Reewild

Verspreiding Reewild in Nederland.

verspreiding ree Nederland

  • Niet ingrijpen leidt tot overbevolking c.q. ruimtegebrek, waardoor voedselschaarse en stress optreden. Dit zijn omstandigheden waarin abnormale vatbaarheid voor ziekten ontstaat en ernstige gedragsafwijkingen voorkomen. Parasieten krijgen voorts grote invloed als gevolg van de verminderde weerstand, wat onherroepelijk leidt tot omvangrijke sterfte onder het reewild.
  • Wij zijn daarom van oordeel dat een consequent en actief beheer van de sterk gegroeide aantallen het reewild noodzakelijk is. E.e.a. wel afgestemd op de actuele stand van zaken in de Wildbeheereenheid Susteren/Graetheide. Wij pleiten voor aantallen die in evenwicht zijn met de leefomstandigheden en de daar geldende functies. De Wildbeheereenheid Susteren/Graetheide streeft er naar te komen tot een zo natuurlijk mogelijke leeftijdsopbouw van de het reewildpopulatie.
  • Om deze doelen te bereiken, dient deskundig, veilig en actief reewildbeheer, op basis van een door de overheid goedgekeurd het reewildbeheerplan, te worden uitgevoerd.
  • Het afschot zal daarom dusdanig zijn dat de natuurlijke predatie zo veel mogelijk wordt benaderd.Dit betekent dat +/- 50% van het afschot kalveren en jaarlingen betreft, de overige 50% zal bestaan uit duidelijk zwakke dieren en de oudere leeftijdsklasse (ouder dan 5 jaar).
  • Jaarlijks zal circa 30% van het het reewildbestand worden afgeschoten Het beheer is gericht op handhaving van de huidige stand en geslachtsverhouding van 1 op 1 (Reegeit: reebok).

Ree voorkomen, valwild en afschot Limburg

Naast de toename van het ree, is ook het wegennetwerk in Nederland en ook inLimburg enorm uitgebreid. Hierdoor zijn botsingen tussen  reeën en verkeer toegenomen. Er bestaat geen compleet beeld van het aantal aanrijdingen in Nederland. Geregistreerde aantallen liggen rond 4.800 en 6.500 per jaar  De jaarlijkse sterfte in het verkeer bedraagt daarmee circa 5% van de landelijke populatie. Maar schattingen van sterfte door aanrijdingen liggen veel hoger, tot wel 10.000 per jaar (10% van de populatie). De financiële schade van de aanrijdingen bedraagt mogelijk 25 miljoen euro per jaar. Daarnaast is er sprake van dierenleed en verkeersonveiligheid.

Oorzaken aanrijdingen en preventieve maatregelen

Oorzaken

Aanrijdingen door gedrag van ree.

Het aantal aanrijdingen met reeën varieert door het jaar heen en is gerelateerd aan onder andere het seizoensgebonden gedrag van de dieren. De meeste aanrijdingen vinden plaats in de lente, in de maanden april en mei. In deze periode gaan reeën, die in de winter in een zogenaamde wintersprong leven, een meer solitaire periode tegemoet. Een wintersprong wordt gevormd als de winter begint en bestaat meestal uit verschillende reebokken, geiten en hun nakomelingen van dat jaar en eventueel die van het vorige jaar. In de lente valt deze wintersprong weer uit elkaar. Dat begint met een toename in het territoriale en agressieve gedrag van de dominante bokken. Hierbij worden de nog onvolwassen bokken verjaagd uit het territorium. Verbannen en op zoek naar een nieuwe leefomgeving steken jonge bokken regelmatig wegen over, wat leidt tot aanrijdingen.

Later verjaagt ook de geit volwassen dochters uit het territorium, vlak voor de geboorte van de kalveren.

Enkele maanden later vindt de bronst plaats. Dit is de periode van seksuele activiteit, ook wel paartijd genoemd. In deze periode, van midden juli tot midden augustus, is het aantal aanrijdingen nog steeds relatief hoog. Volwassen reebokken jagen achter potentiële partners aan waardoor beide seksen geregeld onoplettend wegen oversteken. Dit heeft een verhoogd risico op aanrijdingen als gevolg.

Daarnaast is in de bronstperiode het testosteron-niveau bij volwassen reebokken het hoogst en zijn ze nóg agressiever tegen de jongere bokken en leeftijdsgenoten.

Aanrijdingen door gedrag van mens

Naast de invloed van het gedrag van reeën op het aantal aanrijdingen, spelen activiteiten van de mens een grote rol. Zo heeft een toename in infrastructuur ervoor gezorgd dat de dieren steeds minder leefomgeving en aaneengesloten gebieden ter beschikking hebben. Zodoende worden ze gedwongen zich tijdens de zoektocht naar voedsel en rust te verplaatsen over wegen heen. De gebieden die het ree nog heeft, worden geregeld verstoord door recreatieve activiteiten. Vooral loslopende honden verjagen reeën uit hun leefomgeving, ook richting de wegen. Jagers en Boswachters en Boa’s constateren dit regelmatig. Bosbouwpraktijken zoals verwijderen van opslag of kaalkappen kunnen ook gepaard gaan met het verjagen van reeën, omdat het aanbod van voedsel en dekking daardoor sterk verandert. Reeën gebruiken graan en maïs als beschutting en rustplaats. Op het moment dat de boeren gaan oogsten, raken de dieren hun beschutting kwijt en zullen ze op zoek gaan naar nieuwe beschutting. Ook daarbij moeten zij vaak wegen oversteken, met gevaarlijke situaties tot gevolg.

Beheer doel Limburg: Beperking van risico op aanrijdingen en landbouwschade door een stand na te streven van ongeveer 4200 dieren voorjaarstelling. De stand is berekend met een hernieuwde draagkrachtberekening.

 Verloop

2010- 2011

2011- 2012

2012-2013

2013-2014

Voorjaarstelling 3-jarig gem.(VJT)* 4309 4218 4320 4309
Toegekend afschot 3221 3201 2735 2653
Behaald afschot 2476 2230 2270 1947
Aantal aanrijdingen 481 484 486 441
% aanrijdingen / 3-jarig gem. VJT 11% 11% 11% 10%
Getaxeerde schade faunafonds 19 3000 0 179

* Gebaseerd op een 3-jarig gemiddelde van de voorjaarstelling vanaf 2009 t/m 2014

reebok-en-geit-weideBerekende Zomerstand Reewild  Gemiddeld

2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011  2012 2013 2014 Gemiddeld2005-2015
Geit 3005 3051 2950 3139 3584 3483 3290 3366 3751 3272 3289
Bok 2611 2689 2567 2784 3095 2939 2751 2835 3105 2776 2815
Totaal 5617 5740 5517 5924 6679 6421 6042 6201 6855 6048 6104
Ratio ♀ 54% 53% 54% 55% 53% 53% 54% 53% 53% 53% 54%
Ratio ♂ 46% 47% 46% 45% 47% 47% 46% 47% 47% 47% 46%

Evaluatie afgelopen beheerperiode:

De doelstelling wordt redelijk gehaald. Afgelopen jaren is het aangepaste beheer op basis van de nieuwe draagkrachtbepaling doorgevoerd. Incidenteel is lokaal maatwerk toegepast om te komen tot een goed gedragen uitvoering zonder sterke toename van het aantal aanrijdingen. De populatie is sinds de stapsgewijze invoering van de nieuwe ideale stand zoals gewenst licht toegenomen en heeft zich gestabiliseerd, overeenkomst de toename van het geschikte leefgebied, zoals berekend in de nieuwe draagkrachtberekening. Er is nagenoeg geen landbouwschade. Het aantal aanrijdingen is stabiel. Het behaalde afschot loopt met name bij de geiten achter op het gewenste aantal, wat deels verklaard kan worden door het zich minder tonen ten opzichte van de bokken.

Schade wordt nagenoeg niet aangemeld, maar komt ook niet vaak voor een tegemoetkoming van de schade in aanmerking. Afschot vindt vooral plaats op knelpunten voor verkeersveiligheid en bij schade aan plantages e.d.

Gestreefd wordt naar beheer van de populatie op een stand waarbij de kans op aanrijdingen op hetzelfde niveau blijft, wat momenteel vergelijkbaar met het landelijke gemiddelde is. Bekend is dat bij niet beheren van een populatie de stand kan toenemen, en tevens is bekend dat bij een toenemende stand er een hogere kans op aanrijdingen bestaat.

Het het reewild regulatieplan wordt jaarlijks vastgesteld door de het reewildbeheercommissie en de het reewildcoördinator in overleg met de betrokken afschothouders van het het reewild van de samenwerkende WBE’n; Susteren/Graetheide, Swentibold, De Maasvallei en Moorveld, grootte van het totale gebied +/- 15.000 ha.

Zaken, het reewild betreffende worden geregeld door de Flora- en faunawet. De uitvoerende verantwoordelijkheid berust bij de Wbe’s en de jachthouders van de jachtvelden op basis van een goed gekeurd faunabeheerplan van de Faunabeheereenheid door de provincie.

Met de introductie van wildbeheereenheden is de schaalvergroting binnen de Nederlandse jagers wereld geïntroduceerd. Het paste de overheid, die bezig was met privatiseren, om enige taken af te stoten. Daarbij werden verantwoordelijkheden naar de jagers gedelegeerd. Deze verantwoordelijkheden vragen om een nieuwe opzet en aanpak. Mede gelet op de minimale oppervlakten van de WBE’n (5.000 ha), werd bij het reewild de nadruk gelegd op populatiebeheer.

Beheer van populaties

Met het beheren van populaties hoefdieren in cultuurlandschappen was heel weinig ervaring. Er moesten ideeën worden ontwikkeld om tot een grondige aanpak te komen. Populatiebeheer is meer dan het opstellen van een afschotplan. Het welzijn van de het reewildpopulaties staat hierbij centraal. Dit heeft een omschakeling in het denken en doen van jagers tot gevolg gehad, want er werd in het verleden veel aandacht besteed aan individuele het reewild, voornamelijk bokken.

Afschotperiodes in Limburg

De volgende afschotperioden gehanteerd:

  • Reebokken: Jaarrond (van 1 april t/m 30 maart);
  • Reegeiten & Kalveren (bokkalf & geitkalf): 1 oktober t/m 31 maart;
  • Dieren die acuut aanmerkelijke schade of verkeersrisico’s opleveren: Jaarrond.

Faunabeheerplan en wildbeheereenheid

Door de nieuweWet natuurbescherming is het beheer van het reewild opgedragen aan een faunabeheereenheid die hiervoor een faunabeheerplan opstelt. De grondslag van het reewildbeheer is vastgelegd in het faunabeheerplan, wat dan gecoördineerd en planmatig wordt uitgevoerd door de WBE in haar gehele werkgebied op basis van een toestemming gebruik ontheffing art 3.17 Wn. Welke de FBE na goedkeuring van het Faunabeheerplan heeft verkregen van de betreffende provincie, waarin haar beheergebied is gelegen.

Verantwoordelijkheid & Wetgever

Het reewild leven in dit ‘man made landscape’ en is dan ook te beschouwen als extensief gehouden vee. Helaas vallen ze niet onder de wet, die zaken van deze dieren regelt. Voor huisdieren geldt een bijzondere zorgplicht. Omdat de leefwijze van de in ons land levende het reewild niet vergelijkbaar is met die van soortgenoten, die voorkomen in ongerepte natuurgebieden, lijken hun levensomstandigheden meer op die van huisdieren. Hiermee zal rekening moeten worden gehouden met het beheren van deze diersoort. Er zal aandacht moeten worden besteed aan het welzijn van het reewildpopulaties. Ook de zorg van het welbevinden van het individuele dier is hier belangrijk. Door het niet uitvoeren van enige maatregelen kunnen er situaties ontstaan waarbij het welReegeit geschoten in een te dichtbevolkt reewildgebied met keelhorsels besmetzijn van het reewild in het geding komt. Wanneer de grondeigenaar moedwillig de gezondheidstoestand van de dieren verwaarloost, die aan zijn zorg zijn toevertrouwd, komt hij, wanneer het gehouden dieren betreft, in conflict met Artikel 455, sub 2 van het Wetboek van Strafrecht. De Wetgever zegt hierover het volgende:

‘Hij die nodeloos aan een dier, dat geheel of ten dele aan hem toebehoort en onder zijn toezicht staat, of aan een dier tot welks verzorging hij verplicht is de nodige verzorging onthoudt, maakt zich schuldig aan een strafbaar feit’.

Je kunt in Nederland maar beter een schaap zijn dan een ree!!

DOELSTELLING

De doelstelling van het het reewildbeheer bestaat uit het op elkaar afstemmen van de omvang van de het reewildpopulatie en de voedselvoorraad van het gebied. Daarbij wordt uitgegaan van de draagkracht van het gebied. Hiervoor bestaan verschillende modellen zoals het bekendste model “Van Haaften” is dat wordt gebruikt bij het het reewildbeheer. Deze gaat uit van een vastgestelde draagkracht per jachtgebied a.d.h.v. de kwaliteit van voedsel aanbod en een constante dekking van het gehele jaar in dat gebied. Hiervoor hebben de WBE’n een doorrekenmodel opgemaakt in Excel, hierdoor kan op deze wijze snel, per jachtveld vastgesteld worden;

De draagkracht van het jachtveld en a.d.h.v. de telresultaten, de regulatie van het reewild bestand per jachtveld.

Ook de draagkrachtmethode van “Poutsma” biedt grootte voordelen, daar deze uitgaat van natuurlijke selectie. Daarbij laat hij de het reewild zelf hun populatiedichtheid, leeftijdsopbouw, sociale rangorde en geslachtsverhouding bepalen.

DRAAGKRACHT

Onder het begrip draagkracht wordt verstaan: Het maximale aantal het reewild dat blijvend gebruik kan maken van een gebied zonder dat de vegetatie negatief wordt beïnvloed (Stoddart, 1975).

INVENTARISATIES VAN VOEDSELPLANTEN

Voedselaanbod

Om de relatie tussen het voedselaanbod en het reewild vast te stellen moet er een aantal zaken bekend zijn. Zoals de manier waarmee de kwaliteit van het voedsel gedurende een jaar kan worden bepaald. Bovendien moet de hoeveelheid voedsel worden vastgesteld. Daarnaast is het van belang om een aantal dingen over het reewild te weten. Het zou fijn zijn wanneer het exacte aantal reewild in een gebied zou kunnen worden vastgesteld, maar dat blijkt in de praktijk bijna onmogelijk. Dit ondanks de energie en de tijd die er door de tellers in wordt geïnvesteerd. Er worden het reewild geteld, maar welk percentage van het totale aantal is onbekend. Bovendien zegt het aantal getelde dieren niets over de relatie met het voedselaanbod. Je kunt alleen constateren dat er veel, aardig wat of weinig het reewild worden gezien. Daarom is het noodzakelijk om inventarisaties aan planten en het reewild uit te voeren.

Voedselplanten & kwaliteit

Allereerst moet de kwaliteit van de voedselplanten en de hoeveelheid voedsel worden vastgesteld. Dit kan gebeuren wanneer er wordt bemonsterd naar de spijsverteringsstrategie van het reewild.

Bereikbaar

Belangrijk bij de bemonstering is de bereikbaarheid van de plantendelen. De reikwijdte van het reewild is vanaf het maaiveld tot ongeveer 1.20 meter hoogte.

Licht verteerbaar & veel soorten

De voorkeur van het reewild gaat uit naar lichtverteerbare plantendelen. Omdat de meeste planten slechts korte tijd lichtverteerbaar zijn en een hoog nutriënten gehalte bezitten moet er in het leefgebied een grote variatie aan plantensoorten zijn.

Voedselplanten & kwantiteit

Daarnaast moet de hoeveelheid plantenvoedsel worden vastgesteld. Door de bedekkinggraad van het bereikbare plantendek te schatten kan een waarderingstabel worden opgesteld. Op deze wijze kunnen de waarderingen als GOED, MATIG en SLECHT worden aangebracht. Op deze manier wordt niet alleen inzicht verkregen in kwaliteit en de hoeveelheid plantenvoedsel, maar ook in de verdeling van het voedsel over het terrein. In de praktijk zou eenmaal per jaar zo’n voedselinventarisatie moeten worden gedaan. Dit gebeurt meestal niet. Toch is het aan te raden voor jonge onbeschermde bosaanplantingen en bosverjongingspercelen die nog in een onstabiele fase van ontwikkeling verkeren. Voor oude stabiele bossen kan met een intake per drie jaar worden volstaan.

Inventarisaties van het reewild

Hoeveel het reewild komt er voor?

Tellingen van het reewild worden vaak gezien als een belangrijk meetpunt bij het beheer. De reebok in het bosgetelde het reewild geven geen inzicht in het werkelijke aantal het reewild dat in een gebied leeft. Het is bekend dat hierbij grote fouten worden gemaakt, die variëren tussen 30- en 300%.

Bovendien geeft het aantal getelde het reewild geen inzicht in de relatie tussen het voedselaanbod en de het reewild. Dus zal er naar andere meetpunten moeten worden gezocht.

Er zijn hier meer vragen dan antwoorden voorhanden.

  • Hoeveel kalveren worden er geboren?
  • Antwoord: Niet bekend.
  • Wanneer worden de kalveren geboren?
  • Antwoord: Niet bekend.
  • Hoeveel kalveren sterven er?
  • Antwoord: Niet bekend.
  • Hoe groot is de totale sterfte binnen de het reewildpopulatie?
  • Antwoord: Niet bekend.
  • Welk gedeelte van de populatie emigreert?
  • Antwoord: Niet bekend.

Om inzicht te krijgen in de gang van zaken binnen een reewildpopulatie moeten er antwoorden op bovenstaande vragen komen. Het is bijna onmogelijk om alleen daaruit betrouwbare gegevens te distilleren. Daarom moet er naar andere meetpunten worden gezocht. Een goed meetpunt is de conditie van het reewild in de populatie. Het liefst gemeten tijdens de wintermaanden van de meest kwetsbare groep: de kalveren.

Deze groep geeft informatie over het gebruik van het voedselaanbod in het terrein waar ze opgroeiden, de groei van de dieren en de kans om te sterven of te overleven.

Waarom wordt de conditie van de meest kwetsbare groep tijdens de wintermaanden bepaald?

In het voorgaande is het een en ander vermeld over de voedselstrategie van het reewild. Hierin werd aangegeven dat deze dieren zeer zorgvuldig met hun energie omgaan. De winter is voor hen een bottle-neck-periode waarin zal blijken of het voedselaanbod van het terrein toereikend is voor het overleven in een het reewildpopulatie.

De paartijd van het ree wordt bronst genoemd. Deze vindt plaats midden in de zomer, tussen half juli en half augustus. Een reegeit is in de bronst, circa 24 uur, bevruchtbaar en bereid tot paren. In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt gaan de reegeiten in die periode opzoek naar ‘hun’ reebok. Uit onderzoek blijkt dat zij daarvoor hun kerngebied verlaten. De reegeit zoekt bij die tocht ‘haar’ reebok op in diens territorium. Soms kan er wel eens sprake zijn van een “nabronst” in de late herfst (november/december). Bij de geiten die dan beslagen worden is er geen sprake van een vertraagde dracht zodat de kalveren op het normale tijdstip ter wereld komen.

Kalveren, geboren in mei/juni, zullen veel voedsel gebruiken om te groeien. Die groei is meetbaar in de winter. Door hun romplengte en borstdiepte te meten wordt inzicht verkregen in hun ontwikkeling. Deze groei correspondeert met de eetpiek in het voorjaar. Hun gewicht geeft het gebruik van de voedselvoorraad in de late herfst en begin winter aan. Door de metingen en wegingen in een formule samen te brengen wordt inzicht betreffende hun conditie verkregen. De conditie van de meest kwetsbare groep wel te verstaan.

Om er achter te komen of de kalveren de lange winter kunnen overleven wordt er naar hun vetreserves gekeken. In het begin van de winter worden er in het lichaam op verschillende plaatsen vetdepots aangelegd. In de holle pijpbeenderen kan de hoeveelheid nauwkeurig worden vastgesteld. In de methode Poutsma wordt de hoeveelheid beenmergvet van het opperarmbeen bepaald. Ook hier weer van de meest kwetsbare leeftijdsgroep. Op deze manier wordt informatie verkregen over de overlevingskansen van deze groep. De resultaten van de conditie-index en het beenmergvetpercentage geven inzicht in de draagkracht. Is de algemene conditie van de kalveren slecht en het beenmergvetpercentage laag dan heeft het maximale aantal het reewild het voedselaanbod overschreden.

De kalveren worden willekeurig in het terrein verzameld.

Met behulp van de inventarisatie gegevens wordt inzicht gekregen in de relatie gebied / het reewild. Wanneer de resultaten uit het steekproefonderzoek hoge conditie-index cijfers en hoge vetpercentages opleveren dan is er meestal met de oudere dieren niets aan de hand. Uitzonderingen, zoals zieke dieren daar gelaten.

De hierboven globaal beschreven methode kost de mens arbeid, maar met de uitkomsten kan hij beslissingen nemen over eventueel uit te voeren maatregelen. Vaak wordt er gedacht dat een het reewildbeheerplan hetzelfde is als een afschotplan, maar dit is niet correct. Het afschotplan kan een onderdeel zijn van het het reewildbeheerplan.

Laat hierover geen misverstanden bestaan!

Wanneer er wordt besloten een afschotplan op te stellen en uit te voeren dan zijn daarbij twee belangrijke punten aan de orde, namelijk hoeveel het reewild zullen er worden geschoten en op welke plaatsen?

Methode Poutsma

In de Methode Poutsma wordt gekozen voor de selectie door de het reewild zelf en de jager past zich daarbij aan. het reewild is erg plaatsgetrouw. Het aantal geschikte plekken is kleiner dan het aanbod aan het reewild. Hierdoor ontstaat concurrentie. In het rangordesysteem van het reewild hebben de hoogstgeplaatste zich de beste terreingedeelten toegeëigend. Volwassen reewild is dominant over de jeugd. Dominante bokken verjagen lagergeplaatste seksegenoten. Hoog op de sociale ladder staande geiten tolereren de aanwezigheid van andere geiten niet. Hierdoor ontstaat een natuurlijke selectie waarbij de beste plekken door het hoogst geplaatste reewild worden ingenomen. De rest kan vertrekken. Op zoek naar een eigen plek zullen ze voortdurend hun neus stoten en worden doorgestuurd. Als enige vestigingsmogelijkheid blijft een minder aantrekkelijk terreingedeelte over waar de overlevingskansen kleiner zijn.

Van deze terreinvoorkeur wordt in deze methode gebruik gemaakt tijdens het opstellen van het afschotplan. Volwassen reewild in terreingedeelten, met GOED aangeduid, worden niet bejaagd. Ook niet als het bokken betreft van vijf jaar en ouder! Dit is de fokgroep, die zelf deze status heeft verworven. Laaggeplaatste het reewild, die als ‘outcast’ door soortgenoten zijn verjaagd, worden wel bejaagd. De vegetatie-kwalificatiekaart wordt gebruikt om de gebieden aan te wijzen. Ruimtetekort is het grote probleem voor het reewild. In de minder geschikte gebieden wordt het afschot gerealiseerd. Voor de goede orde het volgende: Jaarlingbokken leven als nomaden en kunnen overal in het terrein voorkomen en worden daar bejaagd. De selectienorm voor deze leeftijdsgroep wordt door de jagers zelf bepaald.

Kritiek

Twee leerlingen van de Middelbare Bosbouwschool te Velp hebben een literatuurstudie verricht over het onderwerp ‘Beheersjacht of zelfregulatie?.’ In hun conclusie vermelden deze studenten onder andere het volgende: De draagkrachtmethode van Poutsma biedt als groot voordeel dat deze uitgaat van natuurlijke selectie. Daarbij laat hij de het reewild zelf hun populatiedichtheid, leeftijdsopbouw, sociale rangorde en geslachtsverhouding bepalen. De menselijke invloed is bij het bepalen van het afschot minimaal. Verder is het kwalificeren van de gebieden in goed, matig en slecht eenvoudig uit te voeren. Het model Poutsma is onder bepaalde omstandigheden een ideale benadering, maar die omstandigheden komen hier in Nederland weinig of niet voor.

Het bezwaar is dat het leefgebied van een populatie zich over meerdere jachthouders uitstrekt, waardoor de kans op het bejagen van deelpopulaties groter wordt. Deze moet dan alles schieten en de ander met het beste revier en de beste stukken, mag helemaal niets schieten. Dit is in de praktijk onverkoopbaar, ook al is het theoretisch correct.

Voor een korte beschrijving op hoofdpunten van het reewildbeheer zoals wij dit toepassen in onze reewildbeheerkring; zie reewildbeheer op hoofdpunten

Wildbereiding ree

De rug en de bouten van de ree zijn culinair het meest interessant. De voorbout van een ree heeft weinig vlees en wordt meestal gebruik voor reepeper. Koteletten worden gesneden van het ribstuk, de biefstuk wordt gesneden van de achterbout. Van de reerug snijdt men overwegend medaillons.reerug_Oimages

Reebiefstuk en reerug

Voor veel interessante recepten voor ree en alle andere soorten wild en gevogelte zie de website: www.wildplaza.com

 

Print Friendly, PDF & Email