkse aanwas uit te gaan van gemiddeld 85% van alle vrouwelijke dieren.

Print Friendly, PDF & Email