Aanvullend NVWA‑antwoord vogelgriep en geschoten wild in 10‑km zone

Inleiding en doel van de toelichting

Naar aanleiding van recente uitbraken van vogelgriep (aviaire influenza, AI) in verschillende regio’s in Nederland en de instelling van een 10‑km beperkingszone, geeft de NOJG hier een nadere toelichting op het beleid van de NVWA. Dit betreft de gevolgen voor jacht, afschot en gebruik van geschoten ganzen, eenden en vossen. De toelichting biedt praktische handvatten aanvullend op de formele maatregelen van de Rijksoverheid en NVWA.

Status 10‑km beperkingszone en jacht

Rondom een besmet pluimveebedrijf wordt een beperkingszone van 10 km ingesteld, bestaande uit een 3‑km beschermingszone en een 3–10 km bewakingszone. Binnen deze zone geldt een vervoersverbod voor pluimvee, eieren, mest en aanverwante producten afkomstig van bedrijven met vogels, ter voorkoming van verspreiding van het virus.

De overheid kan binnen deze zone een (gedeeltelijk) jachtverbod instellen. Dit gebeurt niet standaard; jacht op ganzen, eenden en andere vogelsoorten, evenals op vossen, blijft mogelijk tenzij een specifiek verbod wordt afgekondigd. Jagers dienen voor actuele informatie regelmatig de Dierziekteviewer van RVO en berichtgeving van Rijksoverheid en de NOJG en de Jagersvereniging te raadplegen.

Rol van wilde vogels en vossen bij verspreiding

De NVWA stelt dat vogelgriep jaarrond circuleert onder wilde vogels, waarbij met name watervogels (ganzen, eenden, zwanen) een belangrijke rol spelen in de transmissie. Het H5N1‑virus kan voorkomen bij ogenschijnlijk gezonde wilde eenden en andere grondel eenden. Roofdieren en aaseters, waaronder vossen, kunnen het virus oplopen door het eten van besmette vogels.

Geschoten wilde watervogels uit gebieden met een actuele uitbraak, en vossen die veel aas eten, kunnen deel uitmaken van de infectieketen. Het gebruik van dergelijk wild vraagt om terughoudendheid, vooral bij menselijke consumptie en intensief gebruik bij trainingen of proeven, gezien het risico op verspreiding.

Gebruik en afvoer van geschoten ganzen en eenden

De NVWA richt formele vervoersverboden primair op gehouden vogels en hun producten. Tegelijk waarschuwt ze dat dode wilde (water)vogels met AI‑virus een risico vormen voor verdere verspreiding richting pluimvee en hobbyvogels. Om deze reden wordt, in lijn met het beleid rond jachthondenproeven, geadviseerd in de 10‑km zone geen wild te gebruiken uit recente uitbraakgebieden en geschoten wild altijd zorgvuldig en professioneel af te voeren.(Bijvoorbeeld RENTAL)

Aanvullend advies NOJG binnen de 10‑km zone

  • Beoordeel geschoten watervogels direct ter plekke op ziekteverschijnselen, afwijkend gedrag of opvallende sterfte in het gebied.
  • Geschoten kadavers ook zonder afwijkingen mogen niet worden meegenomen uit het gebied en mogen niet in de voedselketen terechtkomen; deze dienen als risicohoudend dierlijk materiaal te worden afgevoerd.
  • Kadavers mogen niet in het veld worden achtergelaten, maar moeten via een destructiebedrijf of andere professionele route worden afgevoerd om direct contact met pluimveehouderijen, hobbypluimvee en gehouden vogels te vermijden.
  • Deze aanpak sluit aan bij het voorlichtingsbeleid van de NVWA: door kadavers gecontroleerd af te voeren, wordt het risico op mechanische verspreiding via voertuigen, materiaal, honden of menselijk verkeer verkleind.

Vossen in de 10‑km zone

Voor vossen gelden geen specifieke AI‑vervoersverboden. Wel signaleren de NVWA en diergezondheidsorganisaties dat roofdieren, waaronder vossen, via besmette vogels of aas het H5N1‑virus kunnen oplopen. Jacht op vossen kan doorgaan, mits er geen specifieke gebiedsmaatregelen gelden, maar extra aandacht voor hygiëne en terughoudendheid is geboden.

  • Gebruik vossenkadavers niet voor demonstraties, trainingen of andere activiteiten waarbij veel contact met mensen of honden is, maar voer ook deze kadavers via een professionele route af.
  • Bij vossen met opvallende zenuwverschijnselen, verlammingsbeelden of ander afwijkend gedrag dient in overleg met dierenarts of bevoegde instanties te worden beoordeeld of inzending voor onderzoek of melding aan het Landelijk meldpunt dierziekten noodzakelijk is.

Hygiëne, meldingen en praktische afspraken

  • Goede hygiëne is essentieel om verspreiding van vogelgriep tegen te gaan. Geschoten vogels (eenden, ganzen) in de 10‑km zone mogen niet gebruikt worden voor consumptie of jachthondenproeven en dienen, net als gevonden dode kadavers, te worden afgevoerd via bijvoorbeeld Rental voor vernietiging.
  • Materieel zoals wildrekken, voertuigen, laarzen en jachttassen na gebruik reinigen en waar mogelijk desinfecteren, vooral vóór bezoek aan erven met pluimvee of andere gehouden vogels.
  • Direct contact tussen jachthonden en dode wilde vogels beperken; honden na inzet grondig schoonmaken, met name na werkzaamheden in natte of kadaverbelaste gebieden.
  • Dode wilde vogels die buiten de jachtsituatie worden aangetroffen (meerdere dieren of opvallende sterfte) melden via de door de NVWA aangeboden kanalen en de meldwijzer, zodat monitoring en onderzoek naar het vogelgriepvirus mogelijk blijven.

Slotopmerkingen

De Wbe verzoekt alle leden deze aanvullende aanwijzingen strikt te volgen zolang de beperkingszone geldt. Bij wijziging van het NVWA‑beleid of opheffing van de zone is deze informatie niet meer van toepassing.